Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1994:AA4464

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-05-1994
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
921823
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1994/2659, 1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE,

tweede meervoudige belastingkamer.

2 mei 1994

nummer: 921823

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., gevestigd te Z, tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen P, betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Naheffingsaanslag, kwijtscheldingsbesluit en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is, gedagtekend 20 juni 1990, een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1985 tot en met 1989. De nageheven enkelvoudige belasting beloopt ƒ 5.619 over welk bedrag de verhoging als bedoeld in artikel 21, lid 1, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (100 percent) is toegepast. Deze verhoging heeft de Inspecteur direct bij het opleggen van de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot op 50 percent.

1.2. De naheffingsaanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Bij zijn bij die uitspraak ingevolge artikel 25, lid 5, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genomen besluit heeft de Inspecteur besloten van de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging geen verdere kwijtschelding te verlenen dan reeds ambtshalve direct bij het opleggen van de naheffingsaanslag was verleend.

2. Loop van het geding

Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak en van bovenvermeld kwijtscheldingsbesluit in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van ƒ 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 23 september 1993, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen A als gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur, tot zijn bijstand vergezeld van B.

3. Vaststaande feiten

Gelet op de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is opgericht bij akte van 19 augustus 1983. Het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap bedraagt

ƒ 175.000, waarvan ƒ 35.000 is geplaatst en volgestort.

A voornoemd was directeur van belanghebbende. Hij is vanaf 19 maart 1990 commissaris van belanghebbende. Sedert evengenoemde datum is zijn echtgenote, C, de enige bestuurder van de vennootschap.

3.2. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel en fabrieken voor Q is de bedrijfsomschrijving van belanghebbende als volgt:

"1. Het beleggen in de meest ruime zin des woords. De handel in roerend en onroerend goed, import en export daaronder begrepen in het algemeen en in het bijzonder het doen van dit een en ander betreffende speelgoedartikelen, alsmede het exploiteren van een uitzendburo, en dienstverlening.

2. Het samenwerken met, deelnemen in of het voeren van directie over - casu quo het zich financieel - of op enige andere wijze interesseren in andere ondernemingen of vennootschappen".

3.3. Het vermogen van belanghebbende bestaat voor een deel uit obligaties - ter waarde van ongeveer ƒ 29.000 - die bij een bank in bewaring zijn gegeven. Zij heeft op die obligaties rente ontvangen. Daarnaast ontvangt zij rente op een banktegoed.

3.4. Belanghebbende heeft in de loop der tijd de volgende goederen

aangeschaft: een spelcomputer, twee andere computers, een video met videokast, een kleurentelevisie, een bureau, kasten, stoelen,

vloerbedekking, een ladder, een versterker, een brandkast, een datarecorder en een tweezits-bank.

In december 1989 heeft belanghebbende uit haar inventaris één computer verkocht.

3.5. In de jaren 1985 tot en met 1989 is belanghebbende omzetbelasting in rekening gebracht, respectievelijk ƒ 278, ƒ 1.780, ƒ 1.772, ƒ 392 en ƒ 1.397. Die belasting heeft belanghebbende als zogenoemde voorbelasting in aftrek gebracht.

3.6. Bij belanghebbende is in 1987 een zogenoemd flitsonderzoek ingesteld betreffende de omzetbelasting. Volgens het verslag dat ter zake hiervan door de controlerend ambtenaar is opgemaakt, zijn toen alleen de boekjaren 1982 tot en met 1985 in het onderzoek betrokken. Dat onderzoek heeft niet geleid tot naheffing van omzetbelasting.

3.7. Begin 1990 is vanwege de Inspecteur bij belanghebbende opnieuw een boekenonderzoek ingesteld. Tijdens dit onderzoek zijn de aangiften omzetbelasting betreffende de jaren 1985 tot en met 1989 en de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 1988 nader onderzocht.

3.8. Belanghebbende heeft geen activiteiten voor derden verricht. Zij heeft alleen voor zichzelf activiteiten ontplooid. Die activiteiten hebben niet geleid tot opbrengsten anders dan de onder 3.3 bedoelde rente en de verkoopopbrengst van een computer.

3.9. In de loop van het geding heeft de Inspecteur verklaard dat de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging dient te vervallen.

3.10. Met de onderwerpelijke naheffingsaanslag heeft de

Inspecteur de in aftrek gebrachte, onder 3.5 vermelde, belasting - in totaal ƒ 5.619 - nageheven.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is de vraag of de Inspecteur de onder 3.10 bedoelde belasting terecht heeft nageheven, welke vraag belanghebbende ontkennend, doch de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Aanvankelijk was ook het kwijtscheldingsbesluit met betrekking tot de verhoging in geschil, doch dit geschilpunt behoeft geen beslissing meer nu de Inspecteur heeft verklaard dat de verhoging dient te vervallen.

4.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken.

4.4. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch daaraan geen grieven of weren toegevoegd, behoudens dat de Inspecteur ter zitting nog het volgende, kort samengevat, heeft aangevoerd:

Het in 1987 uitgevoerde onderzoek was geen volledig onderzoek maar een zogenoemd flitsonderzoek waarbij de controlerend ambtenaar, anders dan belanghebbende heeft gesteld, de administratie van belanghebbende betreffende de jaren 1986 en 1987 niet heeft onderzocht. Dat onderzoek heeft niet geleid tot naheffing van omzetbelasting. Die gedragslijn heeft betreffende de omzetbelasting voor de jaren tot en met 1985 geen dan wel verhoudingsgewijs geringe gevolgen gehad.

5. Conclusies van partijen

Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert nader, zo begrijpt het Hof, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de naheffingsaanslag tot op f 5.619 aan enkelvoudige belasting, zonder toepassing van een verhoging.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of belanghebbende ondernemer is in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).

6.2. Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, dient de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waaruit kan volgen dat zij een bedrijf uitoefent als bedoeld in artikel 7 van de Wet.

6.3. Vaststaat dat belanghebbende geen activiteiten voor derden heeft verricht. Zij heeft met haar activiteiten ook geen opbrengsten anders dan rente en de verkoopopbrengst van een computer gegenereerd.

6.4. De aankoop van de onder 3.4 bedoelde goederen is naar 's Hofs oordeel op zichzelf niet aan te merken als de uitoefening van een bedrijf.

6.5. De stelling van de Inspecteur dat de verkoop van een computer slechts een incidentele prestatie betrof, acht het Hof, bezien in het licht van de vaststaande feiten, aannemelijk.

6.6. Uit hetgeen onder 3.3 is weergegeven, leidt het Hof af dat de activiteiten van belanghebbende betreffende haar obligaties en haar banktegoed zich louter beperken tot vermogensbeheer. Op grond van evenbedoelde activiteiten kan niet worden gezegd dat belanghebbende een lichamelijke of onlichamelijke zaak exploiteert om daaruit duurzaam opbrengst te verkrijgen.

6.7. Het Hof is, gelet op hetgeen onder 6.3 tot en met 6.6 is overwogen, van oordeel dat belanghebbende met hetgeen zij in het geding heeft aangedragen het van haar onder 6.2 verlangde bewijs niet heeft geleverd. Dit brengt mee dat belanghebbende geen ondernemer is in de zin van artikel 7 van de Wet.

6.8. Tijdens het onder 3.6 bedoelde boekenonderzoek heeft de controlerend ambtenaar volgens zijn verslag alleen een flitsonderzoek ingesteld betreffende de jaren 1982 tot en met 1985. Belanghebbende heeft, nu zulks door de Inspecteur wordt betwist, niet aannemelijk gemaakt dat ook de aangiften omzetbelasting betreffende de jaren 1986 en 1987 in dat onderzoek zijn betrokken.

6.9. Het evenbedoelde onderzoek heeft niet geleid tot naheffing van omzetbelasting. De Inspecteur heeft ter zitting onweersproken aangevoerd dat die gedragslijn betreffende de omzetbelasting voor de jaren tot en met 1985 geen dan wel verhoudingsgewijs geringe gevolgen heeft gehad.

6.10. Het Hof is op grond van het overwogene onder 6.8 en 6.9 van oordeel dat belanghebbende aan die gedragslijn niet het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat zij voor de heffing van omzetbelasting als ondernemer is aangemerkt.

6.11. Uit al het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende de onder 3.5 weergegeven omzetbelasting ten onrechte als voorbelasting in aftrek heeft gebracht. De Inspecteur heeft die belasting dan ook terecht nageheven.

6.12. Nu de Inspecteur in de loop van het geding de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging heeft laten vallen, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot op ƒ 5.619 aan enkelvoudige belasting zonder toepassing van een verhoging.

7. Proceskosten

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

7.2. In het geding is gesteld noch aannemelijk geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1, letters a en b, van het Besluit proceskosten fiscale procedures. Voorts is A voornoemd in een samenhangende zaak (nummer: 911417) reeds een vergoeding toegekend in zijn reis- en verletkosten, zodat het Hof redelijkerwijs geen termen meer aanwezig acht de Inspecteur in deze kosten te veroordelen.

7.3. Met inachtneming van het onder 7.2 overwogene en het bepaalde in artikel 1 in verbinding met artikel 2, lid 1, letter e, van het evengenoemde besluit stelt het Hof de kosten betreffende het onder 3.2 bedoelde uittreksel vast op ƒ 19,40.

7.4. Als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden wijst het Hof de Staat der Nederlanden aan.

8. Beslissing

Het Gerechtshof VERNIETIGT de uitspraak waarvan beroep, VERMINDERT de naheffingsaanslag tot op ƒ 5.619 aan enkelvoudige belasting zonder toepassing van een verhoging, VEROORDEELT de Inspecteur tot betaling van de proceskosten ad ƒ 19,40 welke moeten worden vergoed door de Staat der Nederlanden en GELAST dat door de Inspecteur aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 75.

Aldus vastgesteld in raadkamer op 2 mei 1994 door mrs. H.L. Krans, vice-president, B.W. Biemond en J.W.M. Tijnagel, raadsheren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. M.J.M. Tetteroo.

Tetteroo Krans

Van de beslissing omtrent de verhoging zal mededeling worden gedaan ter openbare terechtzitting van 16 juni 1994.

coll.:

aangetekend aan partijen verzonden: 27 mei 1994

[Zie ook arrest HR nummer 30432a (red.)]