Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1998:AA6509

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/00470
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1998/658
V-N 1998/46.1.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

dertiende enkelvoudige belastingkamer

4 augustus 1998

nummer BK-97/00470

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uit-spraak van de In-specteur, het hoofd van de eenheid Particu-lieren P van de Belas-tingdienst, betref-fende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de in-komstenbelasting en de pre-mie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 123.919.

1.2. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehand-haafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in be-roep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belang-hebbende door de griffier een griffierecht geheven van f 75. De Inspec-teur heeft een vertoogschrift ingediend. Be-langheb-bende heeft vervolgens een conclusie van repliek in-ge-zonden, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een con-clu-sie van dupliek.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaats-gehad ter zitting van het Gerechtshof van 31 maart 1998, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen A namens belang-heb-ben-de, alsmede B namens de Inspec-teur, tot zijn bij-stand vergezeld van C en D.

2.3 Belanghebbendes gemachtigde heeft ter zitting een pleit-nota voorge-dra-gen en overge-legd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aange-merkt. Ter zitting zijn voorts door belanghebbendes gemachtigde vier stukken overgelegd, zulks zonder bezwaar van de kant van de wederpar-tij, aan wie ter zitting de gelegenheid is gegeven van de in-houd daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te la-ten. Voornoemde stukken, waarvan de inhoud eveneens als hier inge-last moet worden aan-gemerkt, zijn door de griffier geken-merkt belanghebbende I tot en met IV.

2.4. Het Hof heeft op 14 april 1998 mondelinge uitspraak ge-daan. De voor partijen bestemde afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 27 april 1998 per aangete-kende post aan partijen verzonden.

2.5. Bij brief, ter griffie ingekomen op 13 mei 1998, heeft de Inspecteur het Hof verzocht de mondelinge uitspraak te vervan-gen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde grif-fierecht is tijdig betaald.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting ver-handelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet vol-doende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende was gedurende het gehele jaar gehuwd. In het onderhavige jaar be-droeg zijn onzuiver inkomen f 124.514. Het onzuivere inko-men van zijn echtgenote bedroeg f 115.834. Tot het huishouden van belanghebbende behoorden twee kinderen, te weten E, gebo-ren op 22 maart 1989, en F, gebo-ren op 13 au-gustus 1990. Voor beide kinderen werd gedurende vijf dagen per week kin-deropvang genoten van onge-veer 14.45 uur tot onge-veer 18.00. Ook in de twee vooraf-gaande jaren werd voor beide kin-deren gedurende vijf dagen per week en een voor ieder kind gelijk aantal uren per dag kinderopvang genoten. De betaalde ouder-bijdrage voor kinderop-vang zijn als volgt:

E F

1995: f 2.274,72 f 8.124,--

1994: f 1.905,55 f 9.415,--

1993: f 4.454,-- f 8.390,--

Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inko-men van f 117.839.

3.2. Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur onder meer geen uitgaven ter zake van kinderopvang in aanmerking geno-men, om-dat de totale uitgaven niet meer beliepen dan het totaal van de voor twee kinderen in aanmerking te nemen drem-pelbedragen als vermeld in de tabel opgenomen in artikel 14a, van de Uit-voeringsregeling inkomstenbelasting 1995 (hierna: de Uit-voe-ringsregeling respectievelijk: de ta-bel).

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Het geschil betreft uitsluitend het antwoord op de vraag of bij de berekening van de niet-aftrekbare uitgaven ter zake van kinderopvang volgens de tabel moet worden uitgegaan van de drempelbedragen per kind, hetgeen belanghebbende bepleit, of-wel van de totale kosten - met inachtneming van de totale max-imumaftrek - en de totale drempel voor beide kinderen, zo-als het standpunt van de Inspecteur luidt.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stuk-ken. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toege-voegd.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van f 118.259.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Partijen gaan ervan uit dat E als eerste kind moet worden aangemerkt. Voorts is in confesso dat, behou-dens de omvang van de in aanmerking te nemen ouderbijdra-ge, overi-gens aan de voo-rwaarden voor aftrek van de betaalde ouderbijdrage op de voet van arti-kel 46, lid 10, van de Wet op de inkomsten-belas-ting 1964 (hierna: de Wet) is voldaan.

6.2. Het Hof sluit zich bij vorenstaande opvattingen van par-tij-en aan, nu niet is gebleken dat zij dienaangaande van een onjuist uitgangspunt uitgaan. Wat het eerste uitgangspunt be-treft, mist ook naar het oordeel van het Hof lid 2 van artikel 14a, van de Uitvoeringsregeling toepassing, nu voor beide kin-deren in het onderhavige jaar een gelijk aantal uren kinderop-vang placht te worden genoten.

6.3. Artikel 46, lid 10, van de Wet bepaalt dat voor de vast-stel-ling van de drempelbedragen acht wordt geslagen op de Ad-viestabel ouderbijdragen kinderopvang, vastgesteld door de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. De toelich-ting bij deze adviestabel verstrekt geen antwoord op de vraag welk kind als eerste kind moet worden aangemerkt, indien meer kinderen uit één huishouden een gelijk aantal uren per week gebruik maken van kinderopvang.

6.4. De Inspecteur betoogt - onder verwijzing naar en onder aanha-ling van een citaat uit de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer inzake de Wet van 15 december 1994, Stb, 930, Kamerstuk-ken I, 23 483, nr. 158b, blz. 3 - dat de wetgever er van uitgaat dat de drempel-be-dragen bij meerdere kinderen wor-den getotaliseerd. Deze verwijzing en citering moet echter op een vergissing berusten. Het betreffende citaat is een gedeel-te uit de Toelichting bij de Ministeriële regeling van 23 de-cember 1994, nr. WDB94/432 M tot wijziging van de Uitvoe-rings-rege-ling (VN 1995, blz. 52 en 53) en luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"In het eerste lid van artikel 14a is opgenomen de tabel met de bedragen aan

uitgaven voor beroepsmatige kinderop-vang die, afhankelijk van het onzuivere

inkomen van de belastingplichtige (en zijn partner), niet voor aftrek in aanmerking

komen. Voor zover de uitgaven voor kinderop-vang uitgaan boven deze

drempelbedragen zijn zij aftrek-baar behoudens voor zover de uitgaven uitgaan boven

f 10 250 per kind per jaar (bedrag 1995).

(...)

De drem-pelbedragen bij de hoogste onzuivere inkomens gaan uit boven f 10.250 per

jaar. In deze gevallen is voor het eerste kind door het buiten beschouwing laten van

uitga-ven boven f 10.250 per jaar dus geen aftrek mo-ge-lijk. Bij opvang van meer dan

een kind zijn deze drem-pel-bedragen wel relevant omdat de drempelbedragen voor

tweede en vol-gende kinderen lager zijn. Bij volledi-ge opvang voor twee kinderen

wordt maximaal f 20.500 aan uitgaven in aanmer-king genomen terwijl de drempel

voor de hoogste onzuivere inkomens bij twee kinderen f 15.996 beloopt."

6.5. Naar het oordeel van het Hof kan aan vorenstaande passage niet worden ontleend dat de besluitgever beoogd heeft dat de drempelbedragen dienen te worden samengeteld in een geval als het onderhavige, waarin voor het ene kind niet en voor het andere kind wel de drempel wordt overschreden. Het plafond-be-drag dient per kind in aanmerking te worden genomen en het ligt in de rede dat zulks ook het geval is ten aanzien van het drem-pelbe-drag. Uit de wetsgeschiedenis is een anderslui-dende bedoeling van de wetgever niet af te leiden. De tekst van de Uitvoeringsre-geling leidt evenmin tot een andere con-clu-sie.

6.6. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende enige invloed heeft gehad op de wijze van berekening van de ouderbijdragen en de toerekening daarvan aan de beide kinderen. Dit lijkt ook niet aannemelijk, mede omdat belanghebbende ook in de vooraf-gaande jaren voor het tweede kind een hoger bedrag aan ouder-bijdrage heeft betaald dan voor het eerste kind.

6.7. Op grond van het vorenstaande komt het Hof tot het oor-deel dat het gelijk aan belanghebbende is en dat als buitenge-wone last in aftrek komt wegens uitgaven ter zake van kinder-opvang van het tweede kind een bedrag van f 5.660 (f 8.124 minus f 2.464).

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. In de omstandigheid dat belanghebbende in het gelijk wordt gesteld, vindt het Hof aanleiding de Inspecteur te ver-oordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet admi-nistratieve rechtspraak belastingzaken. Deze kosten stelt het Hof op de voet van het Besluit proces-kosten fiscale proce-dures vast op f 41,50 aan reiskosten van de gemachtigde van belanghebbende. Andere of meerdere kosten zijn niet geble-ken.

7.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 5, lid 7, van de Wet admini-stratieve rechtspraak belastingzaken dient het door be-langheb-bende gestorte griffierecht ad f 75 te worden vergoed door de Inspecteur.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belast-baar inkomen van f 118.259;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het voor deze zaak gestorte griffierecht ad f 75;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 41,50 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtsper-soon die deze kosten moet vergoeden.

Al-dus vastgesteld op 4 augustus 1998 door mr. J.W. Savel-bergh, raadsheer, in tegen-woor-dig-heid van de waar-nemend grif-fier mevrouw mr. M.J.M-.S. van Balkom ter vervanging van de mondelinge uit-spraak van 14 april 1998.

___________

(van Balkom) (Savelbergh)

Aangetekend aan

partijen verzonden:

[Zie ook het arrest HR 34672 (red.)]