Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1995:AA4588

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
94/0775
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1995/2791, 1.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE,

Elfde Enkelvoudige belastingkamer

12 april 1995

nummer 94/0775

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen na te noemen naheffingsaanslag in de omzetbelasting van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen.

1. Naheffingsaanslag

Blijkens aanslagbiljet van 24 december 1993 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 maart 1993. De nageheven enkelvoudige belasting beloopt f 324,=.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende heeft met schriftelijke toestemming van de Inspecteur op de voet van artikel 26, lid 3, in de tot 1

januari 1994 geldende tekst van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tegen bovenvermelde aanslag rechtstreeks beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmede is door de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van f 75,--. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 15 maart 1995, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar is verschenen belanghebbendes gemachtigde, A, vergezeld van B, directeur van belanghebbende, alsmede de Inspecteur, tot bijstand vergezeld van C.

2.3. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

3. Vaststaande feiten

Gelet op de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is een vennootschap met als belangrijke activiteiten het, ingevolge daartoe met tuinbouwers mondeling afgesloten jaarcontracten, vervoeren van meermalig en eenmalig fust van de groenteveiling naar tuinbouwers en het vervoeren van door tuinbouwers geteelde produkten naar de groenteveiling. Zij is ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).

3.2. Fust wordt opgehaald bij de zogeheten fustloods, alwaar de fustmeester de leiding heeft, na een uitdrukkelijke en specifieke opdracht hiertoe van de betrokken tuinder aan belanghebbende als vervoerder.

3.3. Er wordt gebruik gemaakt van eenmalig en meermalig fust. Eenmalig fust wordt door de tuinder bij de fustloods van de groenteveiling ingekocht. Dit fust bestaat uit gebundelde kartonnen dozen, welke in vaste aantallen worden vervoerd op een pallet.

Meermalig fust, zoals plastic bakken en houten pallets, wordt gehuurd of is aan betaling van statiegeld onderworpen. Het meermalig fust is eveneens eenvoudig te tellen.

3.4. Belanghebbende factureert aan de veiling de aantallen bij de fustloods opgehaald leeg fust en niet de aantallen naar de veiling vervoerd gevuld fust. In de door de veiling aan de tuinder in rekening gebrachte vergoeding zitten de kosten verwerkt van zowel het vervoer naar de tuinder als het vervoer naar de veiling. De reden hiervan is dat de aantallen leeg fust eenvoudiger zijn te tellen dan de aantallen vol terugvervoerde dozen.

3.5. Van de totale omzet is afgerond 12 percent toe te rekenen aan het vervoer van leeg (eenmalig en meermalig) fust. In verband met dit -in de loop van het geding gewijzigd- percentage moet, gelijk de Inspecteur in zijn pleitnota heeft aangegeven, de aanslag worden teruggebracht van f 324,= naar f 260,=.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of het vervoer van leeg fust van de veiling naar de tuinbouwer voor de heffing van omzetbelasting los moet worden gezien van het vervoer van tuinbouwprodukten van de tuinder naar de veiling. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat hier voor de heffing van omzetbelasting sprake is van één prestatie, welke is belast naar het verlaagde tarief en dat, subsidiair, zo al sprake is van twee te onderscheiden prestaties het vervoer van leeg fust naar de tuinder onderworpen is aan het verlaagde tarief. De Inspecteur daarentegen verdedigt dat er twee verschillende prestaties worden verricht, te weten het vervoer van produkten naar de veiling en het vervoer van leeg fust naar de tuinder, welke laatste prestatie is onderworpen aan het algemene omzetbelastingtarief.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige gedingstukken.

4.3. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de naheffingsaanslag.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot vermindering van de naheffingsaanslag tot f 260,= aan enkelvoudige belasting.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Vaststaat dat het leeg fust bij een afzonderlijke fustloods, welke onder leiding staat van een fustmeester, wordt opgehaald na een specifiek daartoe van de tuinder aan belanghebbende als vervoerder verstrekte opdracht. Het aldus geleverde fust wordt apart op de facturen van de veiling aan de tuinder vermeld. Het leeg fust wordt door belanghebbende afgeleverd bij de tuinder en op zijn vroegst bij een volgende rit gevuld met door hem geteelde produkten weer bij de tuinder opgehaald. De mogelijkheid bestaat dat een ander dan belanghebbende als vervoerder van het lege fust het volle fust naar de veiling vervoert. De bestelling door belanghebbende per vrachtwagen van leeg fust bij de tuinder is aanzienlijk groter dan het vervoer van vol fust dat met dezelfde vrachtwagen door belanghebbende retour wordt genomen.

6.2. De onder 6.1. vastgestelde feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar 's Hofs oordeel niet de conclusie dat de verrichtingen van belanghebbende bestaande in het vervoer naar de tuinder van leeg fust en het vervoer van de tuinder naar de veiling van vol fust causaal en functioneel zodanig met elkaar zijn verbonden dat zij voor de heffing van omzetbelasting als een onsplitsbare prestatie, te weten één vervoersdienst moeten worden beschouwd. De verrichting bestaande in het aanvoeren van leeg fust is naar 's Hofs oordeel ook niet zo onbetekenend dat het als een onzelfstandig onderdeel van het vervoeren van vol fust van de tuinder naar de veiling moet worden aangemerkt.

6.3. Nu uit het vorenstaande volgt dat in het onderhavige geval voor de heffing van omzetbelasting sprake is van twee afzonderlijke prestaties, dient vervolgens de vraag beantwoord te worden of de dienst bestaande in het vervoer door belanghebbende van leeg fust naar de tuinder kan worden gerangschikt onder het bepaalde in artikel 9, lid 2, aanhef en onder a, van de Wet in samenhang met post b, 13, aanhef en onder d, van de bij de Wet behorende Tabel I, en derhalve is onderworpen aan het verlaagde tarief. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat, gelet op de duidelijke tekst van evenvermelde tabelpost, deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.

6.4. Naar de Inspecteur in zijn pleitnota heeft aangegeven dient de aanslag te worden teruggebracht naar f 260,=.

7.Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Wel zal de Inspecteur het door belanghebbende gestorte griffierecht ad f 75,= aan haar moeten vergoeden.

8. Beslissing

Het Gerechtshof VERMINDERT de naheffingsaanslag tot f 260,= en GELAST dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ad f 75,=.

Aldus vastgesteld in raadkamer op 12 april 1995 door mr J.T. Sanders, lid van voormelde kamer in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mevrouw mr I.M.C Vandewall. De beslissing is op de voet van artikel 17, lid 3, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken op 12 april 1995 in het openbaar uitgesproken.

(Vandewall) (Sanders)

coll.:

aangetekend aan partijen verzonden: 12 april 1995

[Zie ook arrest HR nummer 31215 (red.)]