Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:1993:1

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-01-1993
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
91/1364
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst afkoop alimentatieverplichting; ontbindende voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak 15 januari 1993

rolnr 91/1364

rolnr rb. 5260/90

Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage, kamer IV B,

heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1],

appellante, de vrouw,

procureur : mr M.R. Mantz,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde, de man,

procureur : mr F. van Leeuwen.

Het geding

1.1.

Bij exploit van 10 juni 1991, hersteld bij exploit van 30 augustus 1991, is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van 18 maart 1991, door de rechtbank te Rotterdam tussen partijen gewezen.

1.2.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daarover in haar aangevallen vonnis heeft vermeld.

1.3.

Bij memorie van grieven heeft de vrouw vijf grieven aangevoerd.

1.4.

Bij memorie van antwoord heeft de man de grieven bestreden.

1.5.

Vervolgens hebben de partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

De grieven 1 en II betreffen de vraag of de op 10 mei 1989 tot stand gekomen overeenkomst een aanvullende of een zelfstandige overeenkomst was.

2.2.

Tussen partijen was in begin december 1988 een overeenkomst tot afkoop van de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw gesloten, waaraan twee ontbindende voorwaarden waren verbonden, namelijk een financieringsbeding en een beding dat de overeenkomst zou zijn ontbonden indien de afkoopsom niet op 15 december 1988 was betaald.

2.3.

De laatste voorwaarde was uitdrukkelijk een voor waarde waaronder de vrouw de overeenkomst sloot. De man had op 10 mei 1989 nog niets betaald als afkoopsom, maar had alimentatie betaald alsof deze niet was afgekocht.

2.4.

Vervulling van een ontbindende voorwaarde doet een Overeenkomst teniet. Hiertoe is niet vereist dat een partij deze nietigheid inroept, tenzij die partij dat voor zich had bedongen, hetgeen niet is geschied. Met de rechtbank merkt het hof de eerste overeenkomst dus aan als teniet gegaan, zodat de op 10 mei 1989 tot stand gekomen overeen komst als zelfstandige overeenkomst moet worden aangemerkt.

Hieraan doet niet af dat de partijen, op de zelfde wijze als na afgesprongen onderhandelingen gebruikelijk is, later en, blijkens productie 14 bij de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, kennelijk op initiatief van de vrouw, op of omstreeks 4 april 1989 de draad weer hebben opgepakt waar die was blijven liggen toen de ontbindende voorwaarde in vervulling ging en dat zij vervolgens opnieuw overeenstemming hebben bereikt over een weinig afwijkende overeenkomst.

2.5.

De grieven 1 en II falen dus. Daarom heeft de vraag of ook de andere ontbindende voorwaarde was vervuld voor de uitslag van dit geding geen belang meer.

3.1.

In de grieven III en IV bestrijdt de vrouw het oordeel van de rechtbank dat zij de man voor of op 10 mei 1989 had moeten verwittigen van haar hertrouwplannen. Zij stelt, voor het eerst in hoger beroep, op 14 mei 1989 onverwacht ten huwelijk te zijn gevraagd.

3.2.

Bij repliek had de man gesteld dat zij op 10 mei 1989 vermoedelijk reeds samenwoonde met haar beoogde echtgenoot, dat althans bij haar bekend was dat zij binnen afzienbare tijd zou huwen. Bij dupliek heeft de vrouw hiertoe het zwijgen gedaan en deze stellingen dus niet betwist. Wel heeft zij uitvoerig betoogd dat zij in december 1988 geen hertrouwplannen had.

3.3.

In hoger beroep stelt de man dat de vrouw hem, voordat de overeenkomst op 10 mei 1989 tot stand kwam, had moeten mededelen over hetzij samenwoning als ware zij gehuwd hetzij het vooruitzicht op een huwelijk of op zulk een samenwoning op korte termijn. De vrouw heeft niet gesteld dat beide vooruitzichten op 10 mei 1989 ontbraken, hetgeen van haar, na het door de man uitgesproken vermoeden dat zij op 10 mei 1989 al samenwoonde, mocht worden verwacht. Er moet dus van worden uitgegaan dat het voornemen tot samenleving in de zin van artikel 1:160 B.W. op 10 mei 1989 al bestond. Daarover had de vrouw de man moeten inlichten. Haar grieven II en IV falen daarom.

4. Grief V heeft na het voorgaande geen zelfstandige betekenis meer en blijft dus onbesproken.

5. Nu alle grieven falen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.

Beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van 18 maart 1991 van de rechtbank te Rotterdam;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de man aan salaris tot op deze uitspraak begroot op f. 4.100,-.

Dit arrest is gewezen door mrs Pieters, Koning en Van den Wildenberg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 januari 1993 in het bijzijn van de griffier.