Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1996:AA4364

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-11-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/3277
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tiende enkelvoudige belastingkamer

26 november 1996

nummer 95/3277

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak op het bezwaarschrift van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Re-gistratie en Successie P, van de Belastingdienst, betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1 Aan belanghebbende is ter zake van een verkrijging uit de nalatenschap van haar broer A een aanslag in het recht van successie opgelegd ten bedrage van / 7.827.

1.2 Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehand-haafd.

2. Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in be-roep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belang-hebbende door de griffier een griffierecht geheven van / 75.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevon-den te 's-Gravenhage ter zitting van 22 oktober 1996, alwaar is verschenen de gemachtigde van belanghebbende, mevrouw B, alsmede C namens de Inspecteur.

2.3 Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorge-dragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt. Ter zitting zijn voorts door de Inspecteur vijf stukken overgelegd, zulks zonder bezwaar van de kant van de wederpartij, aan wie ter zitting de gelegenheid is gegeven van de inhoud daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Voornoemde stukken, waarvan de inhoud eveneens als hier ingelast moet worden aangemerkt, zijn door de griffier als zodanig gekenmerkt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting ver-handelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet vol-doende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 Op 2 januari 1994 is de heer A (hierna: erflater) overle-den. De erfgenamen zijn de drie zusters van erflater, te weten X (hierna: belanghebbende), E en F. Volgens het bevolkingsre-gister staat belanghebbende aan de a-weg 29 te S ingeschreven, terwijl erflater en de andere twee zusters aan de b-weg 729 te Q staan ingeschreven.

3.2 Naar aanleiding van het overlijden in 1991 van belangheb-bendes broer G, die destijds stond ingeschreven aan de a-weg 29 te S, is door de Belastingdienst/Registratie en Successie te R voor alle verkrijgers conform de aangifte de vrijstelling als bedoeld in artikel 32, lid 1, aanhef en 4 E, onderdeel e, van de Successiewet (hierna: de samenwonersvrijstelling) toe-gepast.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende als verkrijgster in de zin van artikel 24, lid 2, aanhef en onderdeel b, van de Successiewet kan worden aang-emerkt, zodat op haar verkrijging uit de nalatenschap de sa-menwonersvrijstelling van toepassing is. Belanghebbende beant-woordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. Daar-bij beroept belanghebbende zich mede op het vertrouwensbegin-sel en het gelijkheidsbeginsel.

4.2 Belanghebbende heeft daartoe gesteld dat erflater vanaf 1939 onafgebroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd met zijn broers en zusters. Aanvankelijk werd de ge-meenschappelijke huishouding in Q gevoerd. Toen in 1973 een tweede woning in S werd aangekocht zijn de broers en zusters afwisselend in verschillende samenstellingen in beide panden gaan wonen. De uitgaven voor groot onderhoud en voorzieningen aan de panden worden gefinancieerd uit de gezamenlijke inkom-sten. De kosten van de huishouding worden ook gezamenlijk ge-dragen. Daartoe worden de betalingen gedaan van de bankreke-ning "erven G". Belanghebbende en mevrouw F storten maande-lijks / 750 op deze rekening, terwijl mevrouw E allerlei con-tante betalingen verricht.

4.3 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerder vermelde pleitnota's.

4.4 Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

5. Conclusies van partijen

5.1 Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de aanslag.

5.2 De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1 In zijn arrest van 17 maart 1993, nr. 28 801, BNB 1993/181 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wetgever ervan is uitgegaan dat steeds indien - zoals te dezen - geen sprake is van een gemeenschappelijk hoofdverblijf ook niet kan worden gezegd dat een gemeenschappelijke huishouding kan worden ge-voerd. Evenwel, zo voegde de Hoge Raad daaraan toe, onder om-standigheden kan er grond zijn voor een ander oordeel. Te de-zen is die grond er niet. Mede gelet op hetgeen de Hoge Raad overigens nog in zijn arrest heeft overwogen, kan niet worden gezegd dat de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden voldoende zijn om het Hof tot dat andere oordeel te laten ko-men. Belanghebbende is dan ook niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat zij met erflater een gemeenschappelijke huishou-ding voerde. Zij heeft dus geen recht op de samenwonersvrij-stelling.

6.2 Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Het enkele feit dat de inspecteur te R zonder meer de aangifte voor het recht van successie inzake de nalatenschap van G heeft gevolgd, betekent niet dat hij bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen wekken dat zulks berustte op een weloverwogen standpuntbepaling. Immers gesteld noch gebleken is dat de kwestie van de gemeenschappe-lijke huishouding toen uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde is gesteld. Omstandigheden die het Hof tot een ander oor-deel zouden kunnen leiden, zijn gesteld noch gebleken. Er moet sprake zijn geweest van een incidentele vergissing. Reeds daarom faalt ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

6.3 Op grond van het vorenoverwogene is het beroep ongegrond en dient de bestreden uitspraak te worden bevestigd.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet admi-nistratieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus vastgesteld door mr. J.W. Ilsink, vice-president, en door deze in het openbaar uitgesproken ter zitting van het Gerechtshof te 's-Gravenhage op 26 november 1996, in tegen-woordigheid van de waarnemend griffier mr. I.M.C. Vandewall. Afschriften van de uitspraak zijn dezelfde dag aangetekend aan partijen verzonden.

(Vandewall) (Ilsink)

[Zie ook arrest HR nummer 32836 (red.)]