Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1995:AA4569

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
86/3180
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1995/2108, 1.5

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE,

Eerste Meervoudige belastingkamer

26 januari 1995

nummer 86/3180

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen na te noemen door de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen, aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag.

1. Primitieve aanslag en navorderingsaanslag

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 1980 een primitieve aanslag in de inkomstenbelasting van nihil opgelegd. Het belastbare inkomen is vastgesteld op ÷ ƒ 29.557,_- . Dit verlies is verrekend met het inkomen van het jaar 1979.

1.2 Daarna heeft de Inspecteur belanghebbende voor dit jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.700.000,_- . De nagevorderde belasting beloopt ƒ 1.911.771,_- , over welk bedrag een verhoging van 100 percent is toegepast. Bij het vaststellen van de navorderingsaanslag heeft de Inspecteur tevens het besluit genomen van deze verhoging geen kwijtschelding te verlenen.

1.3 Bij ambtshalve gegeven beschikking van 4 maart 1987 is de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 655.480,_- ; de verhoging is gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is van bovenvermelde navorderingsaanslag en van bovenvermeld kwijtscheldingsbesluit in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 38,_- . De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

2.2 De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 16 mei 1991, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, zijn gemachtigde A bijgestaan door B, alsmede de Inspecteur bijgestaan door C. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt. Ter zitting zijn voorts door hem negen stukken overgelegd, zulks zonder bezwaar van de kant van de wederpartij, aan wie de gelegenheid is gegeven van de inhoud daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Voornoemde stukken, waarvan de inhoud eveneens als hier ingelast moet worden aangemerkt, zijn door de griffier gekenmerkt 1 tot en met 9.

2.3 Naar aanleiding van het ter zitting door het Hof tot de Inspecteur gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken heeft tussen het Hof en partijen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, een briefwisseling plaatsgevonden.

2.4 De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 12 december 1991, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde A, alsmede de Inspecteur bijgestaan door C. De Inspecteur heeft ter zitting één stuk overgelegd, zulks zonder bezwaar van de kant van de wederpartij, aan wie ter zitting de gelegenheid is gegeven van de inhoud daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. De inhoud van dit stuk moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2.5 Bij brief van 30 december 1991 heeft het Hof partijen doen weten dat de behandeling van de zaak voor een jaar wordt aangehouden, zulks in afwachting van de beslissing in een procedure voor de civiele kamer van dit Hof. Bij brief van 12 maart 1993 heeft het Hof partijen meegedeeld dat de behandeling van de zaak om dezelfde reden nogmaals voor een jaar wordt aangehouden. Bij brief van 22 februari 1994 heeft belanghebbende het Hof verzocht uitspraak te doen.

2.6 De derde mondelinge behandeling van de zaak - die nodig was omdat de samenstelling van de eerste meervoudige kamer van het Hof inmiddels is gewijzigd - heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 23 november 1994, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde A, alsmede de Inspecteur bijgestaan door C.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 Belanghebbende voerde in 1980 te zamen met zijn broer D de directie over E B.V. te Y (hierna: E). De broers hielden ieder 50 percent van de aandelen in E.

3.2 E heeft aan het eind van de jaren '70 een onroerend-goed-project ontwikkeld te W, een voorstad van Brussel (B). Dit project is verkocht aan F te V. Te dier zake zond E F een op 20 februari 1980 gedagtekende factuur van Bfr. 15.000.000,_- (omgerekend ƒ 985.500,_-). Dit bedrag werd door E in 1980 in haar administratie verantwoord. Eveneens ter zake van het W-project zond een zekere G te U (ESP) F een op 23 mei 1980 gedagtekende nota van Bfr. 25.000.000,_- (omgerekend ƒ 1.715.000,_-). Dit bedrag werd op 13 juni 1980 betaald.

3.3 Belanghebbende schreef de FIOD op 16 april 1986 een brief, waarvan de inhoud - voor zover thans van belang - aldus luidt.

" Door verkoop aan F van het nieuwbouwplan W (Brussel) in 1980 wordt door E te Y een winst gemaakt van f. 2.700.000,00, welke door F eind 1980 wordt betaald.

Door een aantal handelingen van de financieel direkteur D wordt f. 1.700.000,00 winst direkt via A.B.N. bank naar de bank van Liechtenstein t.n.v. H over geboekt en f. 1.000.000,00 naar de bank van E.

(...).

De post van f. 1.700.000,00 is nog steeds niet geboekt in de boeken van E (...)".

3.4 Vervolgens startte de FIOD een onderzoek en legde de Inspecteur de thans in geschil zijnde navorderingsaanslag op. Nadat de FIOD zijn onderzoek had voltooid - het proces-verbaal d.d. 19 december 1986 met bijlagen en memorie van toelichting behoort tot de gedingstukken -, verminderde de Inspecteur de aanslag ambtshalve. In haar vertoogschrift heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat de verhoging dient te vervallen omdat de gronden waarop zij berust belanghebbende niet behoorlijk zijn meegedeeld.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Het geschil betreft thans nog de vraag of de (verminderde) aanslag wat betreft de enkelvoudige belasting terecht is opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2 Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerder vermelde pleitnota. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

5. Overwegingen omtrent het geschil

5.1 De Inspecteur heeft de (verminderde) aanslag onderbouwd met het proces-verbaal van de FIOD. Het Hof heeft geen enkele reden aan de juistheid van dat proces-verbaal te twijfelen. De memorie van toelichting bij het proces-verbaal behelst een samenvatting van de door de FIOD gereconstrueerde toedracht van de zaak. Ook de inhoud van die toelichting houdt het Hof voor juist.

5.2 Belanghebbende bestrijdt weliswaar de juistheid van de reconstructie omdat deze onder meer is gebaseerd op door zijn broer vervalste stukken, maar zijn betoog is ongeloofwaardig. Aanvankelijk verklaarde belanghebbende dat zijn handtekening onder verschillende stukken vals zou zijn, doch toen die verklaring onhoudbaar bleek, verklaarde hij dat de handtekeningen weliswaar echt waren maar dat de stukken vals waren. Naar 's Hofs oordeel gaat het hier om kennelijk leugenachtige verklaringen waaraan derhalve geen geloof kan worden gehecht. In dit verband wijst het Hof erop dat belanghebbende ook tegenover de FIOD leugenachtige verklaringen heeft afgelegd, waarop hij later is teruggekomen.

5.3 Het Hof ziet niet in waarom - zoals door belanghebbende een en andermaal is bepleit - het onderzoek naar de toedracht van de zaak zou moeten worden heropend. De FIOD heeft de zaak onderzocht. Zijn bevindingen zijn in het proces-verbaal neergelegd. De Inspecteur heeft de (verminderde) aanslag daarop gebaseerd. Belanghebbende is het niet eens met de bevindingen van de FIOD, maar kan zijn grieven niet hard maken. Dat belanghebbende daardoor in bewijsnood komt, behoort tot zijn procesrisico en is geen reden een nader onderzoek te gelasten.

5.4 Aandachtige lezing van het FIOD-proces-verbaal laat - onontkoombaar - op het netvlies het beeld achter van twee broers die op dubieuze wijze een financieel voordeel in de wacht hebben gesleept en die dat voordeel vervolgens aan het zicht van de fiscus hebben willen onttrekken. Dat laatste zou vermoedelijk ook nog zijn gelukt, ware het niet dat de twee broers onenigheid hebben gekregen, wellicht - het Hof laat dat in het midden - omdat de één (J) de ander (C) een loer heeft gedraaid, waarna die ander de FIOD een klikbrief zond, zodat wat verborgen moest blijven toch aan het licht kwam.

5.5 De wijze waarop de fiscus is misleid, is door de FIOD in de memorie van toelichting bij het proces-verbaal schematisch weergegeven. In dat schema is uiteengezet waar het te verbergen bedrag van ƒ 1.715.000,_- uiteindelijk terecht is gekomen. Die uiteindelijke bestemming is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de onderhavige navorderingsaanslag echter niet relevant. Het tijdstip waarop belanghebbende zijn aandeel in het te verdoezelen voordeel heeft genoten ligt immers aan het begin van het traject: de storting van het bedrag van ƒ 1.715.000,_- op de ten name van G staande rekening bij de AMRO Bank op 3 juni 1980. G is een stroman die door belanghebbende en zijn broer is tussengeschoven. De betaling van evengemeld bedrag is dan ook niet aan G gedaan maar aan de beide broers, en wel - naar gelet op het relaas van de FIOD moet worden aangenomen - aan elk van hen voor de helft. De broers hebben vervolgens over dat bedrag beschikt. Hoe zij dat hebben gedaan en of de één de ander daarbij heeft benadeeld, is te dezen niet van belang.

5.6 De vraag is nu of het door belanghebbende op 3 juni 1980 genoten voordeel ad ƒ 875.500,_- (de helft van ƒ 1.715.000,_-) een belastbaar voordeel is. Bij de beantwoording van die vraag gaat het Hof - met belanghebbende - ervan uit dat het geld bij E terecht had moeten komen. Het ging immers om een project van E waarvoor het F in totaal Bfr. 40.000.000,_- betaalde: Bfr. 15.000.000,_- (ƒ 985.500,_-) op een bankrekening van E en - op verzoek van de onderhandelaar namens E, belanghebbende - Bfr. 25.000.000,_- (ƒ 1.715.000,_-) op een bankrekening van stroman G. Belanghebbende en zijn broer hebben dat laatste bedrag vervolgens ofwel in hun hoedanigheid van directeur ofwel in die van aandeelhouder aan E onttrokken. In het eerste geval biedt artikel 22, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de grondslag voor de belastbaarheid van sshet voordeel, terwijl in het tweede geval artikel 24 van die Wet daarvoor de basis vormt.

5.7 Belanghebbende heeft derhalve in 1980 een belastbaar voordeel genoten van ƒ 875.500,_- . Nu de Inspecteur bij de berekening van de verminderde navorderingsaanslag is uitgegaan van een voordeel van ƒ 655.480,_- , is die aanslag - wat betreft de enkelvoudige belasting - niet tot een te hoog bedrag vastgesteld, ook niet indien bij de berekening van het belastbare inkomen rekening wordt gehouden met het - naar nu blijkt: ten onrechte naar 1979 teruggewentelde - negatieve inkomen zoals dat bij de primitieve aanslagregeling is vastgesteld.

5.8 De verhoging is niet langer in geschil aangezien de Inspecteur te kennen heeft gegeven dat deze moet vervallen.

6. Proceskosten en griffierecht

Nu belanghebbende niet om een proceskostenveroordeling heeft verzocht, acht het Hof geen termen aanwezig zulk een veroordeling uit te spreken. Wel moet de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht ad ƒ 38,_- aan deze vergoeden.

7. Beslissing

Het Hof HANDHAAFT de navorderingsaanslag zoals deze door de Inspecteur bij ambtshalve gegeven beschikking van 4 maart 1987 is verminderd, zonder verhoging, en GELAST dat door de Inspecteur aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 38,_- .

Aldus vastgesteld in raadkamer op 26 januari 1995 door mrs. J.W. Ilsink, vice-president, J.T. Sanders en J.M. van der Beek, raadsheren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. R.W. Otto.

(Otto) (Ilsink)

Aangetekend aan partijen verzonden:17-2-95

[Zie ook arrest HR nummer 31168 (red.)]