Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1999:AE9824

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-03-1999
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
R9900158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid voor frauduleus handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage

Tweede civiele kamer,

heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

X.,

(hierna te noemen: X),

wonende te P.

procureur: mr W. Taekema,

Het geding in hoger beroep

Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het hof van 4 maart 1999, heeft X. hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 24 februari 1999, waarbij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, X. alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 maart 1999, waarbij X. is verschenen, bijgestaan door mr J.G. Princen, advocaat te Rotterdam.

Beoordeling van het hoger beroep

Het hof is met de rechtbank, op de in het bestreden vonnis weergegeven gronden waarmee het hof zich verenigt, van oordeel dat aannemelijk is dat X. ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de in de verklaring als bedoeld in art 285 lid 1 sub a Fw genoemde schulden aan de Belastingdienst ter hoogte van f 40.410.009,- en aan de curator in de faillissementen van de tot de Y-Groep behorende vennootschappen ter hoogte van f 85.000.000,- niet te goeder trouw is geweest, zodat zich de in artikel 288 lid 2 onder a Fw (red: bedoeld is 'onder b') genoemde weigeringsgrond voordoet.

Naar aanleiding van hetgeen X. in hoger beroep nog heeft aangevoerd overweegt het hof , voor zover naar 's hofs oordeel van belang, nog als volgt.

X. heeft blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, ten overstaan van de rechtbank op 24 februari 1999, verklaard dat hij jarenlang directeur en enig aandeelhouder van de gefailleerde vennootschap is geweest en dat onder zijn leiding en in zijn opdracht gedurende een aantal jaren valse belastingaangiften zijn gedaan en valselijk facturen zijn opgemaakt.

X. heeft - desgevraagd door het hof - niet betwist dat hij in eerste aanleg aldus heeft verklaard, maar heeft in hoger beroep op advies van zijn raadsman het verklaarde willen bevestigen noch ontkennen. aan het betoog van zijn raadsman dat X. deze verklaring uitsluitend zou hebben afgelegd om zijn zoon en dochter te ontlasten, zoals hij dat ook heeft gedaan tegenover de FIOD omdat toen zijn zoon en dochter in voorlopige hechtenis zaten, hecht het hof in het licht van voormelde proceshouding van X. ter zitting van het hof, geen geloof.

Het hof merkt voorts nog op dat voor zover X. de hem verweten fraude en de daarop gebaseerde vorderingen van de Belastingdienst en de curator in de faillissementen van de tot de Y-Groep behorende vennootschappen betwist, er geen plaats is voor toepassing van een schuldsaneringsregeling. Nu uitsluitend die vorderingen onderwerp uitmaken van het onderhavige verzoekschrift en X. zich er niet over heeft uitgelaten in hoeverre hij die vorderingen erkent dient dan ook daarom het verzoek te worden afgewezen.

Op grond van het voorgaande acht het hof het verzoek tot toepassing van een schuldsaneringsregeling niet toewijsbaar, zodat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd.

Beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 24 februari 1999.

Dit arrest is gewezen op 30 maart 1999 door mrs. Uhlenbeck-Lagerweij, Simonis en Van Peski, in tegenwoordigheid van de griffier.