Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1999:AE9918

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-10-1999
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
R9900612
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging wegens onvolledige informatieverstrekking tijdens behandeling verzoek tot aanpassing schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Het gerechtshof te 's-Gravenhage,

tweede civiele kamer

heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

X. wonende te P.,

appellante,

procureur: mr. T. Scholtus,

Het geding

Bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 mei 1999 is ten aanzien van X. de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard, met benoeming van mr. G. Tangenberg tot rechter-commissaris en mr. M. Spaa tot bewindvoerder.

Op voordracht van de rechter-commissaris heeft de rechtbank bij vonnis van 17 september 1999 de schuldsaneringsregeling ingetrokken en is X. in staat van faillissement verklaard. Bij verzoekschrift van 24 september 1999 heeft X. tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de voordracht van de rechter-commissaris af te wijzen, de faillissementsverklaring te herroepen en te bepalen dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 oktober 1999, waarbij X. is verschenen, bijgestaan door mr. T. Scholtus, advocaat te 's-Gravenhage, alsmede mr. M. Spaa, in zijn hoedanig van bewindvoerder en G. Tangenberg, rechter-commissaris.

Beoordeling van het hoger beroep

1. X. heeft tegen het vonnis vier grieven aangevoerd.

2. Met grief bestrijdt X. de overweging van de rechtbank dat zij willens en wetens het risico heeft genomen om zonder enige kennis of bekwaamheid een supemarktketen op te zetten en dat dit heeft geleid tot enorme schulden.

Met de grieven 2 en 3 komt X. op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij tijdens de schuldsanering niet voldoet aan haar verplichting om de bewindvoerder alle benodigde informatie te verstrekken respectievelijk dat zij gegevens heeft achtergehouden en dat daaruit benadeling van schuldeisers kan voortvloeien en met grief 4 vecht zij de overweging van de rechtbank aan omtrent het zelfstandig belang van de bewindvoerder om zich op het standpunt te stellen dat X. haar verplichtingen niet naar behoren nakomt.

3. Ter toelichting op de grieven heeft de raadsman betoogd:

- dat bij X. geen boos opzet voorzat daar zij heeft vertrouwd op de deskundigheid van Y. dat zij tijdens de schuldsanering aan de bewindvoerder alle medewerking heeft verleend

- dat, nu het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is toegewezen, beëindiging van de schuldsanering slechts kan geschieden op een van de gronden vermeld in artikel 350 Fw en niet wegens (vermeende) afwezigheid van goede trouw voorafgaand aan de toepassing van de regeling.

4. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

5. Op grond van de in deze procedure overgelegde stukken, waaronder de verslagen van de bewindvoerder en de schriftelijke voordracht van de rechter-commissaris tot beëindiging van de schuldsanering, alsmede op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt het hof tot de conclusie dat X. op verregaand roekeloze wijze bedrijfsmatige activiteiten heeft verricht door zonder de daartoe benodigde kennis omtrent de bedrijfsvoering een supermarktketen op te zetten. Dat zij daarbij vertrouwde op de deskundigheid van een zekere Y. doet aan dat oordeel niet af nu van een deugdelijk onderzoek door X. naar diens deskundigheid niet is gebleken. X. heeft zich voorts bezig gehouden met onroerend-zaak transacties waarbij zij gebruik heeft gemaakt van X., Vastgoed B.V. i.o.. Desgevraagd heeft zij ter terechtzitting van het hof meegedeeld daarbij te hebben vertrouwd op eigen deskundigheid die zij meende te kunnen ontlenen aan haar voormalige werkzaamheden als secretaresse. Aldus heeft zij ten koste van vele crediteuren zich schuldig gemaakt aan financieel wangedrag.

6. Een en ander is eerst in volle omvang aan het licht gekomen door het onderzoek door de bewindvoerder nadat de schuldsaneringsregeling was ingegaan, zij het dat ook thans nog administratieve bescheiden ontbreken die X. naar haar zeggen in het verleden wel bij Y. aanwezig heeft gezien maar die zijn verdwenen, terwijl voorts, naar het hof begrijpt, de bewindvoerder bij zijn onderzoek nog steeds op onduidelijkheden stuit.

Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 350 Fw de beëindiging van een reeds lopende schuldsanering slechts kan geschieden op een of meer der gronden genoemd in die bepaling. Anders dan X. kennelijk meent kan bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een omstandigheid als in dat artikel beschreven de toestand zoals die bestond voorafgaand aan de inwilliging van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een rol spelen.

Met name is dat het geval indien de schuldenaar heeft verzuimd om bij zijn verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling volledig opening van zaken te geven en eerst door onderzoek door de bewindvoerder tal van bezwarende gegevens aan het licht komen waarmee de rechtbank bij haar beslissing op dat verzoek geen rekening heeft kunnen houden. Dat geval doet zich hier voor.

Daaraan doet niet af dat de wet de rechtbank de mogelijkheid biedt om voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Van die mogelijkheid zal de rechtbank immers slechts gebruik (kunnen) maken indien haar bij summier onder zoek punten van twijfel zijn gebleken.

7. Nu moet worden geconstateerd dat de rechtbank cruciale informatie is onthouden omtrent de aard en de reikwijdte van de ondernemersactivitelten van X. en X. ook thans niet voldoet - naar haar zeggen: niet kan voldoen aan haar informatieplicht, is het hof van oordeel dat zich het geval voordoet van artikel 350 Fw, lid 3 onder c en dat reeds daarom, al het bovenstaande in aanmerking genomen, de beslissing van de rechtbank waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, zij het dat die beslissing dient te luiden dat de regeling wordt beëindigd (in plaats van ingetrokken). Dit betekent dat de grieven 1 en 2 worden verworpen.

8. Grief 3 gaat in zoverre op dat het hof niet is gebleken dat X. gedurende de toepassing van de regeling heeft getracht schuldeisers te benadelen. Dit kan X. gezien het vorenstaande echter niet baten, terwijl evenmin de gegrondheid van grief 4, wat daar ook van zij, kan afdoen aan voormeld oordeel van het hof.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 17 september 1999.

- verstaat de beslissing van de rechtbank aldus dat de schuldsanering wordt beëindigd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Uhlenbeck-Lagerweij, Aukes-De Vries en Gerritzen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 oktober 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.