Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1995:AA4469

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
93/4166
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 1995/4620
Belastingblad 1996/542

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

vierde meervoudige belastingkamer

25 oktober 1995

nummer 93/4166

UITSPRAAK

op het beroep van van X te Z tegen de uitspraak van de directeur financiën van het Hoogheemraadschap van Rijnland te Leiden (hierna: de directeur) betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 als feitelijke gebruiker van een bedrijfsruimte een aanslag, gedagtekend 31 juli 1993, opgelegd in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren van het Hoogheemraadschap van Rijnland naar een vervuilingswaarde van 459 vervuilingseenheden, ten bedrage van f 36.710,20. In deze aanslag is een verhoging ten bedrage van f 1000,= op de voet van artikel 9, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen begrepen. De aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de directeur bij de bestreden uitspraak van 16 september 1993 gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van f 75,=. Dijkgraaf en hoogheemraden hebben een vertoogschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 13 september 1995, gehouden te 's_Gravenhage. Aldaar zijn verschenen B in haar hoedanigheid van voorzitter van belanghebbende, alsmede de heren C en D, namens Dijkgraaf en hoogheemraden. C heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

3. Wettelijk kader

3.1. Op 10 oktober 1984 heeft de verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap vastgesteld de "Verordening verontreinigingsheffing" (hierna: de Verordening), welk besluit is goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 maart 1986, nr. 16.

3.2. Artikel 18 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren luidt - voor zover thans van belang - als volgt.

"1. (...);

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt met betrekking tot de vervuiling met zuurstofbindende stoffen voor woonruimten de vervuilingswaarde gesteld op een gelijk aantal inwonerequivalenten per woonruimte, met dien verstande dat dit aantal ten hoogst 3,5 bedraagt. (...);

3. Het tweede lid vindt geen toepassing met betrekking tot voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd.

De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als een onderdeel van een bedrijfsruimte.

4. (...)."

3.3. Artikel 2 van de Verordening luidt - voor zover thans van belang - aldus.

"1. In deze verordening wordt verstaan onder:

a. (...);

b. (...);

c. (...);

d. (...);

e. (...);

f. woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid, niet zijnde een recreatiewoonruimte als omschreven in onderdeel g;

g. recreatieruimte: een voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimte die zich bevindt op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd; recreatiewoonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte;

h. bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte;

i. (...).

2. (...).

3.4. Artikel 4, lid 5a, van de Verordening luidt - voor zover thans van belang - als volgt.

" 5a. Degene die het gebruik heeft van een bedrijfsruimte is heffingsplichtig voor de in die hoedanigheid geloosde afvalstoffen in het heffingsjaar."

3.5. Een afschrift van de tekst van de Verordening behoort tot de gedingstukken.

4. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

4.1.1. Artikel 2 van belanghebbendes statuten luidt aldus.

" De vereniging stelt zich ten doel de behartiging van de belangen van eigenaren van register goederen in het park, zulks in de meest ruime zin, waaronder is begrepen:

1. Het ten behoeve van de leden beheren, waaronder begrepen het uitbreiden en verbeteren, onderhouden en in stand houden van:

a. de eigendommen van de vereniging, zoals wegen, bruggen, paden, parkeergelegenheden, begroeiingen, bossages, de aanlegsteigers, de speelweide, de speelvijver en alle eventuele overige bezittingen;

b. de wateren en overige wegen en parkeerplaatsen behorende tot het park.

2. De bevordering van het algemeen welzijn in het park.

3. De bevordering van de recreatieve mogelijkheden."

4.1.2. Artikel 3 van de statuten luidt aldus.

" 1. De vereniging tracht het gestelde doel te bereiken door:

a. het onderhouden van betrekkingen met overheidslichamen en andere rechtspersonen, alsmede natuurlijke personen;

b. het beheer te voeren en het onderhoud te regelen van de in het vorige artikel genoemde objecten;

c. het stellen van regelen ter voorkoming van overlast voor en door eigenaren/bewoners;

d. het stellen van regelen omtrent het gebruik van wegen, wateren, speelweide, speelvijver en daarvoor in aanmerking komende objecten;

e. het stellen van regelen met betrekking tot het houden van (huis)dieren;

f. het stellen van regelen met betrekking tot de toelating op en de uitoefening van bedrijven in het park;

g. het aangaan van overeenkomsten met de eigenaren van register goederen in het park, waarbij aan de eigenaren een recht van gebruik kan worden toegekend van de eigendommen van de vereniging, onder de verplichting van die eigenaren zich, wat betreft het gebruik van de register goederen, te gedragen dienovereenkomstig de voorschriften van de vereniging;

h. het stellen van regelen ten aanzien van hen, zowel leden, eigenaren die geen lid zijn als oud_leden die de in artikel 17 bedoelde bijdragen, contributies, liggelden en hun aandeel in de in artikel 18 genoemde aanslag verontreiniging oppervlaktewateren niet of niet tijdig aan de penningmeester overmaken;

i. andere tot het doel bevorderlijke middelen."

4.1.3. Blijkens artikel 5 van de statuten kunnen leden van de vereniging uitsluitend zijn de eigenaren van de bungalows, woonhuizen en bedrijfspanden in het park. Er is voor de eigenaren geen verplichting met betrekking tot het lidmaatschap.

4.1.4. De inkomsten van de vereniging bestaan ingevolge artikel 17 onder meer uit contributies van de leden (de contributie bedraagt f 850,= per jaar) en bijdragen van andere eigenaren in de kosten van het beheer en onderhoud van de eigendommen van de vereniging.

4.1.5. Volgens de artikelen 16, lid 2, en 18 is het bestuur bevoegd de van het Hoogheemraadschap ontvangen aanslagen verontreinigingsheffing oppervlaktewater op de leden en andere eigenaren voor hun aandeel te verhalen.

4.2. Het park is omgeven door sloten en via één toegangsweg zonder een slagboom of toegangshek bereikbaar. Het park is openbaar toegankelijk voor de eigenaren en hun bezoekers. Het geheel is verdeeld in ca. 160 kavels van ongeveer 60 m2 met daarop de aan de diverse eigenaren toebehorende huisjes die qua bouw onderling verschillen. Belanghebbende is juridisch eigenaar van de buiten de kavels gelegen voor gemeenschappelijk gebruik bestemde grond, zoals groenstroken, wegen en parkeerterreinen. De oorspronkelijke initiatiefnemer heeft indertijd als eigenaar van de grond het geheel in kavels verdeeld en deze vervolgens verkocht. Pas veel later is de belangenvereniging opgericht. Indien een huisje van eigenaar wisselt geschiedt dit zonder tussenkomst van belanghebbende via een makelaar.

4.3. Alle woningen zijn bouwkundig geschikt voor permanente bewoning en hebben een eigen aansluiting voor elektriciteit, gas en water. De riolering in het park is aangelegd door de gemeente. De meeste woningen worden voor recreatieve bewoning gebruikt. Drie bungalows aan de rand van het park, waaronder één bij de toegangsweg, worden permanent bewoond. In het park zelf zijn voorts verschillende woningen, hetzij met medeweten van en gedogen door de gemeente hetzij illegaal permanent bewoond.

4.4. De directeur heeft belanghebbende in haar hoedanigheid van exploitant van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein voor de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren aangemerkt als gebruiker van een bedrijfsruimte en voor 1992 een aangiftebiljet toegezonden. Belanghebbende heeft vervolgens in de aangifte bij de vraag inzake de hoeveelheid gebruikte m3 water ingevuld "nihil". Ook bij de vraag hoeveel kubieke meter water werd afgevoerd werd "0" ingevuld. Bij brief van 24 februari 1993 deelt de directeur belanghebbende mee dat niet de vereiste aangifte is gedaan en verzoekt belanghebbende alsnog opgave te doen van het waterverbruik over 1990 en 1991. Belanghebbende antwoordt daarop bij brief van 26 maart 1993 dat zij van mening is met het aangeven van een waterverbruik van nihil aan haar aangifteplicht heeft voldaan. Zij deelt tevens mee te beschikken over de eenmalig door de waterleidingmaatschappij aan haar verstrekte waterverbruiken van haar leden in de jaren 1989_1991 en biedt aan de directeur behulpzaam te willen zijn bij het uitreiken van aanslagen aan de individuele bewoners op basis van het feitelijk waterverbruik.

4.5. De directeur legt uiteindelijk aan belanghebbende een aanslag op naar een vervuilingswaarde van 459 vervuilingseenheden. Daarbij is bij gebreke van inzicht in het waterverbruik uitgegaan van 153 woningen en een forfaitaire vervuiling per woning van 3 vervuilingseenheden.

5. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. Het geschil betreft de vraag of belanghebbende terecht als gebruiker van een bedrijfsruimte voor de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren is aangeslagen, hetgeen belanghebbende bestrijdt, doch de directeur staande houdt.

5.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij een vereniging van eigenaren is die niet meer doet dan het beheren, onderhouden en instandhouden van de openbare gedeelten van het park, het bevorderen van het algemeen welzijn in het park en van de recreatieve mogelijkheden. De vereniging kan niet worden gezien als exploitant van het park. Voorts loost de vereniging als zodanig geen afvalstoffen en er is geen aansluiting op een watermeter, zodat van waterverbruik door belanghebbende geen sprake is. Zij heeft dan ook terecht aangifte gedaan naar een waterverbruik van nihil. Belanghebbende ziet overigens ook geen mogelijkheden, gelet op de Wet persoonsregistraties, om, mocht het Hof tot de conclusie komen dat zij als exploitant van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dient te worden aangemerkt, het waterverbruik van de afzonderlijke woningen aan te geven. Niet belanghebbende doch de eigenaren en gebruikers van de afzonderlijke woningen dienen in de heffing te worden betrokken op basis van het voor woonruimten geldende forfait.

5.3. Met betrekking tot de toegepaste verhoging stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de vereiste aangifte tijdig is gedaan. De aangifte is ingevuld en stellig en zonder voorbehoud ondertekend en ingezonden binnen de daartoe gestelde termijn. Bij brief van 4 februari 1993 is hierop, na een verzoek daartoe van de kant van het Hoogheemraadschap, een toelichting gegeven. De aangifte is gedaan op grond van de bij belanghebbende bekende gegevens. Opgave van het waterverbruik bij de afzonderlijke bungalows is niet mogelijk, omdat het waterleidingbedrijf deze gegevens niet mag verstrekken in verband met de Wet persoonsregistraties. Voorts zijn de eigenaren van de bungalows niet verplicht om het bestuur van belanghebbende toegang te verlenen tot de woning, noch een opgave van de verbruikte hoeveelheid water te verstrekken. Belanghebbende acht de verhoging dan ook onterecht.

5.4. De directeur is van opvatting dat belanghebbende dient te worden gezien als exploitant van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein als bedoeld in art. 18, derde lid, van Wet en art. 2, eerste lid, onderdeel g, van de Verordeningen. Belanghebbende dient daarom als gebruiker van een bedrijfsruimte op basis van het totale waterverbruik van alle zich op het door belanghebbende beheerde terrein bevindende woonruimten in de heffing te worden betrokken.

5.5. Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke zij daartoe in de stukken hebben aangevoerd.

5.6. Belanghebbende heeft ter zitting voorts aangevoerd dat zij met een groot incassoprobleem zou worden geconfronteerd indien zij als heffingplichtige zou worden aangemerkt en vervolgens de aanslag naar rato van het waterverbruik zou moeten verhalen op de eigenaren van de afzonderlijke woningen. Belanghebbende verklaart tevens dat zij zich kan vinden in het aantal woningen, te weten 153, waarop de bestreden aanslag is gebaseerd. Ter illustratie heeft belanghebbende ter zitting een plattegrond van het park geschetst. Deze behoort tot de gedingstukken.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Het Hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het park een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein is en evenmin dat de woningen in het park voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten zijn. Nu daaruit niet van een onjuiste rechtsopvatting blijkt _ gesteld nog gebleken is immers dat de woningen in een zo betekenende mate voor andere dan recreatieve doeleinden worden gebruikt dat moet worden gezegd dat die woningen en daarmee het park in feite een andere bestemming hebben gekregen dan de oorspronkelijke _ kan het Hof zich daarbij aansluiten.

6.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het park als een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein wordt geëxploiteerd en, zo die vraag bevestigend wordt beantwoord, vervolgens op de vraag of belanghebbende dan als exploitant en dus als heffingplichtige voor de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren kan worden aangemerkt. Daarna komen dan nog de hoogte van de aanslag en de kwestie van de verhoging aan de orde.

6.3. In het geval van een voor verbijfsrecreatie bestemd terrein met zich daarop bevindende voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten dient voor de toepassing van artikel 18, lid 3, van de Wet en artikel 2, lid 1, letter g, van de Verordening als gebruiker te worden aangemerkt degene die het ter-rein als zodanig exploiteert. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18, lid 3, van de Wet is voor de toepassing hiervan voldoende dat er sprake is van enigerlei vorm van exploitatie. Voorts blijkt uit die geschiedenis dat dit betekent dat ook verblijfsrecreatieterreinen die door stichtingen en verenigingen zonder winstoogmerk worden

geëxploiteerd onder deze bepaling vallen (Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1987/88, 20 435, nr. 7, blz. 7-8).

6.4. Aangezien uit de vaststaande feiten blijkt dat belanghebbende het beheer over het park voert dient zij, mede gelet op de zojuist gememoreerde wetsgeschiedenis, als gebruiker van dit park en derhalve als gebruiker van een bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 4, lid 5a, van de Verordening te worden aangemerkt. Belanghebbende is daarmee heffingplichtig voor de door het Hoogheemraadschap met betrekking tot het park op te leggen aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren en wel _ ingevolge post 44 van de bij de Verordening behorende tabel afvalwatercoëfficiënten _ op basis van het totaal van het waterverbruik van alle tot het park behorende woningen.

6.5. Nu evenwel de gegevens over het waterverbruik voor het jaar 1992 ontbreken en belanghebbende ter zitting heeft verklaard met de door het Hoogheemraadschap gehanteerde cijfers voor de berekening van de opgelegde aanslag te kunnen leven, acht het Hof geen termen aanwezig de aanslag op dit punt te vernietigen op grond van het feit dat deze niet is berekend op basis van het totale waterverbruik.

6.6. Met betrekking tot de opgelegde verhoging is het Hof van oordeel dat deze niet in stand kan blijven. Belanghebbende heeft immers een pleitbaar standpunt ingenomen met betrekking tot de vraag of zij heffingplichtig is voor de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren. Zij kon in redelijkheid van opvatting zijn geen gebruiker van een bedrijfsruimte te zijn en heeft dientengevolge in het verlengde hiervan consequent bij de vraag in het aangiftebiljet met betrekking tot het waterverbruik "nihil" ingevuld. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

Het beroep is derhalve op dit punt gegrond.

7. Proceskosten

Nu belanghebbende niet om een kostenvergoeding heeft gevraagd, acht het Hof geen termen aanwezig de directeur te veroordelen in de proceskosten. Wel zal de directeur belanghebbende het door haar betaalde griffierecht moeten vergoeden.

8. Beslissing

Het Gerechtshof VERNIETIGT de uitspraak waarvan beroep, VERMINDERT de aanslag met f 1000,= en GELAST dat de directeur aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep gestorte griffierecht ten bedrage van f 75,=.

Aldus vastgesteld in raadkamer op 25 oktober 1995 door mrs. J.W. Ilsink, vice_president, J.T. Sanders en J. Schuurman, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Fehmers. De beslissing inzake de verhoging is in het openbaar uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn aangetekend aan partijen verzonden op 1 november 1995.

Fehmers Ilsink

[Zie ook arrest HR nummer 31667 (red.)]