Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1997:AA4180

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-11-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/3935
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1998/16.3.1

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

vierde meervoudige belastingkamer

14 november 1997

nummer 95/3935

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid P van de Belastingdienst betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van / 94.593,-- en een belasting-vrije som van / 5.769,--.

Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt be-zwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak vermin-derd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van / 94.379,-- met handhaving van de overige elementen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in be-roep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belang-hebbende door de griffier een griffierecht geheven van / 75,--. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

2.2. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingezonden, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een con-clusie van dupliek.

2.3. In de loop van de procedure is belanghebbende overleden. Haar erfgenamen hebben het geding voortgezet.

2.4. Een eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de elfde enkelvoudige belasting-kamer van het Gerechtshof van 11 juni 1997, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van be-langhebbende, alsmede de Inspecteur. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt. Ter zitting is voorts door belanghebbendes gemach-tigde een stuk overgelegd, zulks zonder bezwaar van de kant van de wederpartij, aan wie ter zitting de gelegenheid is ge-geven van de inhoud daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Voornoemd stuk, waarvan de inhoud eveneens als hier ingelast moet worden aangemerkt, is door de griffier ge-kenmerkt prod. bh. nr. I.

2.5. Vorengenoemde enkelvoudige kamer heeft vervolgens de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de vierde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof.

2.6. Een tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 3 oktober 1997, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2.7. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorge-dragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting ver-handelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet vol-doende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende was in 1993 als directeur in dienstbetrek-king bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijk-heid E, van welke vennootschap haar echtgenoot directeur en enig aandeelhouder was. Belanghebbende genoot uit die dienst-betrekking een loon van / 62.758,--. Zij genoot het hoogste persoonlijke inkomen.

3.2. Belanghebbende en haar echtgenoot behoren tot de surinaams-hindoestaanse gemeenschap in Nederland. Voor het beleven van hun religie worden regelmatig ceremonieën of dien-sten georganiseerd ter herdenking van overledenen, voor zie-ken, of ter gelegenheid van feestdagen zoals het lichtfeest, de geboortedag van Krishna en het oogstfeest. Dergelijke dien-sten worden, anders dan de minder frequent voorkomende dien-sten in tempels of daarmee vergelijkbare ruimten - welke laatstbedoelde diensten plegen te worden georganiseerd als een gelovige een belofte aan de goden heeft gedaan, of voor speci-ale gelegenheden, zoals in verband met het in vervulling gaan van een wens - bij gelovigen thuis gehouden. Voor dergelijke diensten worden gasten, in het bijzonder familieleden uitgeno-digd, alsmede een schriftgeleerde, de Pandit. De organisator van een dienst moet religieuze maaltijden bereiden ten behoeve van offers en voor de gasten, en bloemen, kleding en geldbe-dragen offeren. Voorts wordt een bedrag geofferd aan de Pandit voor het voordragen uit het heilige geschrift. De Pandit dient de door hem ontvangen offers te verdelen onder de armen, van welke taak hij zich in het algemeen kwijt door aanbieding van het bedrag aan zijn leermeester in India, die zorgt voor verd-eling onder de armen aldaar. Voor de thuis georganiseerde diensten is ten minste benodigd: een aantal meters rood en wit katoen, aanzienlijke hoeveelheden meel, suiker, melk en room-boter, een aantal bossen bloemen, kokosnoten, diverse soorten vruchten, bamboestokken, tropische groenten, kleingeld voor offers, tropisch hout voor verbranding, een vuurbestendige bak, koperen schalen en kannen, glazen en borden.

3.3. In 1993 heeft belanghebbende vier maal een dienst als hiervoor omschreven bij zich thuis georganiseerd. Zij heeft daarvoor de volgende uitgaven gedaan:

- religieuze maaltijden / 3.110,--

- offerandes - 1.840,--

- voorganger - 1.160,--

- bloemen, etc. - 640,--

totaal / 6.750,--

==========

3.4. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift tegen de on-derhavige aanslag laatstvermeld bedrag als gift opgevoerd. De Inspecteur heeft hiervan / 1.160,-- als zodanig in aftrek toe-gelaten.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Het geschil betreft de vraag of de door belanghebbende voor het houden van de vorenomschreven ceremonieën gedane uit-gaven op de voet van artikel 47 van de Wet op de inkomstenbel-asting 1964 (hierna: de Wet) als aftrekbare giften in minde-ring kunnen worden gebracht op het onzuivere inkomen, welke

vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, ofschoon het hindoeïsme geen kerkelijke instellingen kent, artikel 47 van de Wet zo dient te worden uitgelegd, dat de uitgaven voor door haar thuis georganiseerde diensten onder het bereik van dit artikel dienen te worden gebracht. Een andere uitleg leidt ertoe, aldus belanghebbende, dat de bepaling strijdig is met het verbod tot discriminatie op grond van godsdienst, vervat in de artikelen 9 en 14 van het Europees Verdrag tot bescher-ming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), en in artikel 26 van het Internationaal

verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Door de giftenaftrek niet toe te staan aan hindoe-staanse gelovigen, stelt de wetgever immers hun mogelijkheden tot geloofsbeleving financieel achter bij die van christelijke gelovigen.

4.3. De Inspecteur voert aan dat in het onderhavige geval noch van giften, noch van een kerkelijke instelling sprake is, zo-dat voor aftrek geen ruimte is. Zijns inziens doet zich de door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling niet voor.

4.4. Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stuk-ken, waaronder de eerder vermelde pleitnota's. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toege-voegd.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van

/ 88.789,--.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Als giften worden ingevolge artikel 47, vierde lid, van de Wet aangemerkt bevoordelingen uit vrijgevigheid, en al dan niet verplichte bijdragen, voor zover daardoor geen op geld waardeerbare aanspraken ontstaan. Behoudens wellicht ten aan-zien van de door de Pandit ontvangen bijdragen - die door de Inspecteur in aftrek zijn toegelaten - kan voor de uitgaven die door belanghebbende zijn gedaan in verband met de door haar bij zich thuis georganiseerde diensten niet een ontvanger worden aangewezen die daardoor uit vrijgevigheid is bevoord-eeld. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de door de gasten genoten maaltijden, aangezien niet kan worden gezegd dat belanghebbende heeft beoogd hen uit vrijgevigheid te bevoor-delen. Ook is geen sprake van een bijdrage als in evenvermelde bepaling bedoeld. De uitgaven zijn derhalve niet aan te merken als giften in de zin van artikel 47 van de Wet.

6.2. Artikel 47 van de Wet heeft uitsluitend betrekking op giftenaftrek. Geen van de in het EVRM vermelde rechten en vrijheden is derhalve in het onderhavige geval in het geding.

6.3. Artikel 47 van de Wet maakt voor de aftrekbaarheid van een gift geen uitdrukkelijk onderscheid tussen godsdiensten. Zoals hiervoor onder 6.1. is overwogen, is in het onderhavige geval van een gift geen sprake. De weigering van de aftrek op deze grond kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat arti-kel 47 van de Wet strijdig is met het in artikel 26 van het IVBPR geregelde verbod tot discriminatie. Het Hof komt mits-dien niet toe aan de beoordeling van de stelling dat een indi-recte discriminatie is gelegen in de beperking van de aftrek van giften tot die aan - onder meer - kerkelijke instellingen.

6.4. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administra-tieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus vastgesteld op 14 november 1997 door

mrs. J.W.M. Tijnagel, vice-president, J.T. Sanders en

J.W. baron van Knobelsdorff, raadsheren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mevrouw mr. W.A. Mak. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

Mak Tijnagel

aangetekend aan

partijen verzonden:

[Zie ook arrest HR nummer 33932 (red.)]