Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1995:AA4466

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-02-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
93/3519
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1995/667
V-N 1995/2279, 3.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's_GRAVENHAGE, "p"

tweede meervoudige belastingkamer.

24 februari 1995

nummer: 93/3519

UITSPRAAK

op het beroep van X B.V. te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen P, betreffende na te noemen verzoek.

1. Verzoek

Belanghebbende heeft een verzoek gedaan als bedoeld in artikel 8b, lid 3, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: Uitvoeringsregeling), welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.

2. Loop van het geding

Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 22 september 1994, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde A, tot zijn bijstand vergezeld van B, alsmede de Inspecteur, tot zijn bijstand vergezeld van C.

Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is enig aandeelhoudster van W B.V. Deze laatste vennootschap exploiteert een handelsonderneming. De beide vennootschappen vormen een fiscale eenheid.

3.2. Het geplaatste en volgestorte kapitaal van belanghebbende bedraagt ƒ 25.000.

3.3. Blijkens het aandeelhoudersregister van belanghebbende zijn haar aandeelhouders D (hierna: de man) voor nominaal

ƒ 24.000 aandelen en diens gewezen echtgenote E (hierna: de vrouw) voor nominaal ƒ 1.000. De man en de vrouw waren tot in 1993 beiden werknemer van belanghebbende.

3.4. De man en de vrouw waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is geëindigd door echtscheiding. Het desbetreffende vonnis van de rechtbank is op 12 juli 1993 ingeschreven in de registers van de burgelijke stand.

3.5. De gewezen echtelieden zijn voornemens de onverdeelde gemeenschap aldus te scheiden dat nominaal ƒ 13.000 aandelen in belanghebbende worden toegescheiden aan de man en nominaal ƒ 12.000 aan de vrouw.

3.6. De vrouw is voornemens direct daarna de aan haar toegescheiden aandelen te verkopen aan een daartoe door de man op te richten vennootschap.

3.7. De man is voornemens onmiddellijk na deze verkoop ook de aan hem toegescheiden aandelen over te dragen aan laatstbedoelde vennootschap tegen uitreiking van aandelen in die vennootschap.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

Tussen partijen is in geschil of - zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur ontkent - de voorgenomen rechtshandelingen als bedoeld onder 3.5 tot en met 3.7 een situatie zouden doen ontstaan als bedoeld in artikel 8b, lid 1, van de Uitvoeringsregeling.

Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerder vermelde pleitnota's.

Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht. Belanghebbendes gemachtigde heeft aldaar nog aangevoerd:

De vrouw heeft tot de echtscheiding net zo hard in de onderneming gewerkt als de man. Man en vrouw achten een verdeling van de ƒ 25.000 nominaal aandelen bij helfte redelijk.

5. Overwegingen omtrent het geschil

5.1. Uitvoering van het voornemen tot het verrichten van de onder 3.5 tot en met 3.7 bedoelde rechtshandelingen zouden een situatie doen ontstaan die, althans naar de letter, overeenstemt met een situatie als omschreven in artikel 8b, lid 1, van de Uitvoeringsregeling.

5.2. De Inspecteur is echter van mening dat de faciliteit van artikel 40a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) en artikel 8b, lid 1, van de Uitvoeringsregeling hier toepassing mist, aangezien, naar hij stelt - zulks onder verwijzing naar de resolutie van 13 juni 1991, zoals gewijzigd bij resolutie van 23 februari 1993, BNB 1993/131 - geen sprake is van een reële bedrijfsopvolging.

5.3. Artikel 40a, onderdeel d, van de Wet en artikel 8b, lid 1, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling bevatten geen eisen met betrekking tot de periode gedurende welke de in die bepaling bedoelde anderen (in casu de vrouw) in het bezit van de desbetreffende aandelen moeten zijn geweest.

5.4. Overigens dient te worden bedacht dat nominaal ƒ 25.000 aandelen behoorden tot de door de echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap.

5.5. Zoals de Inspecteur heeft aangevoerd is artikel 40a van de Wet te beschouwen als een codificatie van de inmiddels ingetrokken resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 7 februari 1989, BNB 1989/84.

5.6. De resolutie voorzag in een faciliteit voor het geval een aandeelhouder zijn gehele belang in een werkmaatschappij zou overdragen aan een houdstermaatschappij en de overige aandeelhouders hun aandelen in de werkmaatschappij zouden overdragen aan een houdstermaatschappij in de vorm van aandelenruil. De faciliteit hield in dat heffing van inkomstenbelasting ter zake van de aandelenruil achterwege zou blijven indien de ruil voldoet aan de in paragraaf 2, sub e, gegeven omschrijving van het begrip "gefacilieerde aandelenruil" en aan de overige in de resolutie neergelegde voorwaarden.

5.7. Een aandelenruil als bedoeld onder de vaststaande feiten, sub 3.7, voldoet geheel aan evenbedoelde omschrijving.

5.8. Ook overigens zou naar 's Hof oordeel de in casu voorgenomen aandelenruil in aanmerking zijn gekomen voor toepassing van de vorenbedoelde faciliteit op basis van de resolutie.

5.9. De door Inspecteur gestelde eis aangaande een "reële bedrijfsopvolging" is niet in de resolutie terug te vinden. Bovendien miskent de Inspecteur met het stellen van die eis dat de onderhavige onderneming niet wordt gedreven door de aandeelhouders, doch door de desbetreffende vennootschap.

5.10. De wetsgeschiedenis van artikel 40a van de Wet bevat geen aanwijzing dat de wetgever de reikwijdte van de faciliteit verder heeft willen beperken dan in de tekst van die bepaling en artikel 8b van de Uitvoeringsregeling is neergelegd.

5.11. Belanghebbende heeft nog gesteld: dat de beoogde rechtshandelingen een zakelijk karakter dragen; dat het belang van de continuïteit van de onderneming meebrengt dat de ex-echtgenoten niet beiden daarin zeggenschap hebben; dat voor de gekozen weg in redelijkheid geen alternatief bestaat; dat andere oplossingen zo duur zijn dat hetzij de vennootschappen, hetzij de voorzettende aandeelhouder met (rente)betalingen worden geconfronteerd die in redelijkheid niet zijn op te brengen. Het Hof heeft geen reden aan de juistheid van deze stellingen te twijfelen.

5.12. Gelet op het vorenoverwogene acht het Hof toepassing van artikel 40a van de Wet in een geval als het onderhavige niet in strijd met doel en strekking van de Wet.

5.13. Het beroep moet derhalve gegrond worden geoordeeld.

6. Proceskosten

In de omstandigheid dat het beroep van belanghebbende gegrond is, vindt het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Deze kosten stelt het Hof op de voet van het Besluit proceskosten fiscale procedures vast op ƒ 2.861,66, gespecificeerd als volgt: kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand 2 maal ƒ 710 maal wegingsfactor 2 en kosten van uittreksel uit een openbaar register ƒ 21,66.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- beslist dat de voorgenomen rechtshandelingen een situatie doen ontstaan als bedoeld in artikel 8b, lid 1, van de Uitvoeringsregeling;

- gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 75.

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten ad f 2.861,66 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld in raadkamer op 24 februari 1995 door mrs. H.L. Krans, vice-president, B.W. Biemond en J.W.M. Tijnagel, raadsheren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F.J. Crabbendam.

Crabbendam Krans

coll.:

aangetekend aan

partijen verzonden:17 maart 1995

[Zie ook arrest HR nummer 31161 (red.)]