Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1995:AA4468

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-11-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/0013
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1996/1923, 1.3

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tweede meervoudige belastingkamer

16 november 1995

nummer 95/0013

UITSPRAAK

op het beroep van X en Y te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Registratie en successie P (thans: het hoofd van de eenheid Registratie en successie S) van de belastingdienst betreffende na te noemen aanslagen.

1. Aanslagen en bezwaar

1.1. De Inspecteur heeft onder aanslagnummer 0.00.00.0000, jaar 1992, aan ieder der belanghebbenden een aanslag in het successierecht opgelegd ten bedrage van ƒ a, berekend naar een verkrijging door ieder van hen van ƒ b; de beide aanslagen (hierna: de aanslagen) zijn verenigd op één aanslagbiljet.

1.2. De aanslagen zijn, na daartegen door belanghebbenden gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbenden zijn van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbenden door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 5 oktober 1995, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen Y voornoemd, mede als gemachtigde van X, alsmede mr. K namens de Inspecteur, tot zijn bijstand vergezeld van L.

2.3. Y heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Op 23 februari 1992 is te Rotterdam overleden A de moeder van belanghebbenden, hierna: erflaatster. Tot haar overlijden heeft zij gewoond in de woning staande en gelegen aan de a-straat 1 te O, gemeente Q (hierna: het pand).

3.2. Erflaatster is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest, in voor beiden eerste echt, met D.

3.3. Erflaatster heeft over haar nalatenschap beschikt bij testament, op 3 januari 1989 verleden voor notaris mr. M. Zij heeft aan haar genoemde echtgenoot gelegateerd het recht van vruchtgebruik van haar gehele nalatenschap, zulks met ingang van de dag van haar overlijden en eindigende onder meer op de dag van het overlijden van de vruchtgebruiker. Voorts benoemde erflaatster, onder de last van het evenbedoelde legaat, tot enige erfgenamen van haar nalatenschap haar afstammelingen, zijnde belanghebbenden, een en ander op de wijze en voor de delen als in de wet bepaald voor de erfopvolging bij versterf.

3.4.1. Bij notariële akte, op 5 januari 1990 verleden voor evengenoemde notaris, hebben erflaatster en haar echtgenoot onder voorbehoud van na te melden huurrecht, het pand verkocht en in eigendom overgedragen aan belanghebbenden ieder voor de onverdeelde helft. De koopsom bedroeg in totaal ƒ 96.000, voor ieder van belanghebbenden ƒ 48.000.

3.4.2. Blijkens die akte is ten aanzien van de betaling van de koopsom door kopers en verkopers een overeenkomst van schuldvernieuwing gesloten, in dier voege dat voor het bedrag van ƒ 96.000 volledige kwijting is verleend, terwijl de verplichting tot betaling van gemelde koopsom bij wijze van schuldvernieuwing is omgezet in een schuld wegens door verkopers aan kopers ter leen verstrekte gelden tot een gelijk bedrag, zodat ieder van de kopers - wegens die ter leen verstrekking - aan de verkopers schuldig heeft erkend een bedrag van ƒ 48.000. Deze schulden zijn, blijkens die akte, onmiddellijk daarna door verkopers kwijtgescholden.

3.4.3. Voorts hebben de verkopers, ieder voor zich, een "persoonlijk" huurrecht van het pand voorbehouden waaromtrent onder meer het volgende is overeengekomen:

- de huurrechten zijn ingegaan op het moment van verkoop van het pand;

- de huurders zijn verplicht ter zake aan de verhuurders een huursom te betalen van ƒ 450 per maand, te voldoen op laatste dag van iedere maand, voor het eerst op 31 januari 1990;

- alle vaste lasten en belastingen en kosten van onderhoud van het pand komen gedurende de huurtijd voor rekening van de huurders;

- de huurovereenkomst kan door de verhuurders gedurende het leven van de huurders dan wel gedurende het leven van de langstlevende van hen, nimmer worden opgezegd.

3.4.4. Ter zake van de onder 3.4.2 bedoelde kwijtscheldingen is destijds, met toepassing van het bepaalde in artikel 24, lid 5, van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet), per saldo geen recht van schenking geheven.

3.5. Belanghebbenden hebben al op de dag van de aankoop van het pand (5 januari 1990) schriftelijk verklaard dat hun ouders voor het jaar 1990 geen huur verschuldigd zijn voor de bewoning van het pand. Vervolgens hebben zij op 23 december 1990 en op 23 december 1991 voor respectievelijk 1991 en 1992 soortgelijke verklaringen opgemaakt en aan de huurders medegedeeld.

3.6. Erflaatster en haar echtgenoot hebben tot haar overlijden voor gebruik en bewoning van het pand geen huur aan belanghebbenden betaald.

3.7.1. Belanghebbenden hebben op 12 oktober 1992 inzake de nalatenschap van erflaatster het aangiftebiljet voor het recht van successie ingediend. Vervolgens heeft de Inspecteur de erfrechtelijke verkrijging voor ieder van belanghebbenden berekend op ƒ b.

3.7.2. In dat bedrag is ter zake van het pand, ingevolge het bepaalde in artikel 10 van de Wet, een fictieve verkrijging begrepen ten bedrage van ƒ 13.920.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Het geschil betreft de vraag of de onder 3.7.2 bedoelde fictieve verkrijging juist is, welke vraag door belanghebbenden ontkennend, doch door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

4.2. Belanghebbenden stellen dat zij door het overlijden van erflaatster ter zake van het pand niets hebben verkregen. Zij hebben ter zitting nog aangevoerd dat zij het pand hebben gekocht tegen een normale prijs en niet hebben verkregen ten koste van het vermogen van hun ouders.

4.3. De Inspecteur neemt, kort samengevat, het standpunt in dat belanghebbenden door het overlijden van erflaatster geacht moeten worden het pand op grond van artikel 10 van de Wet mede krachtens erfrecht te hebben verkregen.

4.4. Partijen hebben ter zitting verklaard dat de berekening van het onder 3.7.2 genoemde bedrag als zodanig niet in geschil is.

4.5. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerder vermelde pleitnota.

Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

5. Conclusies van partijen

Het beroep van belanghebbenden strekt tot vermindering van elk van de aanslagen met een bedrag van ƒ 1.296.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Op grond van artikel 10 van de Wet, voor zover te dezen van belang, wordt al wat iemand ten koste van erflaters vermogen heeft verkregen in verband met een rechtshandeling waarbij de overledene partij was, voor de regeling van de rechten van successie geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen indien de overledene in verband met die rechtshandeling tot zijn overlijden of een daarmede verband houdend tijdstip het genot heeft gehad van een vruchtgebruik en dat vruchtgebruik ten laste van de evenbedoelde verkrijger is gekomen. Onder een vruchtgebruik in de zin van deze bepaling wordt, gelet op artikel 18 van de Wet, mede verstaan gebruik en bewoning.

6.2. Belanghebbenden hebben aangevoerd dat zij het pand hebben gekocht tegen een normale prijs en niet hebben verkregen ten koste van het vermogen van hun ouders. Het Hof kan hen hierin niet volgen. De verrichte rechtshandelingen van koop en verkoop van het pand, het onmiddellijk noveren van de koopsom in geldleningen en het direct daarna kwijtschelden van die leningen, hangen immers zo sterk met elkaar samen dat zij in wezen één (samengesteld) geheel vormen. Het Hof leidt uit het geheel van die rechtshandelingen af dat erflaatster en haar echtgenoot op 5 januari 1990 in wezen het pand aan belanghebbenden hebben geschonken. Dit brengt mee, gelet ook op hetgeen onder 3.2 is komen vast te staan, dat belanghebbenden het pand mede ten koste van erflaatsters vermogen hebben verkregen.

6.3. Voor het antwoord op de vraag of erflaatster het genot van vruchtgebruik heeft gehad, doet niet ter zake of bij de schenking van het pand het recht op het genot van een vruchtgebruik aan erflaatster is gegeven, doch is beslissend of bij het overlijden van erflaatster blijkt dat zij in verband met bedoelde schenking dit genot ten laste van de verkrijgers heeft gehad.

6.4. Het Hof is van oordeel dat die vraag in het onderhavige geval bevestigend dient te worden beantwoord nu vaststaat dat erflaatster vanaf de schenking van het pand tot aan haar overlijden aan belanghebbenden geen huur heeft betaald voor gebruik en bewoning van het pand. Aan dit oordeel doet niet af dat belanghebbenden per jaar hebben beslist dat hun ouders voor de jaren 1990 tot en met 1992 geen huur waren verschuldigd voor de bewoning van het pand.

6.5. Op grond van het vorenoverwogene moet het voor de regeling van de rechten van successie ervoor worden gehouden dat belanghebbenden het pand mede krachtens erfrecht door het overlijden van erflaatster hebben verkregen. De Inspecteur heeft dan ook terecht ter zake van het pand een fictieve verkrijging in aanmerking genomen.

6.6. Nu de berekening van die verkrijging als zodanig niet in geschil is, leidt al het voorgaande tot de slotsom dat het beroep van belanghebbende niet gegrond is.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het Gerechtshof BEVESTIGT de uitspraak waarvan beroep.

Aldus vastgesteld op 16 november 1995 door mrs. L. Monné, vice-president, M.L. Vierhout en B.W. Biemond, raadsheren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. L.M. Holdert. De beslissing is door de voornoemde vice-president in het openbaar uitgesproken op 16 november 1995.

Holdert Monné

[Zie ook arrest HR nummer 31736 (red.)]