Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1997:AA4151

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/1280
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1997/697
V-N 1998/5.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

negende enkelvoudige belastingkamer

30 juni 1997

nummer 96/1280

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren van de Belastingdienst, betref-fende na te noemen aan belanghebbende opgelegde aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van / 61.031.

1.2. De aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt be-zwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep geko-men bij het Hof. In verband daarmee is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van / 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van bovenbedoelde zaak heeft plaatsgevonden te Q ter zitting van 20 juni 1997. Aldaar zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde, alsmede namens de Inspec-teur B.

2.3. Ter zitting is namens belanghebbende een pleitnota voorgedra-gen en overgelegd. De inhoud van de pleitnota moet als hier ing-elast worden aangemerkt. Van de zijde van belanghebbende is ter zitting voorts een stuk, bestaande uit een viertal pagina's met rechtspraak, overgelegd, zulks zonder bezwaar van de tegenpartij, aan wie ter zitting de gelegenheid is gegeven van de inhoud van dat stuk kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Het stuk, waarvan de inhoud ook als hier ingelast moet worden aangemerkt, is door de griffier als zodanig gekenmerkt.

2.4. Ter zitting is aangekondigd dat in deze zaak op maandag 30 juni 1997 mondeling uitspraak zou worden gedaan. Partijen hebben nadien telefonisch bericht dat zij zich erin kunnen vinden dat direct schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft in 1991 een koop-/aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot een woning en een daarbij behorende garage. Ter verkrijging van een zogenoemde Rijksbijdrage premie-A had de desbetreffende aannemer voor de woning op grond van de Be-schikking geldelijke steun eigen woningen 1984 een voorlopige toe-kenningsbeschikking, de beschikking van 21 augustus 1991, verkre-gen.

3.2. Bij een beschikking van 26 augustus 1992 heeft de Staatsse-cretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieube-heer besloten aan belanghebbende geen subsidie te verstrekken. Aan dit besluit ligt ten grondslag het feit dat de aannemer het aang-aan van de koop-/aannemingsovereenkomst afhankelijk heeft gesteld van het tegen een meerprijs afnemen van een garage. Een zodanige koppelverkoop staat rechtens aan de toekenning van de subsidie in de weg.

3.3. Daar de aannemer en de makelaar redelijkerwijs konden weten dat bij bedoelde koppelverkoop geen subsidie zou worden toegekend en bij het aangaan van de koop-/aannemingsovereenkomst niettemin bij belanghebbende de stellige verwachting hebben gewekt dat hij in aanmerking zou komen voor de subsidie, terwijl zij wisten dat belanghebbende zonder de subsidie de woning niet zou hebben ge-kocht, heeft belanghebbende hen aansprakelijk gesteld voor het mislopen van de subsidie.

3.4. Blijkens een onderhandse akte van september 1994 hebben de aannemer en de makelaar met belanghebbende ter zake van diens vor-dering uit wanprestatie een schikking getroffen, waardoor een ju-ridisch geschil betreffende de aangelegenheid kon worden vermeden. Op basis van die schikking is aan belanghebbende in het onderhavige jaar (1994) een bedrag aan schadevergoeding uitbetaald van / 16.883. Van die vergoeding is 40 percent voor rekening van de aannemer gekomen en 60 percent voor rekening van de makelaar.

3.5. Bij de onderwerpelijke aanslag is de Inspecteur van de aang-ifte voor het jaar 1994 afgeweken en hij heeft het belastbare ink-omen van belanghebbende vastgesteld op / 61.031. Bij de bestreden uitspraak heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Het tussen partijen bestaande geschil betreft de correctie inzake de in 3.4 vermelde vergoeding van / 16.883. Meer specifiek houdt partijen verdeeld het antwoord op de vraag of het bedrag van de vergoeding wordt genoten ter vervanging van gederfde of te der-ven inkomsten als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stuk-ken van het geding, waaronder de pleitnota van belanghebbendes gemachtigde.

4.3. Partijen hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

4.4. Partijen hebben ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat er tussen hen geen verschil van mening over de feiten bestaat.

4.5. Ter zitting is tussen partijen nog komen vast te staan dat, zo het gelijk aan belanghebbende is, het belastbare inkomen van belanghebbende moet worden vastgesteld op / 44.026 (/ 61.031 -/- / 16.883 -/- / 122 [lagere giftendrempel]).

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van / 44.026.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de be-streden uitspraak.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Aan de Inspecteur zij toegegeven dat het een voor de hand liggende gedachte is om de in geding zijnde vergoeding te zien als te zijn verkregen in de plaats van de subsidie, niettemin kunnen die gedachte en de daaraan door de Inspecteur verbonden conclusie niet worden aanvaard. Het juridische karakter van de vergoeding is immers wezenlijk anders. Uit de feiten volgt naar 's Hofs oordeel namelijk dat de betaling van de vergoeding rechtstreeks voort-vloeit uit de schikking die de betrokken partijen in verband met belanghebbendes, kennelijk gerechtvaardigde, vordering uit wan-prestatie hebben getroffen. Om die reden kan van het bedrag van de vergoeding niet worden gezegd dat het is genoten ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten. Daaraan doet op zichzelf niet af de omstandigheid dat het instellen door belanghebbende van zijn vordering een direct gevolg is van het mislopen van de subsidie.

6.2. Bij zijn oordeelsvorming heeft het Hof mede overwogen, ener-zijds dat belanghebbende weliswaar bij het aangaan van de koop-/ aannemingsovereenkomst in de veronderstelling verkeerde in aanmer-king te komen voor een subsidie, maar dat die veronderstelling, gezien de feiten, objectief gezien onjuist was en anderzijds dat belanghebbende in elk geval op het moment van de afwijzingsbe-schikking wist dat hij niet in aanmerking kwam voor en ook van aanvang af geen aanspraak heeft gehad op een subsidie. Belangheb-bende heeft dan ook nimmer een recht op subsidie gehad, laat staan dat kan worden gezegd dat hij ooit enig recht terzake heeft opge-geven.

6.3. Het vorenoverwogene brengt mee dat het gelijk te dezen aan belanghebbende is, zodat het beroep van belanghebbende gegrond is. Alsdan staat vast dat de onderwerpelijke aanslag moet worden ver-minderd tot een naar een belastbaar inkomen van / 44.026. Bijge-volg moet worden beslist als na te melden.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. In de omstandigheid dat het gelijk aan de zijde van belang-hebbende is, vindt het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten stelt het Hof op de voet van het Besluit proceskosten fiscale procedures vast op / 1.420, te specificeren als volgt: kosten gemachtigde: 2 punten x / 710 met wegingsfactor 1.

7.2. Gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken dient het door belang-hebbende gestorte griffierecht van / 75 te worden vergoed door de Inspecteur.

8. Beslissing

Het Hof vernietigt de uitspraak waarvan beroep, vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van / 44.026, veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding, aan de zij-de van belanghebbende gevallen en vastgesteld op / 1.420, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden en gelast de Inspecteur aan belangheb-bende te vergoeden het voor deze zaak gestorte griffierecht ad / 75.

Aldus vastgesteld door mr. U.E. Tromp, raadsheer, op 30 juni 1997, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mevrouw mr. M.J.M.S. van Balkom. Op dezelfde dag is de beslissing in het open-baar uitgesproken.

(van Balkom) (Tromp)

Afschriften aangetekend

aan partijen verzonden op: