Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1997:AA4424

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-10-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/1218
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1998/5.15 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste enkelvoudige belastingkamer

28 oktober 1997

nummer 95/1218

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar.

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 108.192.

1.2. De Inspecteur heeft bij de uitspraak op het door belanghebbende gemaakte bezwaar de aanslag gehandhaafd.

2. Loop van het geding.

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

2.2. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting te 's-Gravenhage van 11 november 1996, alwaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur.

2.3. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

Naar aanleiding van het ter zitting door het Hof tot belanghebbendes gemachtigde gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken heeft tussen het Hof en partijen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: de Wet ARB), een briefwisseling plaatsgevonden.

2.4. Vervolgens heeft op 4 februari 1997 een schouw en een tweede mondelinge behandeling plaatsgehad ten huize van belanghebbende, a-straat 1 te Z, alwaar aanwezig waren belanghebbende, N en de gemachtigde van belanghebbende voornoemd alsmede B, architect. Van de zijde van de Belastingdienst waren aanwezig de Inspecteur alsmede de taxateur.

2.5. Naar aanleiding van het door belanghebbende tot het Hof gerichte verzoek om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten heeft tussen het Hof en partijen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 14 en 16 van de Wet ARB, een nadere briefwisseling plaatsgevonden.

3. Vaststaande feiten.

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar in eigendom het appartementsrecht nummer 1 (hierna: flat 1) gelegen op de eerste verdieping van het A-flatgebouw aan de a-straat 1 te Z (hierna: A-flat).

3.2. De A-flat is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988, Stb. 638. De verschillende flats in de A-flat staan de bewoners ter beschikking zowel in huur als eigendom.

Belanghebbende is lid van de vereniging van eigenaren van de A-flat (hierna: de vereniging van eigenaren).

3.3. Op 14 augustus 1989 heeft de vereniging van eigenaren haar leden bericht dat er voor is gekozen de blokverwarming te vervangen door individuele verwarmingsystemen met eigen c.v.-ketels en luchtaan- en afvoerkanalen. Tevens werd voorgesteld:

"Nu de restauratie in het zicht komt, lijkt het zinvol om in elk geval de luchtaanvoeren en rookgasafvoeren reeds aan te brengen. Het nieuw te leggen dak behoeft dan namelijk niet meer bij de aanleg van deze kanalen te worden belopen/beschadigd. Het aansluiten van de individuele installaties zal dan in de zomer van 1990 plaatsvinden."

3.4. In 1989 heeft N, de partner van belanghebbende, het appartementsrecht van de naastgelegen flat nummer 2 (hierna: flat 2) gekocht van C. De juridische levering vond plaats op 3 januari 1990. Voor de indeling van flat 2 op het moment van de levering wordt - overeenkomstig het door beide partijen tijdens de schouw ingenomen standpunt - verwezen naar situatietekening 16 van het door belanghebbende overgelegde fotoboek. Het fotoboek behoort tot de stukken van het geding. De met rode pen aangebrachte lijn geeft de scheidingswanden aan tussen de beide flats.

Flat 2, die in oppervlakte veel kleiner was dan de flat van belanghebbende, had een afzonderlijke ingang, met hal, kast, toilet-, doucheruimte, keuken, woonkamer, slaapkamer en balkon. De flat was geschikt om als afzonderlijke woonruimte te worden gebruikt.

Voor de indeling van flat 1 ten tijde van de levering van flat 2 wordt eveneens verwezen naar genoemde situatietekening 16 (wederom overeenkomstig het tijdens de schouw eensluidend ingenomen standpunt van partijen).

3.5. Kort na de verwerving van flat 2 is tussen de beide flats een verbinding "binnendoor" gemaakt ter hoogte van de als logeerkamer aangeduide ruimte van flat 1 (situatietekening 17 overeenkomstig het tijdens de schouw eensluidend ingenomen standpunt van partijen). De woonkamer van flat 2 werd als werkkamer gebruikt. Voorts werd de keuken van flat 2 weggebroken en als bibliotheek in gebruik genomen.

3.6. In april van het jaar 1990 is een aanvang gemaakt met de werkzaamheden inzake de vervanging van de blokverwarming en de gezamenlijke boilers door een individuele verwarmingsketelinstallatie met bijbehorende luchtaan- en afvoerkanalen. In dezelfde maand heeft belanghebbende zijn intrek genomen in een woning aan het Noordeinde. Vanaf de maand juli werden belanghebbendes meubels opgeslagen.

3.7. Belanghebbende heeft op 8 oktober 1990 bij D te R (Duitsland) een nieuwe moderne keuken besteld van het merk Bulthaup voorzien van diverse inbouwapparatuur. De keuken is in augustus 1991 geplaatst.

3.8. In januari 1991 zijn de restauratiewerkzaamheden aan de gevel en het dak van de A-flat gestart. Hierbij werden onder meer de kozijnen en deuren van de flats vervangen, waarbij tevens geluidswerende dubbele beglazing werd aangebracht. Voorts is toen een aanvang gemaakt met het vervangen van de waterleidingen. In dezelfde maand heeft de vereniging van eigenaren besloten om alle rioleringen en waterleidingen te laten vervangen tijdens de individuele verbouwingen. De kosten zouden worden verhaald via de vereniging van eigenaren.

3.9. In de maand juni van het jaar 1991 is door aannemer E gestart met de verbouwingswerkzaamheden in de flats 2 en 1 conform de in april 1991 ten behoeve van belanghebbende gemaakte tekeningen. Hierbij is het grootste gedeelte van de scheidingsmuur tussen flat 2 en 1 gesloopt. Voorts zijn een aantal binnenmuren, waaronder die van de keuken in flat 1 gesloopt. De daarmee beschikbaar gekomen ruimte is tot de woonkamer gaan behoren. De nieuwe keukenruimte is gecreëerd ter hoogte van de voormalige slaapkamer van flat 1. Tevens is er een andere ingang gemaakt en een verlaagd plafond aangebracht. De ingang met hal, toiletruimte, doucheruimte en kast in flat 2 zijn geheel komen te vervallen. Op deze plaats is een nieuwe badruimte met jacouzi en douche gecreëerd. Ter hoogte van de voormalige ingang van flat 2 is de douche geplaatst. De badkamer en toiletruimten van flat 1 zijn eveneens verplaatst, opnieuw ingedeeld, een aantal binnenmuren is gesloopt, de badkamer is doucheruimte geworden en een gedeelte van de ruimte ter hoogte waar zich het bad van flat 1 bevond, is tot de badkamer van flat 2 gaan behoren. Er is nieuw sanitair geplaatst. Tevens is een nieuwe kastruimte gemaakt. In flat 2 is een aantal binnenmuren, waaronder die van de slaapkamer, gesloopt. Voorts zijn rondingen aangebracht, zodat een doorloop kon worden gemaakt naar de kleedruimte en werkkamer. In flat 1 zijn de rondingen, die reeds aanwezig waren, verder uitgebreid en doorgezet naar flat 2, zodat een en ander goed op elkaar aansloot.

Verwezen wordt naar situatietekening 18 van het fotoboek. Deze tekening geeft, naar partijen hebben verklaard, de situatie weer aan het eind van de verbouwing.

3.10. Belanghebbende en N hebben, nadat tot en met september 1991 werkzaamheden waren verricht en in oktober 1991 was schoongemaakt, de woonruimte in november 1991 betrokken.

3.11. Belanghebbendes voormalige belastingconsulent heeft in de op 30 augustus 1992 ingediende aangifte voor de inkomstenbelasting voor het jaar 1991 geen onderhoudskosten voor een monumentenwoning in aftrek gebracht. Op 28 juli 1993 is namens belanghebbende een verbeterde aangifte inkomstenbelasting 1991 ingediend, waarbij een bedrag van ƒ 31.508 verminderd met

ƒ 3.600 (drempel), per saldo ƒ 27.908 in aftrek bracht als onderhoudskosten van een monumentenwoning. Tevens is een bedrag van ƒ 278 in aftrek gebracht als periodieke betalingen voor het recht van erfpacht of opstal.

De aanslag inkomstenbelasting 1991, gedagtekend 30 oktober 1993, is conform de aangifte van belanghebbendes voormalige belastingconsulent vastgesteld. Tegen deze aanslag is op 29 juli 1993 pro forma bezwaar aangetekend.

Bij schrijven van 5 september 1994 heeft de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur verzocht een bedrag van ƒ 153.910 (vóór toepassing drempel) als kosten, lasten en afschrijvingen in de zin van artikel 42, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) in aftrek toe te laten.

Volgens bijlage 2 van deze brief is dit bedrag als volgt opgebouwd:

Door belanghebbende betaalde verbouwingskosten:

Aannemer E ƒ 93.000

schilder F ƒ 8.888

installateur G ƒ 6.445

elektricien ƒ 15.385

keuken D ƒ 13.125

lichtstudio H ƒ 1.000

natuursteen I ƒ 1.137

stoffeerder J ƒ 3.546

verhuizing/opslag ƒ 1.387

-------------

ƒ 143.913

Aandeel kosten

vereniging van eigenaren (exclusief stookkosten):

Flat 1 ƒ 6.720

flat 2 ƒ 2.424

------------

ƒ 9.144

Kleine kosten ƒ 853

Totaal generaal ƒ 153.910.

Voorts is in deze bijlage vermeld dat in 1994 een bedrag van

ƒ 8.000 is terugontvangen van de vereniging van eigenaren.

3.12. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur voormeld bedrag van ƒ 153.910 niet in aftrek aanvaard en heeft hij de aanslag gehandhaafd.

3.13. In bijlage 2 bij het beroepschrift heeft belanghebbendes gemachtigde de volgende berekening gemaakt:

Door belanghebbende in 1991 betaalde verbouwingskosten:

Aannemer E ƒ 93.000

schilder F ƒ 8.888

installateur G ƒ 6.445

elektricien ƒ 15.385

keuken D ƒ 13.125

lichtstudio H ƒ 1.000

natuursteen I ƒ 1.137

stoffeerder J ƒ 3.546

verhuizing/opslag ƒ 1.387

------------- ƒ143.913

Aandeel kosten VVE:

schoonmaakkosten ƒ 19.037

administratiekosten ƒ 6.738

GEB ƒ 3.792

onderhoudskosten:

lift ƒ11.238

loodgieter ƒ 423

elektricien ƒ 4.618

tuin ƒ 1.860

diversen onderhoud ƒ 70

onderhoud hydrofoor ƒ 582

waterleiding ƒ 5.261

G; CV ƒ 35.883

J, aannemer ƒ130.405

K ƒ 14.699

L ƒ 10.000

verrekening eigen beheer ƒ 9.504

diversen groot onderhoud ƒ 1.843

restauratie ƒ 28.757

advies restauratie ƒ 22.394

aanleg CV/water/gasnet ƒ 17.975

opstalverzekering ƒ 12.281

af: subsidie ƒ 200-

------------

totaal Vereniging van eigenaren ƒ337.160

Aandeel belanghebbende

61/1250 x ƒ 337.160 ƒ 16.453

Kleine kosten:

OGB eigenaar ƒ 505

rioolrecht ƒ 94

waterschapsrechten ƒ 115

erfpacht ƒ 139

------------

ƒ 853

============

Totaal ƒ 161.219

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen.

4.1. In geschil is thans uitsluitend nog het antwoord op de vraag of de hiervoor onder 3.13 vermelde uitgaven ten bedrage van ƒ 161.219 (vóór toepassing drempel) kunnen worden aangemerkt als kosten, lasten en afschrijvingen in de zin van artikel 42, zevende lid, van de Wet. Deze vraag beantwoordt belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4.2. Belanghebbende stelt zich - kort weergegeven - op het volgende standpunt.

De verrichte werkzaamheden zijn het directe gevolg van de door de vereniging van eigenaren in gang gezette verbouwing: de vervanging van het systeem van blokverwarming door centrale verwarming met individuele ketels en luchtaan- en afvoerkanalen, de aanbevolen vervanging van riolering en waterleiding alsmede de restauratie van gevel en dak van de A-flat. De door belanghebbende gemaakte kosten strekten er uitsluitend toe om de woning(en) in bruikbare staat te herstellen dan wel de ingetreden achteruitgang op te heffen. Er is geen sprake van kosten gemaakt ter verbetering van de woning(en).

4.3. De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat de door de verbouwingswerkzaamheden aangebrachte wijzigingen naar aard, omvang en inrichting zo ingrijpend zijn geweest dat moet worden gesproken van radicale vernieuwing. Dit heeft tot gevolg dat één nieuwe bron van inkomen is ontstaan. De door belanghebbende gemaakte kosten zijn bronkosten waarvoor geen aftrek mogelijk is.

Voor het geval geen sprake is van een nieuwe bron, houdt de Inspecteur subsidiair staande dat tot een bedrag van ƒ 31.394 sprake is van onderhoudskosten en voor het meerdere van kosten die zijn gemaakt voor verbetering van de woning(en).

4.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerder vermelde pleitnota's.

4.5. Zij hebben hun standpunten op de zittingen toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

Tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat het standpunt van belanghebbende ten aanzien van de in aftrek gebrachte rente ad ƒ 10.914 kan worden gevolgd. De gemachtigde heeft te kennen gegeven dat belanghebbende het standpunt met betrekking tot de uitgaven voor het levensonderhoud van zijn moeder niet langer handhaaft.

5. Conclusies van partijen.

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt, na wijziging van zijn standpunt in de loop van het geding, tot vernietiging van de uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.709 negatief.

5.2. De Inspecteur concludeert, na wijziging van zijn standpunt in de loop van het geding, tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van primair ƒ 106.891 en subsidiair ƒ 75.497.

6. Overwegingen omtrent het geschil.

6.1. Het Hof stelt voorop dat uitgaven voor werkzaamheden aan een monument in de zin van artikel 6 van de Monumentenwet 1988 als onderhoudskosten kunnen worden aangemerkt, indien die werkzaamheden dienden om het monument, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te houden en aldus achteruitgang en verval te voorkomen. Van onderhoudskosten is echter geen sprake indien de werkzaamheden dienden om aan het monument, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, een wezenlijke verandering aan te brengen, waardoor dat monument naar inrichting, aard of omvang een wijziging ondergaat. Indien de werkzaamheden ertoe hebben geleid dat in een monument een afzonderlijke en duurzaam bruikbare gebruikseenheid is ontstaan, welke er voor die tijd niet was, of aan een reeds aanwezige gebruikseenheid zo ingrijpende werkzaamheden zijn verricht dat sprake is van een radicale vernieuwing van die gebruikseenheid, is evenmin sprake van onderhoudskosten, maar van niet-aftrekbare uitgaven voor het tot stand brengen van een nieuwe bron van inkomen. In dit geval is het laatste in het geding.

6.2. Naar het oordeel van het Hof moet bij deze beoordeling als aanvangstijdstip van de werkzaamheden worden beschouwd het begin van het jaar 1990 toen het appartementsrecht van flat 2 door de partner van belanghebbende in eigendom werd verkregen. Reeds in augustus 1989 was bekend dat de A-flat aan de buitenzijde zou worden gerenoveerd. Voorts bestond toen een concreet plan de blokverwarming te gaan vervangen door individuele verwarmingsinstallaties. De koopovereenkomst inzake het appartementsrecht van flat 2 is in het jaar 1989 gesloten. Kort na de verwerving in eigendom is een doorgang tussen flat 2 en flat 1 gemaakt als hiervoor onder 3.4 beschreven en is de keuken van flat 2 verwijderd.

Het Hof acht op grond van het vorenoverwogene het vermoeden gerechtvaardigd dat de verrichte werkzaamheden het directe gevolg zijn van een door belanghebbende en zijn partner gemaakt concreet plan de twee flats duurzaam samen te voegen tot één complete woonheid met één ingang, ruime hal, grote woonkamer, keuken, badkamer, doucheruimten, twee slaapkamers, een werkkamer en berging. Het is aan belanghebbende om tegenover dit vermoeden feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Hierin is belanghebbende niet geslaagd. Het Hof acht met de Inspecteur aannemelijk dat er zo'n nauwe samenhang bestaat tussen de in 1990 en de in 1991 verrichte werkzaamheden dat deze als één geheel moeten worden beschouwd. Daarvoor spreekt onder meer dat de werkzaamheden verricht in het jaar 1991 in het verlengde liggen van die in 1990. Voorts is in 1991 een keuken geplaatst die reeds in 1990 is besteld. Belanghebbende heeft bovendien reeds in april 1990 tijdelijk zijn intrek elders genomen.

6.3. Op grond van de vaststaande feiten, in onderling verband en samenhang bezien, mede gelet op de hiervoor vermelde door partijen overgelegde situatietekeningen (16, 17 en 18) en hetgeen het Hof ter plaatse heeft waargenomen, is het Hof van oordeel dat de door de verbouwingswerkzaamheden aangebrachte wijzigingen naar hun aard zo ingrijpend zijn geweest dat moet worden gesproken van een radicale vernieuwing van de flats 1 en 2, beoordeeld naar de toestand zoals die flats op het tijdstip van de aankoop van flat 2 bestonden. De verbouwingswerkzaamheden hebben niet gestrekt om de flats, zoals deze bij de aanvang van de werkzaamheden bestonden, in bruikbare staat te herstellen en aldus de ingetreden achteruitgang op te heffen.

Anders dan belanghebbende meent, komt het hier aan op de aard van de verrichte werkzaamheden, waarbij niet van belang is om welke reden daartoe wordt overgegaan (Hoge Raad 23 maart 1994, nr. 29.634, BNB 1994/156).

Een herstel in de toestand, zoals die bestond bij de aanvang van de werkzaamheden, acht het Hof mogelijk, maar niet dan na omvangrijke werkzaamheden, hetgeen naar zijn oordeel opnieuw een radicale vernieuwing zou betekenen. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat er twee centrale verwarmingsketels in de flat zijn aangebracht.

6.4. Er is in dat geval één nieuwe bron van inkomen - een voordien niet aanwezige wooneenheid met één ingang, ruime hal, grote woonkamer, keuken, badkamer, doucheruimten, twee slaapkamers, een werkkamer en berging - ontstaan, die zowel belanghebbende als zijn partner toebehoort. De feitelijke situatie is te dezen doorslaggevend. Hieraan doet niet af dat civielrechtelijk elk van de partners een appartementsrecht bezit, naar welk recht het kadaster en de onroerende-zaakbelastingen zich richten.

6.5. Nu moet worden aangenomen dat in deze sprake is van "radicale vernieuwing", waardoor een nieuwe bron is ontstaan, komen de kosten van de verbouwing niet in aftrek. Het is in deze constellatie echter niet juist belanghebbende over het gehele jaar 1991 te belasten met het huurwaardeforfait. Vaststaat dat belanghebbende in april 1990 de flat heeft verlaten, zijn intrek elders heeft genomen, waarna tot en met september 1991 werkzaamheden zijn verricht, in oktober 1991 is schoongemaakt en hij in november 1991 is teruggekeerd. Het Hof zal daarom in goede justitie het huurwaardeforfait vaststellen op 3/12 x ƒ 1.755, is ƒ 438.

6.6. Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel overweegt het Hof het volgende.

Niet valt in te zien dat de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag het in rechte te beschermen vertrouwen zou hebben gewekt dat sprake is van meerdere bronnen van inkomen en/of van aftrekbare verbouwingskosten. Uit de aangifte bleek immers in het geheel niet van enige verbouwing, laat staan van één in die vorm en die mate zoals hiervoor onder de vaststaande feiten is weergegeven.

6.7. Op grond van het vorenoverwogene komen de door belanghebbende gemaakte kosten van de verbouwing ad ƒ 143.913 niet voor aftrek in aanmerking. Hiertoe rekent het Hof tevens de bijdrage aan de vereniging van eigenaren voor zover deze betrekking heeft op het groot onderhoud. Het Hof beschouwt als zodanig - overeenkomstig de stelling van de Inspecteur - (zie 3.13. de opstelling van belanghebbende) de posten waterleiding tot en met aanleg CV/water/gasnet.

6.8. Met betrekking tot het laatste kwartaal van het jaar 1991, waarin aan belanghebbende de nieuwe bron ter beschikking staat, overweegt het Hof het volgende.

Voor zover de bijdrage aan de vereniging van eigenaren op deze periode betrekking heeft, acht het Hof met de Inspecteur aannemelijk - deze stelling is door belanghebbende ook niet weersproken - dat sprake is van huurderslasten (Hoge Raad 5 oktober 1988, nr. 25.613, BNB 1988/321). Het betreft de posten schoonmaakkosten, GEB, lift, loodgieter, elektricien, diversen onderhoud, onderhoud hydrofoor. Wat betreft de opstalverzekering en de post kleine kosten is dat rechtens niet juist. In de post kleine kosten zijn opgenomen de onroerende zaakbelastingen van de eigenaar, het rioolrecht en de waterschapslasten, waarbij het Hof ervan uitgaat dat het gaat om het recht en de lasten van de eigenaar alsmede de erfpacht. Voorts dient de post administratiekosten te worden gesplitst in een gedeelte dat betrekking heeft op aftrekbare en niet-aftrekbare kosten. Nu echter slechts voor het laatste kwartaal van het jaar 1991 sprake is van een bron van inkomen, komt het gedeelte van de bijdrage in de administratiekosten en de opstalverzekering alsmede de post kleine kosten, die aan dat gedeelte van het jaar moeten worden toegerekend, niet uit boven de in artikel 42a, zevende lid, van de Wet opgenomen drempel van 2 2/9 gedeelte maal het forfait van ƒ 438.

6.9. Tussen partijen is niet meer in geschil dat belanghebbendes standpunt voor wat betreft de in aftrek te brengen rente thans kan worden gevolgd. In de bij uitspraak op bezwaar gehandhaafde aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 108.192 is reeds een bedrag van ƒ 9.613 aan betaalde rente in aanmerking genomen. Derhalve komt thans nog een bedrag van ƒ 10.914 minus ƒ 9.613, is ƒ 1.301 voor aftrek in aanmerking.

6.10. Het belastbaar inkomen stelt het Hof met inachtneming van het hiervoor onder 6.5 en 6.9 overwogene, vast op

ƒ 108.192 minus de volgende bedragen: ƒ 1.301 en (ƒ 1.755 minus ƒ 438 =) ƒ 1.317, is ƒ 105.574.

7. Proceskosten en griffierecht.

7.1 In de omstandigheid dat het beroep ten dele gegrond is, vindt het Hof aanleiding de Inspecteur op de voet van het bepaalde in artikel 5a van de Wet ARB juncto het Besluit proceskosten fiscale procedures te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs in verband met het beroep heeft moeten maken. Deze kosten stelt het Hof op (punten: 2,5; waarde per punt: ƒ 710; factor belang: 2) ƒ 3.550 ter zake van rechtsbijstand en ƒ 2.651 aan deskundigekosten, in totaal ƒ 6.201.

7.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 5, lid 7, van de Wet ARB dient het door belanghebbende gestorte griffierecht ad ƒ 75 te worden vergoed door de Inspecteur.

8. Beslissing.

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 105.574;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten ad ƒ 6.201 aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep gestorte griffierecht van ƒ 75.

Aldus vastgesteld op 28 oktober 1997 door mr. A.C. de Groot, vice-president, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 1997.

(Postema) (De Groot)

Aangetekend aan

partijen verzonden op:

[Zie ook arrest HR nummer 33851 (red.)]