Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1995:AA4564

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-02-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
93/1903
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1995/3828, 1.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE,

Eerste Meervoudige belastingkamer

5 februari 1995

nummer 93/1903

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst Particulieren, betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 84.557 en een belastingvrije som van f 9.320.

Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. Loop van het geding

Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van f 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van de achtste enkelvoudige belastingkamer van het Gerechtshof van 22 februari 1994, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende A, alsmede de Inspecteur tot zijn bijstand vergezeld van B.

Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting twee stukken overgelegd, zulks zonder bezwaar van de kant van de wederpartij, aan wie ter zitting de gelegenheid is gegeven van de inhoud daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Voornoemde stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt, zijn door de griffier gekenmerkt belanghebbende 1 en 2. Na de mondelinge behandeling heeft de achtste enkelvoudige belastingkamer de zaak overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, lid 5, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken naar de meervoudige kamer verwezen.

De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in

raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 7 juni 1994, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende A, alsmede de Inspecteur.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota

voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting vier stukken overgelegd, zulks zonder bezwaar van de kant van de wederpartij, aan wie ter zitting de gelegenheid is gegeven van de inhoud daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Voornoemde stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt, zijn door de griffier gekenmerkt belanghebbende 1 tot en met 4.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 Belanghebbende, geboren op in 1929, genoot in 1991 een VUT-uitkering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds.

3.2 Bij beschikking van 17 september 1990 is hij door de Pensioenuitkeringsraad, die oordeelt over aanvragen op grond van de Wet Uitkeringen Burger-Oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: WUBO), erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van artikel 2, lid 1, onderdeel e, van de WUBO.

3.3 Met terugwerkende kracht tot 1 juli 1984 is aan belanghebbende een maandelijkse toeslag toegekend (hierna ook: de toeslag), gebaseerd op artikel 19 van de WUBO, voor voorzieningen welke strekken tot verbetering van zijn levensomstandigheden. Belanghebbende heeft afgezien van aanspraken op een periodieke uitkering op grond van artikel 7 van de WUBO.

3.4 In 1991 ontving belanghebbende uit dien hoofde een uitkering ten bedrage van f 24.765,51, betrekking hebbend op het tijdvak van 1 juli 1984 tot en met 31 december 1991.

3.5 Op deze uitkering zijn loonbelasting en premies volksverzekeringen ingehouden.

3.6 Toepassing van de zogenoemde uitsmeerregeling leidt niet tot een voor belanghebbende voordeliger uitkomst.

3.7 De Inspecteur heeft ter zitting zijn beroep op de niet-ontvankelijkheid van belanghebbende ingetrokken.

3.8 De kosten van de onderhave procedure drukken niet op belanghebbende. De gemachtigde treedt op namens de Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen; er is sprake van een proefprocedure.

4. Omschrijving van het geschil en standpunten van partijen

4.1 Het geschil betreft de vraag of het bedrag van f 24.765,51 in de heffing van inkomstenbelasting dient te worden betrokken, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2 Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerdervermelde pleitnota's. Partijen hebben hun standpunt op de zittingen toegelicht en aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen het navolgende toegevoegd.

4.2.1 Ter zitting van 22 februari 1994.

Belanghebbende, bij monde van zijn gemachtigde:

In verband met een omissie in de vooraf toegezonden pleitnota overhandig ik ter vervanging een verbeterd exemplaar.

4.2.2. Ter zitting van 7 juni 1994.

Belanghebbende, bij monde van zijn gemachtigde:

De thans door mij overgelegde pleitnota moet worden gezien als aanvulling op die van 22 februari j.l.

De Inspecteur:

Zoals de zaak nu ligt, vind ik het standpunt van belanghebbende zodanig pleitbaar dat ik geen moeite meer heb met teruggave van het griffierecht. Mocht het oordeel van het Hof zodanig luiden dat daaruit volgt dat ten onrechte loonbelasting is ingehouden, dan zal ik daarover contact opnemen met het Ministerie.

5. Conclusies van partijen

Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van f 59.792,92.

De Inspecteur heeft primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak. Zijn uiterst subsidiaire standpunt komt overeen met de conclusie van belanghebbende.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1 Ingevolge artikel 19 van de WUBO kan een toeslag worden verkregen die het karakter heeft van een in de tijd gespreide tegemoetkoming in de kosten van bepaalde, door opgelopen oorlogsletsel noodzakelijk geworden voorzieningen van medisch-sociale aard. Deze toeslag staat los van de periodieke uitkering die in artikel 7 van de WUBO wordt geregeld, welke laatstgenoemde uitkering een vorm van basisinkomen kan bieden. Naar 's Hofs oordeel bevat de toeslag geen element van vervanging van enig gederfd inkomen.

6.2 Belanghebbende bestrijdt gezien het voorgaande terecht het primaire standpunt van de Inspecteur, dat de artikel 19-toeslag dient te worden belast op grond van artikel 22, lid 1, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

6.3 De toeslag, die blijkens de tot de stukken van het geding behorende "berekeningsbeslissing" over januari 1992 maandelijks door de Raad uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers wordt uitbetaald, is naar 's Hofs oordeel te beschouwen als een periodieke uitkering van publiekrechtelijke aard als bedoeld in artikel 30 van de Wet, conform het subsidiaire standpunt van de Inspecteur.

6.4 Het standpunt van belanghebbende, dat wel sprake is van een periodieke uitkering, maar dan een, berustend op artikel 25, lid 1, onderdeel g, van de Wet, is onjuist, aangezien het door belanghebbende afzien van het vorderen van vergoeding voor door hem geleden schade niet kan worden beschouwd als prestatie in de zin van evenvermelde wetsbepaling. Van de door belanghebbende bepleite saldering als bedoeld in artikel 25, lid 7, van de Wet, kan derhalve geen sprake zijn.

6.5 Artikel 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt dat, uit oogpunt van vergemakkelijking van de heffing van inkomstenbelasting, bij AMvB maatregelen genomen kunnen worden om de heffing van loonbelasting mede mogelijk te maken over termijnen van lijfrente of andere periodieke uitkeringen.

6.6 Aan die mogelijkheid is uitvoering gegeven in lid 1, onder q, van artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, dat bepaalt dat loonbelasting mede wordt geheven van natuurlijke personen die uitkeringen genieten ingevolge (onder meer) de WUBO.

6.7. De stelling van belanghebbende, dat voormeld artikel 34 geen belastbaar feit schept, moge in beginsel juist zijn, het betreft hier een uitkering die reeds op grond van artikel 30 van de Wet in de heffing van inkomstenbelasting wordt betrokken, zodat geen beletsel bestaat om vervolgens om redenen van doelmatigheid de reeds aan belastingheffing onderworpen inkomsten onder de heffing van loonbelasting te brengen; de aldus ingehouden loonbelasting komt vervolgens voor verrekening met de verschuldigde inkomstenbelasting in aanmerking. Voor onverbindendverklaring van artikel 11, lid 1, onder q, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 bestaat, anders dan belanghebbende stelt, dan ook geen reden.

6.8 Gezien al het vorenoverwogene dient de uitspraak van de Inspecteur te worden bevestigd. In de omstandigheid dat in dit geval een rechtsvraag aan de orde is gesteld waarvan de beantwoording een verder reikende betekenis heeft dan alleen de beslechting van het concrete geschil, ziet het Hof aanleiding de Inspecteur vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende te gelasten.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- BEVESTIGT de uitspraak waarvan beroep; en

- GELAST de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door deze ter zake van beroep gestorte griffierecht ad f 75.

Aldus vastgesteld in raadkamer op 5 februari 1995 door mrs. A.C. de Groot, vice-president, E.M. Aukes-de Vries en J.M. van der Beek, raadsheren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mevrouw mr. I.M.C. Vandewall.

(Vandewall) (De Groot)

coll.:

aangetekend aan

partijen verzonden: 3 maart 1995

[Zie ook arrest HR nummer 31131 (red.)]