Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1995:AA4592

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-04-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
93/1615
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1995/456
V-N 1995/2861, 1.8
V-N 1995/2059, 2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE,

Eerste Meervoudige belastingkamer

24 april 1995

nummer 93/1615

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Grote Ondernemingen, betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f a, met toekenning van f 54.412 aan toegekende WIR-premies en f 37.675 desinvesteringsbetalingen.

1.2. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd, met handhaving van de de te verrekenen investeringsbijdragen als voormeld.

2. Loop van het geding

Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van f 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 7 februari 1995, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde, tot haar vergezeld van A, alsmede de Inspecteur.

Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 Belanghebbende heeft op 18 oktober 1986 een voorlopig koopcontract gesloten voor de aanschaf van het perceel a-weg met opstallen te Z voor een koopsom van f 7.200.000,--, welke koopsom uiteindelijk f 275.000,-- minder heeft bedragen.

3.2 In het voorlopig koopcontract was opgenomen dat de eigendoms-overdracht zou plaatsvinden op 31 juli 1988 of zoveel eerder als de bedrijfsruimte leeg zou worden opgeleverd. Het transport heeft plaatsgevonden op 1 augustus 1988.

3.3 De totale uitgaven voor overdrachtskosten bedroegen f 426.463,--, te weten f 415.500,-- aan overdrachtsbelasting, f 522,-- aan kosten openbare registers en f 10.441 aan notariskosten. Deze kosten zijn door belanghebbende op 1 augustus 1988 betaald.

3.4 Na aftrek van het gedeelte der kosten dat toe te rekenen is aan de grond resteert een uitgave van f 288.399,--.

3.5 De onroerende zaken zijn in de loop van 1988 in gebruik genomen.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een investeringsbijdrage over de overdrachtskosten met betrekking tot voormelde aankoop, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2 Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerder vermelde pleitnota's. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht en aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

5. Conclusies van partijen

Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een, berekend met in achtneming van in totaal f 82.293,-- aan toe te kennen WIR-premies.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en handhaving van de aanslag zoals nader vastgesteld op 29 april 1994, resulterend in een totaal aan toegekende WIR-premies van f 60.781,--.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1 De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat uitgaven als de onderhavige, als samenhangend met de aankoop van een onroerende zaak op zichzelf wel in aanmerking kunnen komen voor een investeringsbijdrage indien ook de onroerende zaak daarvoor in aanmerking komt, maar dat sprake blijft van een afzonderlijke verplichting, die pas ontstaat op het moment van opmaken van de transportakte. Nu het transport heeft plaatsgevonden na 29 februari 1988, met ingang van welke datum de basisbijdrage voor investering in bedrijfsmiddelen is verlaagd tot nihil, kan zijns inziens geen aanspraak worden gemaakt op die basisbijdrage.

6.2 Dit standpunt van de Inspecteur wordt door belanghebbende terecht bestreden.

6.3 Belanghebbende heeft zich bij het aangaan van de koopovereenkomst op 18 oktober 1986 verplicht de onroerende zaak in eigendom te aanvaarden op 31 juli 1988 of zoveel eerder als de bedrijfsruimte leeg zou worden opgeleverd. Daarmee heeft hij zich tevens verplicht tot betaling van de aan die eigendomsoverdracht verbonden kosten, waarvan de omvang op dat moment reeds bepaalbaar was, immers in relatie stond tot de hoogte van de koopsom.

6.4 De aanspraak op WIR-premie over de overdrachtskosten is aldus ontstaan in 1986.

6.5 Nu feitelijk vast staat dat belanghebbende de onroerende zaak waarmee de kosten samenhangen, in 1988 in gebruik heeft genomen (en bovendien het bedrag der kosten in dat jaar heeft betaald) leidt al het vorenoverwogene tot de conclusie dat het beroep van belanghebbende gegrond is.

7. Proceskosten

In de omstandigheid dat het beroep van belanghebbende gegrond is, vindt het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken in verbinding met het Besluit proceskosten fiscale procedures. Het Hof bepaalt de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende bijstand conform het in de bijlage bij evengenoemd Besluit opgenomen tarief op f 2.130,-- (2 punten maal f 710 met wegingsfactor 1,5).

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van fa,-- onder vermindering van de verschuldigde belasting met investeringsbijdragen tot een bedrag van in totaal f 82.293,--;

- gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende wordt vergoed het door deze terzake van de behandeling van het beroep gestorte griffierecht ten bedrage van f 75,--;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten ten bedrage van f 2.130,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan de belanghebbende dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld in raadkamer op 24 april 1995 door mrs. A.C. de Groot, vice-president, E.M. Aukes-de Vries, raadsheer, en R.A. van Gorkum, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de waarnemend-griffier mevrouw mr. A.M. van Duijvendijk.

Van Duijvendijk De Groot

Aangetekend aan partijen verzonden: 4 mei 1995

[Zie ook arrest HR nummer 31276 (red.)]