Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1997:AA4388

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-08-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/2153
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde enkelvoudige belastingkamer

27 augustus 1997

nummer 96/2153

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z betreffende na te noemen door de In-specteur, het hoofd van de eenheid Ondernemingen van de Belas-tingdienst P, aan belanghebbende opgelegde aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van / 20.695.

1.2 Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in be-roep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belang-hebbende door de griffier een griffierecht geheven van / 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevon-den te 's-Gravenhage ter zitting van 17 april 1997, alwaar zijn verschenen belanghebbende en namens de Inspecteur, A.

2.3 Het Hof heeft bij mondelinge uitspraak van 1 mei 1997 de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. Belanghebbende heeft verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schrif-telijke. In verband met dat verzoek is op 9 juli 1997 een griffierecht betaald van /150.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 Belanghebbende exploiteert een onderhoudsbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. In de jaren 1988 tot en met 1991 bedroeg belanghebbendes omzet exclusief omzetbelasting:

- 1988 / 14.697

- 1989 / 24.156

- 1990 / 14.034

- 1991 / 12.350.

De omzet in het onderhavige jaar bedroeg / 14.027, exclusief omzetbelasting. In 1993 bedroeg deze / 12.365. Over het jaar 1994 heeft belanghebbende geen winst uit onderneming meer aangegeven.

3.2 Op 9 juli 1993 is een boekenonderzoek ingesteld bij be-langhebbende. In het verslag van dit boekenonderzoek van 17 september 1993 wordt geconstateerd dat belanghebbende over de jaren 1988 tot en met 1992 niet in aanmerking komt voor toe-passing van een zelfstandigenaftrek omdat hij niet voldoet aan het daarvoor geldende urencriterium.

3.3 Over de jaren 1988 tot en met 1990 zijn navorderingsaan-slagen opgelegd en over het jaar 1991 is een primitieve aan-slag opgelegd waarbij de zelfstandigenaftrek is gecorrigeerd. In het kader van een compromis zijn de navorderingsaanslagen over 1988 en 1989 vernietigd en bleef de navorderingsaanslag over 1990 gehandhaafd. De Inspecteur heeft aan belanghebbende tevens toegezegd dat voor de vaststelling van de aanslag elk jaar op zichzelf zal worden beschouwd en dat hierbij met name de toepassing van de zelfstandigenaftrek op een serieuze wijze zou worden beoordeeld.

3.4 Bij zijn aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1992 heeft belanghebbende verzocht om toepassing van de zelfstandigenaftrek. De Inspec-teur heeft deze aftrek geweigerd.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 In geschil is of de Inspecteur met recht de toepassing van de zelfstandigenaftrek heeft geweigerd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4.2 Naar het Hof begrijpt stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de zelfstandigenaftrek moet worden toegepast omdat hij in 1992 ten minste 1225 uren in zijn onderneming feitelijk werkzaam is geweest. Daarnaast stelt hij dat de In-specteur diens toezegging om de toepassing van de aftrek per jaar serieus te beoordelen niet is nagekomen, daar hij ter motivering van de bestreden uitspraak enkel naar het controle-rapport verwijst.

4.3 De Inspecteur heeft hiertegenover gesteld dat belangheb-bende een zogenaamde marginale onderneming drijft. De omzet van / 14.027 leidt bij een aantal gewerkte uren van 1225 tot een uurloon van slechts / 11,45, terwijl een declarabel uur-loon van / 35 tot / 40 gebruikelijk is in belanghebbendes

branche.

4.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken.

4.5 Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

5. Conclusies van partijen

5.1 Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ14.045.

5.2 De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1 Op grond van artikel 44m van de Wet op de inkomstenbelas-ting 1964 wordt een zelfstandigenaftrek toegepast indien gedu-rende het kalenderjaar de voor de werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 1225 uren in beslag wordt genomen door het voor eigen rekening feitelijk drijven van een onderneming. Op belanghebbende rust in dezen de bewijslast.

6.2 Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde stelling van de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat door hem ten minste 1225 uren zijn besteed aan het feitelijk drijven van een onderneming. Het "omzet-urencriterium", zoals dit door de Inspecteur wordt gehanteerd, leidt tot een goede maatstaf om het aantal aan het drijven van de onderneming bestede uren te bepalen. Nu het controlerapport mede betrekking heeft op het jaar 1992, heeft het Hof geen reden tot twijfel dat de Inspecteur de toepassing van de zelf-standigenaftrek voor dat jaar niet serieus zou hebben beoor-deeld. Ook al zou zulks anders zijn, dan is dat overigens niet van invloed op voormeld oordeel inzake het van belanghebbende te verlangen bewijs.

6.3 Op grond van het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet admi-nistratieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus vastgesteld op 27 augustus 1997 door mr. J.W.M. Tijna-gel, vice-president, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. M.J.M.S. van Balkom.

(van Balkom) (Tijnagel)

De beslissing is op de voet van artikel 17a, lid 1, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken op donderdag 1 mei 1997 in het openbaar uitgesproken.

Coll.:

Aangetekend aan

partijen verzonden:

[Zie ook arrest HR nummer 33666 (red.)]