Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1996:AA4101

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-09-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
94/1632
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1997/82
V-N 1997/4068, 1.5
PJ 1998/16 met annotatie van R.E.C.M. Niessen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

18 september 1996

nummer 94/1632

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren van de Belastingdienst P, betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 70.127. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

2.2. Een eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof, tweede enkelvoudige belastingkamer, van 15 september 1995, gehouden te

's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen C en D namens de Inspecteur. Belanghebbende _ die door de griffier bij aangetekende brief, op 18 juli 1995 ter post bezorgd, van plaats, dag en uur van de mondelinge behandeling der zaak in kennis is gesteld _ is niet op die zitting verschenen. Ter zitting heeft de Inspecteur een stuk overgelegd waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

2.3. Naar aanleiding van een na deze zitting door het Hof tot belanghebbende gericht verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken heeft tussen het Hof en partijen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, een briefwisseling plaatsgevonden.

2.4. De zaak is vervolgens door voormelde enkelvoudige belastingkamer kamer verwezen naar een meervoudige belastingkamer van dit Hof.

2.5. Een tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof, derde meervoudige belastingkamer, van 8 maart 1996, gehouden te 's-Gravenhage.

Aldaar zijn verschenen belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld van A, alsmede C namens de Inspecteur.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt. De vertegenwoordiger van de Inspecteur heeft ter zitting twee stukken overgelegd, zulks zonder bezwaar van de kant van de wederpartij, aan wie ter zitting de gelegenheid is gegeven van de inhoud daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Voornoemde stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt, zijn door de griffier gekenmerkt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbendes vader A (hierna: de vader) heeft blijkens een polis d.d. 17 juni 1990 met B N.V. een lijfrenteverzekering gesloten op het leven van (de langstlevende van) de vader en diens echtgenote.

3.2. Te dier zake was verzekerd een lijfrente van ƒ 4.578 per kwartaal, voor het eerst uit te keren op 31 augustus 1990 en vervolgens elk kwartaal tot en met uiterlijk 31 mei 1995.

3.3. De begunstigden waren aanvankelijk: 1. de vader, 2. diens echtgenote.

3.4. Voor de verzekering heeft de vader een koopsom van

ƒ 76.502 voldaan en wel als volgt:

a. voor een bedrag van ƒ 59.386 door aanwending van een - per 1 juni 1990 uit hoofde van een door hem gesloten kapitaalverzekering met lijfrenteclausule tot uitkering gekomen - kapitaal van dat beloop;

b. voor het resterende bedrag van ƒ 17.116 door betaling in 1990.

3.5. Volgens een onderhandse akte van 1 juni 1990 heeft de vader aan belanghebbende en Y, elk voor de helft, het vruchtgebruik van vorenbedoelde lijfrente verkocht voor een prijs van ƒ 44.000 voor elk der kopers.

3.6. Blijkens een bij de polis behorend aanhangsel d.d. 31 juli 1990 geldt ingaande die datum de volgende begunstiging: 1. belanghebbende en Y, 2. de vader 3. diens weduwe.

3.7. Belanghebbende heeft de koopprijs van ƒ 44.000 in termijnen aan de vader betaald; de laatste termijn in het jaar 1995. 3.8. Bij de regeling van de aanslag in de inkomstenbelasting van de vader voor het jaar 1990 is ter zake van de in 3.5 bedoelde transactie geen bate tot diens belastbare inkomen gerekend.

3.9. Belanghebbende heeft in het jaar 1992 in totaal ƒ 9.156 aan lijfrentetermijnen van B N.V. ontvangen. In de aangifte voor de inkomstenbelasting voor dat jaar heeft hij dat bedrag als bate in aanmerking genomen, en als premie voor een lijfrente een gelijk bedrag in aftrek gebracht.

3.10. De Inspecteur heeft uit dien hoofde het aangegeven belastbare inkomen bij de aanslagregeling verhoogd met ƒ 9.156.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld de vraag of de Inspecteur bovengenoemde correctie terecht heeft aangebracht, welke vraag belanghebbende ontkennend, doch de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Belanghebbende is van mening dat op de in het onderhavige jaar ontvangen lijfrentetermijnen ad ƒ 9.156 een gelijk bedrag als aftrekbare kosten in aftrek kan worden toegelaten. De Inspecteur is van mening dat van enige aftrek geen sprake kan zijn.

4.3. Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerder vermelde pleitnota.

4.4. De ter zitting verschenen partijen hebben hun standpunten aldaar toegelicht. Zij hebben bij die gelegenheid aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

5. Conclusies van partijen

Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 60.971.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Het Hof stelt het volgende voorop. De door belanghebbende ontvangen lijfrentetermijnen behoren tot de periodieke uitkeringen die de tegenwaarde vormen van een prestatie (te weten de door de vader in verband met de verkrijging van het recht op de uitkeringen voldane koopsom ad ƒ 76.502). Die prestatie bestaat kennelijk uitsluitend uit bij de bepaling van het belastbare inkomen van de vader geheel als premies in aanmerking genomen bedragen. De zogenoemde saldomethode mist dan ook toepassing. Derhalve vormen de lijfrentetermijnen tot hun volle beloop voor belanghebbende periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 25, lid 1, aanhef en onderdeel g, (tekst 1992) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

6.2. De in 3.5 bedoelde transactie is in beginsel aan te merken als een vervreemding van een stamrecht als bedoeld in artikel 31, lid 5, eerste volzin, (in de tot 1 januari 1992 geldende tekst) van de Wet. Bedoelde bepaling geldt evenwel ingevolge artikel 31, lid 5, tweede volzin, niet, indien de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en het verkregen stamrecht geen deel uitmaakt van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming. Naar tussen partijen niet in geschil is aan deze voorwaarden voldaan. Derhalve is terecht bij de vader belastingheffing over de waarde van het onderhavige stamrecht achterwege gebleven. Anders dan belanghebbende verdedigt speelt het bepaalde in artikel 31, lid 1, van de Wet in dat verband geen rol.

6.3. Het bepaalde in artikel 31, lid 5, tweede volzin, bewerkt in feite dat in de in die bepaling bedoelde gevallen de vervreemding van een stamrecht voor de heffing van inkomstenbelasting wordt behandeld als een in de vermogenssfeer liggende transactie. Naar 's Hofs oordeel brengt een evenwichtige en met de bedoeling van de wetgever strokende wetstoepassing mee dat de verkrijging van het stamrecht door een binnenlands belastingplichtige als vorenbedoeld (zoals in casu belanghebbende) voor de belastingheffing op gelijke wijze wordt behandeld. Dit staat dan ook eraan in de weg om in een geval als het onderhavige bij de degene die het stamrecht verkrijgt de betaalde koopprijs op de voet van artikel 35, lid 1, van de Wet in aftrek toe te laten.

6.4. In die situatie is geen verandering gekomen door de wet van 28 december 1989, Stb. 599, waarbij de in de artikelen 36, lid 9, en 38, lid 3, (tekst 1992) van de Wet bedoelde aftrekbeperking is ingevoerd. Voor de ter zake van de verkrijging van een vruchtgebruik betaalde bedragen die voor het in werking treden van eerstgenoemde wet toch al niet onder de aftrekbare kosten vielen, heeft de door die wet aangebrachte beperking van de aftrekmogelijkheid geen betekenis (vgl. HR 28 juni 1995, nr. 30281, BNB 1995/293).

6.5. Ook het bepaalde in artikel 35, lid 2, (tekst 1992) van de Wet kan belanghebbende niet baten. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de wetten van 12 december 1991, Stb 679 en 698, waarbij dit artikellid in de Wet is opgenomen, is deze bepaling niet meer dan de noodzakelijke tegenhanger van de in artikel 25, leden 3 en 8, (tekst 1992) van de Wet opgenomen regelingen omtrent de positie van de vervreemder (vgl. MvT, kamerstuk 21198, nr. 3, blz. 66-67). Nu bedoeld artikel 25, lid 3, ten aanzien van de vader toepassing mist - wat betreft het na 1991 ontvangen gedeelte van de koopsom op grond van artikel 75, lid 1, van de Wet - zou het in strijd zijn met doel en strekking van voormeld artikel 35, lid 2, bij belanghebbende wel aftrek van de tegenprestatie voor de vestiging van het vruchtgebruik toe te staan.

6.6. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden geacht.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus vastgesteld in raadkamer op 18 september 1996 door

mrs. H.L. Krans, vice-president, J.W.M. Tijnagel en U.E. Tromp, raadsheren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. H.J. Fehmers. Op dezelfde dag is de beslissing in het openbaar uitgesproken en zijn afschriften aangetekend aan partijen verzonden.

(Fehmers) (Krans)

[Zie ook arrest HR nummer 32673 (red.)]