Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BZ1117

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
200.108.017
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wijziging van de inleidende beschikking mag niet zover gaan dat daardoor een geheel ander feitencomplex aan de beschikking ten grondslag wordt gelegd. Bij de betrokkene kon redelijkerwijze misverstand ontstaan over de vraag welk verwijt hem werd gemaakt. Vernietiging sanctie.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13, geldigheid: 2012-12-05
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a, geldigheid: 2012-12-05
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2012-12-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2013/129

Uitspraak

WAHV 200.108.017

5 december 2012

CJIB 149132362

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zutphen

van 25 april 2012

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. F.A. ten Berge, kantoorhoudende te Utrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Zutphen genomen beslissing gedeeltelijk gegrond verklaard en de inleidende beschikking gewijzigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 180,- opgelegd ter zake van “geen voorrang verlenen bord B6 (feitcode R548)”, welke gedraging zou zijn verricht op 17 januari 2011 om 14:12 uur op de Vordenseweg te Hengelo.

2. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter de omschrijving van de gedraging gewijzigd in die van de gedraging met feitcode R545, te weten "tijdens het rijden mobiele telefoon vasthouden". De kantonrechter heeft tot die wijziging besloten nadat de behandeling van de zaak ter zitting van 7 december 2011 op verzoek van de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie was aangehouden teneinde deze in de gelegenheid te stellen een aanvullend proces-verbaal van de verbalisant op te vragen. Op grond van die aanvullende informatie heeft de kantonrechter beslist tot voormelde wijziging.

Hij overwoog daartoe:

"Het staat de officier van justitie vrij om de inleidende beschikking (dan wel de motivering ervan) te wijzigen, al dan niet naar aanleiding van het ingediende beroepschrift of ingewonnen inlichtingen bij de verbalisant. Appellant heeft ter zitting van 7 december 2011 niet ontkend dat hij de hem thans verweten gedraging heeft begaan. De kantonrechter heeft daarom ook geen reden te twijfelen aan de juistheid van de waarnemingen van de verbalisant die aan het opleggen van de sanctie ten grondslag liggen (…). Dat correctie niet eerder heeft plaatsgevonden komt omdat appellant in zijn initiële beschikking (het hof leest: beroepschrift) geen open kaart heeft gespeeld."

3. De advocaat-generaal heeft in zijn verweerschrift de vraag opgeworpen of de betrokkene door voormelde wijziging van de feitcode in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

De gemachtigde van de betrokkene heeft in dit verband aangevoerd dat er gedurende de procedure diverse fouten zijn gemaakt en dat de betrokkene door de wijziging van de omschrijving wel degelijk in zijn verdedigingsbelang is geschaad, nu de gewijzigde feitcode een geheel ander feit betreft.

4. Uit het dossier blijkt het volgende:

De betrokkene heeft bij schrijven d.d. 22 februari 2011 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. Het beroep houdt in, voor zover van belang:

"De beschikking is niet juist, dan wel onrechtmatig afgegeven want ik heb de genoemde overtreding in de beschikking niet begaan. Mocht u een andere mening toegedaan zijn dan verzoek ik u mij een afschrift te zenden van het Procesverbaal zodat ik kan vernemen wat betrokken agenten ter plaatse hebben waargenomen."

Op dit beroepschrift is zijdens de CVOM niet inhoudelijk gereageerd. Bij beslissing d.d. 28 mei 2011 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard en overwogen:

"U hebt beroep ingesteld tegen de opgelegde sanctie. U stelt dat u (op het genoemde pleegtijdstip) niet op de pleeglocatie bent geweest dan wel dat u niet bent staandegehouden. De officier van justitie overweegt dat de betreffende verbalisant een beëdigd politieambtenaar is die de personalia ten tijde van de staandehouding aan de hand van het getoonde identiteitsbewijs heeft vastgesteld. Hiermee staat vast voor de officier van justitie vast dat de betreffende gedraging door u is begaan."

5. Bij schrijven d.d. 4 juli 2011 heeft de betrokkene beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, inhoudende voor zover van belang:

"De Beslissing van de officier van justitie op mijn beroep tegen de beschikking is gezien alle onjuistheden automatisch aangemaakt, waarnaast bij mij sterk de indruk bestaat dat de officier niet eens de moeite heeft genomen mijn beroepschrift van 22 februari laatstleden te lezen en inhoudelijk te beoordelen. (…). Ik heb de vermeende overtreding die vermeld is in de Beschikking niet gepleegd waardoor de afgegeven Beschikking niet juist is en dus ook onrechtmatig afgegeven. Ten 2e heb ik in mijn beroepschrift van 22 februari helemaal niet geschreven dat ik niet op de pleeglocatie ben geweest dan wel dat ik niet ben staande gehouden, ik snap werkelijk niet waar de officier van justitie dit vandaan haalt. (…). In de Beschikking staat dat ik geen voorrang verleend zou hebben op de Vordenseweg te Hengelo wat ik pertinent betwist.

Ik heb derhalve in mijn beroepschrift verzocht mij een afschrift te sturen van het Procesverbaal zodat ik kan vernemen wat de betrokken agenten ter plaatse hebben waargenomen. Genoemd afschrift heb ik echter nooit van de officier ontvangen. Ik verzoek u mij alsnog een afschrift te sturen van het Procesverbaal zodat ik kan vernemen wat de betrokken agenten ter plaatse hebben waargenomen. Omdat ik genoemd vergrijp niet gepleegd heb verzoek ik u nogmaals de Beschikking te vernietigen alsmede de Beslissing van de officier van justitie te vernietigen."

6. Bij schrijven d.d. 16 september 2011 heeft de officier van justitie de betrokkene meegedeeld dat hij aanvullende stukken heeft opgevraagd bij de opsporingsinstantie en dat hij deze toestuurt. Uit het dossier valt af te leiden dat dit het zaakoverzicht van het CJIB d.d. 16 september 2011 betreft. Dit zaakoverzicht vermeldt de gedragingsgegevens zoals in de inleidende beschikking vermeld. In de toelichting is achter feitcode 06 vermeld: Nokia. Achter code 08 is vermeld: 62 jo. bord B6 RVV 1990.

7. Het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter d.d. 7 december 2011 houdt als verklaring van de betrokkene in:

"Op 17 januari 2011 ben ik staandegehouden omdat ik mobiel aan het bellen was. Dit staat ook op de aankondiging. Op de beschikking die ik thuis gestuurd heb gekregen staat echter dat ik een voorrangsfout heb gemaakt. Ik vraag me daarom ook af wat er nou is waargenomen. Ik heb daarom om het proces-verbaal gevraagd. Ik heb dit proces-verbaal (zaakoverzicht) echter pas ontvangen nadat ik beroep heb ingediend bij de kantonrechter. (…). Over het feit dat ik een voorrangsfout gemaakt zou hebben, wil ik aangeven dat ik op een voorrangsweg reed. Ik heb geen voorrangsfout gemaakt. In het zaaksoverzicht, regel 6 van de toelichting, staat dat ik een Nokia telefoon bij mij had. Ik vraag me af waarom dit hierin staat als het om een voorrangsfout gaat."

8. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 29 december 2011 van de verbalisant naar aanleiding van voormelde zitting van 7 december 2011 houdt onder meer in:

"Ik heb op de aankondiging van beschikking vermeld dat ik zag dat betrokkene mobiel aan het bellen was. Bij de feitcode heb ik, verbalisant, R545 vermeld. Op de achterzijde van de aankondiging van beschikking heb ik bij reden van de wetenschap genoteerd: Optie nummer 5 en Nokia. Optie nummer 5 houdt in dat betrokkene [betrokkene] de mobiele telefoon in zijn linkerhand hield tijdens het begaan van de gedraging (…).

Kennelijk heeft men bij het Team Centrale Verwerking Bekeuringen de feitcode welke ik genoteerd heb verkeerd geïnterpreteerd, namelijk niet als feitcode R545 maar als feitcode R548. Feitcode R548 staat voor geen voorrang verlenen bord B6. Betrokkene heeft, zoals hij terecht stelt, op 17 januari 2011 om 14:12 uur geen gedraging verricht met betrekking tot voorrang verlenen."

9. Voor het antwoord op de vraag of de betrokkene door de wijziging van de inleidende beschikking in zijn verdediging is geschaad heeft de rechter te beoordelen of de beschikking zodanige onjuistheden bevatte dat bij de betrokkene redelijkerwijze misverstand kan zijn ontstaan omtrent de vraag op welke gedraging de administratieve sanctie betrekking had en waartegen hij zich had te verdedigen (vgl. Hoge Raad 20 april 1993, ZC9252, VR 1993,109).

10. In het onderhavige geval staat vast dat de inleidende beschikking een onjuiste feitcode en daardoor een onjuiste omschrijving van de gedraging inhoudt. Nu de aard van het feitencomplex dat aan de inleidende beschikking ten grondslag ligt een geheel andere is dan het feitencomplex waarvoor de betrokkene is staandegehouden, is het hof van oordeel dat daardoor bij de betrokkene redelijkerwijze misverstand kon ontstaan omtrent de vraag welk verwijt hem werd gemaakt en waartegen hij zich had te verdedigen. In aanmerking genomen dat de onjuistheid een substantieel onderdeel van de beschikking betreft alsmede de omstandigheid dat de officier van justitie gedurende de fase van het administratieve beroep en ook na instelling van beroep bij kantonrechter heeft gepersisteerd in de juistheid van de inleidende beschikking mocht van de betrokkene ook niet worden verwacht dat hij begreep dat er sprake was van een vergissing. Daargelaten dat ook in WAHV-zaken heeft te gelden dat van een appellant niet mag worden verwacht dat hij zelf het bewijs aandraagt voor de juistheid van de opgelegde sanctie, bestaat er daarom geen grond voor het verwijt van de kantonrechter dat de betrokkene geen open kaart zou hebben gespeeld.

11. Voor zover de kantonrechter heeft gesteld dat het de officier van justitie vrij staat om de inleidende beschikking te wijzigen overweegt het hof het volgende.

Het hof heeft eerder overwogen (Hof Leeuwarden 28 oktober 2009, BK1036) dat de officier van justitie in het kader van de rechtsbescherming op grond van de WAHV een eigen relevante positie heeft, en anders dan de kantonrechter, ook op doelmatigheidsgronden sanctiebeschikkingen kan wijzigen of ongedaan maken.

Anders dan de kantonrechter heeft overwogen dient de officier van justitie evenwel bij wijziging van de sanctiebeschikking de door de jurisprudentie bepaalde grenzen in acht te nemen. Het hof wijst in dit verband op de hiervoor onder 9 aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad en op het arrest van dit hof d.d. 21 mei 2003, LJN AI0969, te vinden op www.rechtspraak.nl. Daaruit volgt dat de bevoegdheid tot wijziging van de beschikking niet zover strekt dat door die wijziging een geheel ander feitencomplex aan de beschikking ten grondslag wordt gelegd.

In het onderhavige geval had de officier van justitie reeds in het eerste beroepschrift van de betrokkene aanleiding kunnen zien de aankondiging van beschikking bij de verbalisant op te vragen. Het hiervoor overwogene brengt mee dat hij op grond daarvan enkel had kunnen besluiten tot vernietiging van de beschikking en eventueel toezending van een nieuwe beschikking met de juiste feitcode.

Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken is gebleken dat de officier van justitie in geen enkele fase van de administratieve procedure, noch na indiening van het beroep bij de kantonrechter zelfstandig onderzoek heeft ingesteld, zodat hij die mogelijkheid onbenut heeft gelaten.

12. Gelet op het hiervoor overwogene onder 9 tot en met 11 heeft de kantonrechter ten onrechte beslist tot wijziging van de inleidende beschikking. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen.

13. Het hof acht termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten, bestaande uit de reiskosten van de betrokkene ten behoeve van het bijwonen van de zitting van de kantonrechter en de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep. In overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht kent het hof een vergoeding toe van € 22,40 voor de kosten van de reis per openbaar vervoer van [woonplaats] naar Zutphen v.v. De gemachtigde heeft in hoger beroep de volgende proceshandelingen verricht: indiening van een beroepschrift (1 procespunt) en indiening van een reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal (0,5 procespunt). Het hof kent aan de zaak wegingsfactor 0,5 (licht) toe. Dat brengt mee dat een vergoeding zal worden toegekend van (1,5 x € 437,- ) x 0,5 = € 327,75. Het totale bedrag van te vergoeden kosten bedraagt € 349,90.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 28 mei 2011, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 149132362 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van €186,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 349,90.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.