Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1997:AA4157

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-09-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/2220
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1998/31.1.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

zevende enkelvoudige belastingkamer

25 september 1997

nummer 95/2220

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, tegen na te noemen door de Inspec-teur, het hoofd van de eenheid Registratie en Successie P van de Belastingdienst, aan belanghebbende opgelegde navorderings-aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is ter zake van een verkrijging uit de nalatenschap van zijn op 17 juni 1993 overleden tante, mevrouw A, een aanslag in het recht van successie opgelegd ten bedrage van / 61.776.

1.2. Daarna heeft de Inspecteur belanghebbende ter zake van die verkrijging een navorderingsaanslag in het recht van suc-cessie opgelegd ten bedrage van / 166.707.

1.3. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde navorderingsaanslag in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van / 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 25 maart 1997, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en diens gemachtigde B, alsmede C namens de Inspecteur.

2.3. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedra-gen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

2.4. Het Hof heeft bij mondelinge uitspraak van 8 april 1997 de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De voor partijen bestemde afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 18 april 1997 ter post bezorgd. Op 21 mei 1997 is van belanghebbende een verzoek ter griffie ingekomen om de monde-linge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daar-voor verschuldigde griffierecht van / 150 is tijdig voldaan.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting ver-handelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet vol-doende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende deed op 21 januari 1994 als enige erfge-naam aangifte voor het recht van successie wegens de verkrij-ging van de nalatenschap van zijn op 17 juni 1993 overleden tante. De Inspecteur heeft de aangifte met de hierbij behoren-de toelichting en het overzicht "Tarieven en vrijstellingen 1993 successie" op 5 november 1993 aan belanghebbende uitge-reikt. Bij het niet ingevulde aangiftebiljet is een door belanghebbende zelf opgestelde aangifte gevoegd die onder meer de volgende passage bevat:

"Als enige erfgenaam bij versterf heeft de erflaatster nagela-ten aan ondergetekende X, zoon van haar vooroverleden zus-ter(...)".

3.2. Met dagtekening 11 februari 1994 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag in het recht van successie opgelegd ten bedrage van / 61.776 naar een - niet in geschil zijnde - verkrijging van / 430.402. Hij heeft daarbij tariefgroep I toegepast. De inrichting van het aanslagbiljet is zodanig dat dit geen informatie verschaft over de tariefgroeptoepassing. Het biljet bevat tevens een aanslag ten name van D, pleegkind van de erflaatster, vanwege een verkrijging uit haar nalaten-schap uit legaat van / 25.000. Nadien werd op de eenheid ont-dekt dat bij de administratieve verwerking van de aangifte tariefgroep I in plaats van tariefgroep III was toegepast. Bij brief van 12 juli 1994 stelde de Inspecteur belanghebbende hiervan op de hoogte en deelde hem tevens mee voornemens te zijn de fout door middel van een navorderingsaanslag te zullen herstellen. Met dagtekening 9 september 1994 heeft de Inspec-teur de navorderingsaanslag ten bedrage van / 166.707 opge-legd.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil de vraag of er te dezen sprake is van een de navordering rechtvaardigend nieuw feit. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend doch de Inspecteur bevestigend.

4.2. Belanghebbende stelt het volgende.

Primair

De Inspecteur heeft een de navordering verhinderend ambtelijk verzuim begaan als gevolg van een onjuist inzicht in de feiten van zijn kant. Er is geen sprake van een als een tik- of schrijffout aan te merken administratieve fout. In de aangifte was immers duidelijk aangegeven in welke relatie belanghebben-de tot de erflaatster stond. Voorts wist de Inspecteur uit de verklaring van erfrecht dat uit erflaatsters enige huwelijk geen kinderen waren geboren en dat zij ook overigens geen legitimarissen had.

Subsidiair

Indien al sprake zou zijn van een administratieve fout dan dient navordering achterwege te blijven omdat de fout voor belanghebbende niet kenbaar was en hij redelijkerwijs heeft kunnen menen dat de aanslag spoorde met de bedoeling van de Inspecteur. De gemaakte fout valt niet af te leiden uit het aanslagbiljet nu dit - anders dan een aanslagbiljet inkomsten-belasting - slechts het bedrag van de verkrijging en het bedrag van de aanslag vermeldt. Belanghebbende had geen reden om aan de juistheid van de aanslag te twijfelen nu het bedrag van de verkrijging overeenkwam met zijn aangifte. Dat de aan-slag onjuist was, zou alleen hebben kunnen blijken door raad-pleging van een deskundige of met behulp van de nodige tabel-len, overzichten en toelichting een en ander na te rekenen. Daartoe zag hij evenwel geen aanleiding, gelet op de hoogte van de aanslag en de verhouding hiervan tot de verkrijging.

4.3. De Inspecteur stelt daarentegen het volgende. Aangezien er over de positie van belanghebbende van het begin af aan geen enkele twijfel is geweest, is er geen sprake van een fout die berust op een onjuist inzicht in de feiten. Er is dan ook geen sprake geweest van een ambtelijk verzuim, maar van een administratieve vergissing die terecht heeft geresulteerd in het opleggen van een navorderingsaanslag. Dat belanghebbende aanvankelijk in een verkeerde tariefgroep is ingedeeld vindt zijn oorzaak in een schrijf- of typefout. In de bestreden uit-spraak is ook niet toegegeven dat er een ambtelijke fout was gemaakt. Dit staat weliswaar in de voorlaatste overweging van de uitspraak op het bezwaarschrift, maar bij het vervaardigen van de uitspraak is abusievelijk het woordje "niet" tussen "die" en "berustte" weggevallen. Het vermoeden bestaat - gelet op de wijze waarop belanghebbende de aangifte heeft gedaan - dat belanghebbende hierbij deskundige hulp heeft gehad. Voorts had belanghebbende van het begin af aan kunnen weten dat hem, als neef en enig erfgenaam van erflaatster, een hoge aanslag te wachten stond. Bij het aangiftebiljet werd immers een twee-tal bijlagen meegezonden, te weten een toelichting op het aangiftebiljet en een overzicht van de tarieven en vrijstellingen voor het successierecht voor het jaar 1993, waaruit belanghebbende eenvoudig de hoogte van de te verwach-ten aanslag had kunnen opmaken.

4.4. Ter zitting hebben partijen desgevraagd het volgende medegedeeld.

Belanghebbende

Ik heb de enveloppe met het aangiftebiljet en de toelichting ongeopend met de door mij opgestelde aangifte ingeleverd. Ik heb bij het opstellen van de aangifte geen hulp van een des-kundige gehad. Ik had geen idee omtrent de hoogte van de te verwachten aanslag.

De Inspecteur

Op de eenheid wordt geen gebruik gemaakt van een elementennota of een hiermee te vergelijken formulier. De behandelend ambte-naar geeft op het dossier aan welke tariefgroep van toepassing is; dit gegeven wordt vervolgens via een toetsenbord in het geautomatiseerde systeem ingevoerd door een met de desbetref-fende tariefgroep corresponderende code in te toetsen. Bij dit laatste is een lees- of tikfout gemaakt en de verkeerde code ingetoetst. Er valt niet meer na te gaan wat de behandelend ambtenaar op het dossier heeft aangegeven omtrent de tarief-groep.

4.5. Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stuk-ken, waaronder de eerder vermelde pleitnota.

4.6. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de navorderingsaanslag.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Met hetgeen de Inspecteur daaromtrent heeft aangevoerd heeft deze naar het oordeel van het Hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de oorzaak van de verkeerde tariefstoepassing niet moet worden gezocht bij degene die de (elementen van de) pri-mitieve aanslag heeft vastgesteld doch bij degene die de aan-slaggegevens administratief heeft verwerkt (de intoetser). Dit brengt tevens mee dat hier - anders dan belanghebbende stelt - mede gelet op de aard van de werkzaamheden van de intoetser, niet kan worden gesproken van een fout die voortvloeit uit het (onjuiste) inzicht van de Inspecteur in de feiten of in het recht. Belanghebbendes primaire stelling faalt derhalve.

6.2.1. Het onder 6.1 overwogene leidt ertoe dat thans nog uit-sluitend beantwoording behoeft de vraag of zulks aanstonds voor belanghebbende kenbaar moet zijn geweest, met andere woorden: is hier sprake van een voor belanghebbende kenbare fout? Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van de volgende overwegingen.

6.2.2. Belanghebbende had redelijkerwijs kunnen nagaan en be-grijpen dat er een fout was gemaakt bij de toepassing van de tariefgroep. Hij had immers de beschikking over de toelichting bij het aangiftebiljet en het daarbij gevoegde overzicht "Tarieven en vrijstellingen 1993 successie". Daaraan kan niet afdoen het feit dat hij deze zonder in te zien met het aangif-tebiljet in de nog ongeopende enveloppe aan de Inspecteur heeft teruggegeven. Nu de Inspecteur onweersproken heeft ge-steld dat de toelichting en het overzicht "Tarieven en vrij-stellingen 1993 successie" voldoende duidelijke informatie bevatte over de toepassing van de tariefgroep en de verschul-digde belasting, kan belanghebbende zich naar het oordeel van het Hof er niet op beroepen dat hij de kennis miste om te be-oordelen of de aanslag juist was. Naar het oordeel van het Hof mag van belanghebbende redelijkerwijs worden verwacht dat hij van de hem regarderende punten in de toelichting kennis neemt. Belanghebbende had derhalve redelijkerwijs kunnen weten dat te dezen een onjuiste tariefgroep was toegepast. Een anderslui-dend oordeel zou immers ten onrechte leiden tot bescherming van diegenen die stellen geen fiscale kennis te hebben terwijl zij die kennis binnen handbereik hebben in de vorm van een bij het aangiftebiljet gevoegde toelichting, doch daarvan om welke reden dan ook geen gebruik maken. Dat belanghebbende hiervoor heeft gekozen dient voor zijn rekening en risico te blijven. Ook belanghebbendes secundaire stelling faalt.

6.3. Op grond van het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

7. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administra-tieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus vastgesteld op 25 september 1997 door mr. J. Schuurman, raadsheer, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier me-vrouw mr. L.S. Lepelaar. De beslissing is op de voet van arti-kel 17a, lid 1, van de Wet administratieve rechtspraak belas-tingzaken op 8 april 1997 in het openbaar uitgesproken.

Lepelaar Schuurman

Coll.:

Aangetekend aan

partijen verzonden:

[Zie ook arrest HR nummer 33782 (red.)]