Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1995:AA4591

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
93/2422
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE,

eerste meervoudige belastingkamer.

21 maart 1995

nummer 93/2422

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen na te noemen door de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen, aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag, zomede tegen het besluit door de Inspecteur bij het vaststellen van die navorderingsaanslag genomen met betrekking tot de daarin begrepen verhoging.

1. Navorderingsaanslag en kwijtscheldingsbesluit

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 1987 een primitieve aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 50.906 en een belastingvrije som van f 15.363. Ten gevolge van een carryback beschikking van een geclaimde investeringsbijdrage is de aanslag met f 8.970 verminderd.

1.2 Naar aanleiding van de herziening van de carryback beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 1987 een navorderingsaanslag opgelegd. De nagevorderde belasting beloopt f 107, over welk bedrag een verhoging van 100 percent is toegepast.

1.3 Bij het vaststellen van de navorderingsaanslag heeft de Inspecteur tevens het besluit genomen van deze verhoging geen kwijtschelding te verlenen.

2. Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is van de bovenvermelde navorderingsaanslag in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van f 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

2.2 Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingezonden, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.3 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 1 november 1994. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld van zijn gemachtigde A, B, C en D, alsmede de Inspecteur, tot zijn bijstand vergezeld van E en F.

2.4 Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting twee stukken overgelegd, zulks zonder bezwaar van de kant van de wederpartij, aan wie ter zitting de gelegenheid is gegeven van de inhoud daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Voornoemde stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt, zijn door de griffier gekenmerkt belanghebbende 1 en 2.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 Belanghebbende dreef in het onderhavige jaar in firmaverband de onderneming R.

3.2 Volgens zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 1988 is belanghebbende op 26 februari 1988 verplichtingen aangegaan voor de bouw van een bedrijfspand te T, tot een totaalbedrag van fl. 2.582.047,--.

3.3 Blijkens een ten processe overgelegd stuk met als dagtekening 26 februari 1988 is tussen R te T en Aannemingsbedrijf S B.V. te Q (hierna: S) een overeenkomst van aanneming van werk gesloten ter zake van de bouw van een bedrijfsgebouw te T voor een aannemingssom van fl. 2.500.000,-- exclusief BTW.

3.4 Het stuk vermeldt voorts:

"Tijdstip aanvang werkzaamheden: na goedkeuring bouwvergunning."

"Oplevering op z.s.m." en

“Betalingstermijnen: nader overeen te komen."

3.5 Dit stuk is door (de gemachtigde van) belanghebbende aan de Inspecteur toegezonden naar aanleiding van diens op 9 mei 1990 gedaan verzoek om in het kader van de aanslagregeling over 1988 bescheiden toe te zenden waaruit blijkt wanneer de investeringsverplichting met betrekking tot de nieuwbouw is aangegaan.

3.6 Op 2 juli 1991 heeft bij S een derdenonderzoek plaatsgevonden. Tijdens dit onderzoek is een stuk aangetroffen, ondertekend namens R en S op 26 februari 1988, luidend als volgt:

" AANVULLENDE OVEREENKOMST BEHORENDE BIJ BOUWOPDRACHT.

d.d. 26 februari 1988.

Ondergetekenden: R

aaa-weg 0

0000 AA T (opdrachtgever)

en: aannemingsbedrijf S B.V.

bbb-dijk 00,

Q. (aannemer)

verklaren een overeenkomst te hebben gesloten betreffende de bouw van:

Bedrijfsgebouw.

Met verwijzing naar de betreffende offerte en opdracht verklaren zij buitendien nog het volgende te zijn overeengekomen t.w.

De opdrachtgever behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor, deze opdracht, vóór de aanvang van het werk, te wijzigen of in te trekken, wanneer hij daarvoor reden meent te hebben, zonder dat hem hiervoor door de aannemer kosten in rekening worden gebracht, tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen, en zonder dat door de aannemer op enigerlei wijze beslag op het werk zal worden gelegd.

Aldus overeengekomen te: Q den 26e februari 1988"

3.7 Laatstgenoemd stuk was door belanghebbende niet gevoegd bij het onder 3.3 vermelde stuk.

3.8 Over 1988 is aan belanghebbende een investeringsbijdrage verleend, die via een carryback beschikking een vermindering van de primitieve aanslag over 1987 tot gevolg heeft gehad. De onderhavige navorderingsaanslag strekt ertoe deze naar het oordeel van de Inspecteur ten onrechte plaatsgevonden hebbende toekenning te corrigeren.

3.9 Cijfermatig bestaat tussen partijen geen geschil.

3.10 Ter zitting heeft belanghebbende zijn beroep op het ontbreken van een navordering rechtvaardigend feit ingetrokken. De Inspecteur heeft aldaar de opgelegde verhoging laten vervallen.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Tussen partijen is thans uitsluitend nog in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende voor zijn investeringen in R recht heeft op investeringsbijdragen, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij definitieve verplichtingen is aangegaan op 26 februari 1988, derhalve voordat op 29 februari 1988 de WIR-basisbijdrage tot 0 percent werd teruggebracht.

De Inspecteur voert daartegen aan dat bij het sluiten van het contract op 26 februari 1988 geen wilsovereenstemming tussen opdrachtgever en aannemer bestond gezien de ruime ontbindingsgrond van de aanvullende overeenkomst.

4.2 Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerdervermelde pleitnota's.

Partijen hebben hun standpunten ter zitting toegelicht. Zij hebben aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen naast hetgeen onder 3.10 is vermeld het navolgende toegevoegd:

Belanghebbende, bij monde van zijn gemachtigde:

Ik zie af van mijn verzoek om getuigen te horen. De personen die tot bijstand zijn meegekomen kunnen alle gewenste inlichtingen verschaffen. De overeenkomst is, zonder de aanvulling, per motorcourier naar Registratie en Successie gebracht teneinde de datum ervan vast te leggen in verband met het dreigende nul-tarief van de WIR.

De heer B:

Ik had het formulier voor de aanvullende overeenkomst bij me, het is dezelfde middag ingevuld en ondertekend. De aanneemsom was tot stand gekomen op basis van ervaringscijfers voor dit soort gebouwen.

De Inspecteur:

Van de 142 bij S onderzochte contracten hadden slechts 4 een aanvullende verklaring, waarvan 1 niet ondertekend. Het is niet duidelijk waarom in het ene geval een losse verklaring werd gebruikt en in een ander geval de clausule op de originele overeenkomst is geplaatst.

5. Conclusies van partijen

Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de navorderingsaanslag.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot handhaving van de navorderingsaanslag voor wat betreft de enkelvoudige belasting en vernietiging van het kwijtscheldingsbesluit, onder terugbrenging van de verhoging tot nihil.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1 Krachtens het bepaalde in artikel 61a, eerste en tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in de voor het jaar 1988 geldende tekst (hierna: de Wet) - voor zover hier van belang - wordt, ingeval in bedrijfsmiddelen wordt geïnvesteerd, een aangewezen gedeelte, groot 12,5 percent, beschouwd als investeringsbijdrage. Blijkens ditzelfde artikellid wordt onder investeren onder meer verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of verbetering van een bedrijfsmiddel.

6.2 Ingevolge artikel 61ga van de Wet geschiedt de vermindering van belasting wegens investeringsbijdragen naar de regels die zijn gesteld voor het tijdvak waarin de investering heeft plaatsgevonden.

6.3 Blijkens de ministeriële beschikking van 27 februari 1988, nr.088-621, Stcrt. 40A, goedgekeurd bij Wet van 21 december 1988, Stb. 620 (Beschikking wijziging investeringsbijdragen), is met toepassing van het bepaalde in artikel 61a, derde lid, van de Wet, het percentage van de vorenbedoelde investeringsbijdragen met ingang van 29 februari 1988 op nihil gesteld. Dit brengt met zich dat, indien een investering op of na die datum is geschied, geen recht bestaat op de vorenbedoelde basisbijdrage van 12,5 percent.

6.4 Belanghebbende heeft blijkens het tot de stukken van het geding behorende controlerapport een investeringsbijdrage van 12,5 percent geclaimd over de onder de feiten vermelde investering. Nu de Inspecteur gemotiveerd betwist dat deze investering vóór 29 februari 1988 heeft plaatsgevonden, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast met zich mee dat belanghebbende zijn stelling, dat zulks wel het geval is, aannemelijk maakt.

6.5 Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet in het van hem verlangde bewijs geslaagd.

6.6 Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat hetgeen belanghebbende en S hebben vastgelegd in het onder punt 3.3 vermelde stuk, bezien in samenhang met de onder punt 3.6 vermelde aanvulling daarop, niet zodanig bindend was voor belanghebbende dat daaraan de conclusie kan worden verbonden dat belanghebbende op 26 februari 1988 verplichtingen in de zin van artikel 61a, derde lid, van de Wet was aangegaan.

6.7 Van een dergelijke verplichting kon in elk geval geen sprake zijn zolang belanghebbende op grond van de aanvullende overeenkomst zonder dat hem kosten in rekening gebracht zouden worden alsnog van de opdracht kon afzien.

6.8 Als belanghebbende een ontbindende voorwaarde had willen stellen met betrekking tot - uitsluitend - financiering, bestemmingsvoorschriften en bouwvergunning, had het meer voor de hand gelegen deze explicite te noemen en niet een zo ruime formulering als de onderhavige te hanteren. Belanghebbende heeft in dat verband niet aannemelijk gemaakt dat S altijd op deze wijze contracteerde; meer ligt voor de hand dat belanghebbende in verband met de geruchten omtrent de op handen zijnde verlaging van het basistarief van de WIR de premie wilde veilig stellen zonder zich op dat moment reeds definitief te binden.

6.9 Gezien al het vorenstaande kan het beroep van belanghebbende niet slagen.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het Hof vernietigt weliswaar het kwijtscheldingsbesluit van de Inspecteur, maar op het materiële geschilpunt wordt belanghebbende in het ongelijk gesteld en het laten vervallen van de verhoging was door de Inspecteur reeds in het kader van een - door belanghebbende afgewezen - compromisvoorstel aangeboden.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- handhaaft de navorderingsaanslag waarvan beroep voor wat betreft de enkelvoudige belasting;

- vernietigt het bestreden kwijtscheldingsbesluit;

- besluit de in de navorderingsaanslag begrepen verhoging voor 100% kwijt te schelden;

- gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep gestorte griffierecht ten bedrage van fl. 75,--.

Aldus vastgesteld in raadkamer op 21 maart 1995 door mrs. A.C. de Groot, vice-president, E.M. Aukes-de Vries en J.M. van der Beek, raadsheren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mevrouw mr. I.M.C. Vandewall.

(Vandewall) (De Groot)

Van de beslissing omtrent de verhoging zal mededeling worden gedaan ter openbare terechtzitting van 25 april 1995.

coll.:

aangetekend aan partijen verzonden: 18 april 1995

[Zie ook arrest HR nummer 31262 (red.)]