Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BZ0177

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
200.111.544/01 en 200.111.548/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag van de moeder. Kinderen op alle gebieden verwaarloosd. Bij een van hen sprake van hongeroedeem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 20 december 2012

Zaaknummer 200.111.544 en 200.111.548

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak met zaaknummer 200.111.544 van

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Friesland en Flevoland, locatie Leeuwarden,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

appellant,

hierna te noemen: de raad.

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. K.E. Wielenga, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Belanghebbenden:

1. Bureau Jeugdzorg Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

hierna te noemen: BJZ,

2. [belanghebbenden 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [pleegouders kind 1],

en in de zaak met zaaknummer 200.111.548 van

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Friesland en Flevoland, locatie Leeuwarden,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

appellant,

hierna te noemen: de raad.

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. K.E. Wielenga, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Belanghebbenden:

1. Bureau Jeugdzorg Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

hierna te noemen: BJZ,

2. [belanghebbenden 3],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [pleegouders kind 2].

Het geding in eerste aanleg

In beide zaken

Bij beschikking van 25 juli 2012 (zaaknummer 119750 / FA RK 12-713) heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het verzoek van de raad, strekkende tot ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen [kind 1], geboren [in 2007] en [kind 2], geboren [in 2009] en tot benoeming van BJZ tot voogd afgewezen.

Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.111.544

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 14 augustus 2012, heeft de raad verzocht de beschikking van 25 juli 2012 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de moeder wordt ontheven van het gezag over [kind 1] en te bepalen dat BJZ wordt belast met de voogdij.

In de zaak met zaaknummer 200.111.548

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 14 augustus 2012, heeft de raad verzocht de beschikking van 25 juli 2012 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de moeder wordt ontheven van het gezag over [kind 2] en te bepalen dat BJZ wordt belast met de voogdij.

In beide zaken

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 2 oktober 2012, heeft BJZ verzocht het beroepschrift van 14 augustus 2012 gegrond te verklaren en de beschikking van 25 juli 2012 inzake afwijzing van de verderstrekkende maatregel voor [kind 1] en [kind 2] te vernietigen, de verzoeken tot ontheffing toe te wijzen en BJZ te belasten met het gezag.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 5 oktober 2012, heeft de moeder het verzoek bestreden en verzocht het beroepschrift van de raad niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, een brief met bijlagen van de raad van 23 augustus en brieven met bijlagen van 29 oktober 2012 en 12 november 2012 van mr. Wielenga.

Ter zitting van 26 november 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de heer Kelderhuis namens de raad, de moeder en haar advocaat, mevrouw Polak en mevrouw Schaafsma namens BJZ, mevrouw [A], pleegmoeder van [kind 2] en de heer [B], vader van [kind 1] en [kind 2]. Mevrouw Polak heeft het woord gevoerd aan de hand van door haar overgelegde pleitnotities.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. [kind 1] en [kind 2] (hierna gezamenlijk ook: de kinderen) zijn geboren uit de affectieve relatie die heeft bestaan tussen de moeder en de vader. De vader heeft de kinderen erkend. De moeder is alleen met het gezag over de kinderen belast. De moeder heeft naast [kind 1] en [kind 2] nog een minderjarige dochter, [kind 3], geboren [in 2004].

2. [kind 1] en [kind 2] staan sinds 19 juni 2009 onder toezicht van BJZ. Bij beschikking van de rechtbank van 8 juni 2012 is de ondertoezichtstelling van Innana en [kind 2] laatstelijk verlengd tot 19 juni 2013.

3. Op 4 januari 2010 zijn [kind 1] (5 jaar) en [kind 2] (3 jaar) uit huis geplaatst. [kind 1] heeft eerst negen maanden bij haar grootouders gewoond en verblijft sindsdien in het pleeggezin in [woonplaats] waar ook [kind 3] verblijft. [kind 2] verblijft bij een tante van de vader en haar echtgenoot. Bij afzonderlijke beschikking van de rechtbank van 8 juni 2012 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] laatstelijk verlengd tot 19 juni 2013.

4. Op 11 januari 2012 is de raad een onderzoek gestart naar een verderstrekkende maatregel ten behoeve van [kind 1] en [kind 2], naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van BJZ, belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2].

5. Op basis van de bevindingen van dat raadsonderzoek, neergelegd in een rapport van 9 mei 2012, heeft de raad de rechtbank op 14 mei 2012 verzocht om de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over Innana en [kind 2] en BJZ tot voogd te benoemen.

6. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Het hoger beroep van de raad richt zich tegen deze beslissing.

Procedureel

7. Het hof zal de vader, anders dan de rechtbank, niet aanmerken als juridisch belanghebbende in deze procedure. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat hij niet mede met het gezag over de kinderen is belast en hen niet als tot zijn gezin behorende heeft verzorgd en opgevoed. Het hof heeft de vader wel toegelaten tot de zitting en hem gehoord in de hoedanigheid van informant.

Juridisch kader

8. Op grond van artikel 1:266 BW kan een ouder van het gezag over zijn kind worden ontheven indien hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging of opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Artikel 1:268 BW bepaalt vervolgens in het eerste lid dat ontheffing niet kan worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, hetgeen in het onderhavige geval aan de orde is, welke regel echter (onder meer) uitzondering lijdt indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat deze maatregel door de in artikel 1:266 BW genoemde onmacht of ongeschiktheid onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden (tweede lid, onder a). Dit betreft het zodanig opgroeien van een minderjarige, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd.

9. Het hof acht aannemelijk op grond van het dossier en de daarin opgenomen rapportages dat [kind 1] en [kind 2] erg beschadigd zijn als gevolg van verwaarlozing op alle gebieden. Zij hadden een groeiachterstand en bij [kind 2] was sprake van hongeroedeem.

[kind 1] heeft zich in het pleeggezin positief ontwikkeld. Zij heeft zich gehecht aan haar pleegouders en ervaart binnen het pleeggezin veiligheid en structuur. Ze is aanhankelijk en vrolijk. Wel heeft ze weinig weerstand en is snel ziek.

[kind 2] is na de uithuisplaatsing sterk vooruitgegaan in zijn ontwikkeling en gaat zich hechten aan zijn pleegouders. Hij vertoonde in het begin erg zorgelijk gedrag zoals het steken van zijn vuist in de keel, braken en dit opeten. Na een bezoekregeling met de moeder had [kind 2] hierin nog wel terugval. [kind 2] heeft nog steeds gedragsproblemen vooral in de zin van motorische onrust en agressie. Hij is in verband hiermee onderzocht door het Autisme Team Noord-Nederland en gaat sinds half december 2011 naar een MOD (Medisch Orthopedagogisch Dagbehandeling).

De kinderen zijn bij hun moeder opgegroeid in een omgeving van liefdeloosheid en machtsmisbruik zonder structuur en stimulans. Het hof heeft dit eerder vastgesteld in zijn beschikking van 15 november 2011 ten aanzien van de machtiging verlenging uithuisplaatsing (zaaknummer 200.091.375).

Het perspectief van de kinderen ligt in hun pleeggezin, immers hen daar weghalen zou hen (opnieuw) beschadigen.

10. Daar komt bij dat een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing als tijdelijke maatregelen zijn bedoeld en niet maar van jaar tot jaar verlengd kunnen worden. Gelet op de duur van de uithuisplaatsing, de jonge leeftijd en de hechting van [kind 1] en [kind 2] moet er voor hen en hun pleeggezinnen duidelijkheid en zekerheid komen over hun opgroeien daar. Daarnaast hebben de kinderen recht op rust, continuïteit en een verder ongestoorde hechting en ongestoorde ontwikkeling.

Hiermee is het belang van [kind 1] en [kind 2] aangegeven. Dit belang moet de eerste overweging vormen bij het nemen van de onderhavige beslissing.

11. Naar het oordeel van het hof schiet de moeder voorts ernstig tekort in haar opvoedingsvaardigheden en werkt zij hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling tegen, onder andere door geen toestemming te geven voor psychologische onderzoeken van de kinderen en het onderzoek van [kind 2] door voornoemd autisme team. Zij is aldus ongeschikt en onmachtig de kinderen te verzorgen en op te voeden en de maatregelen ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zijn onvoldoende om de ontwikkelingsdreiging voor hen af te wenden.

12. De moeder stelt in de toekomst met hulpverlening haar opvoedingsvaardigheden te kunnen verbeteren. De rechtbank heeft vanwege deze mogelijke ontwikkeling het verzoek tot ontheffing afgewezen. Het hof acht deze ontwikkeling niet realistisch nu de moeder, ondanks alle bewijzen hiervoor, blijft betwisten dat de kinderen te weinig te eten kregen. Verder acht het hof het zorgelijk en strijdig met haar stelling dat zij, zoals zij ter zitting heeft aangegeven, alleen in therapie wil bij de GGZ omdat BJZ dit van haar vraagt. Motivatie vanuit haarzelf hiervoor is niet aanwezig. Ook overigens komt naar voren (onder andere uit het rapport van september 2011 van de PI-groep) dat de moeder geen inzicht heeft in de bestaande problemen.

13. BJZ constateert daarnaast tijdens de omgangsmomenten bij de moeder een gebrek aan affectie voor en emotionele aansluiting bij de kinderen waarin zij niet leerbaar lijkt. Tenslotte acht het hof van belang de conclusie van voornoemd rapport van de PI-groep dat de moeder qua persoonlijkheid zeer hoog scoort op psychopatische persoonlijkheidstrekken. Anders dan de moeder acht het hof deze conclusie niet weerlegd door het op verzoek van de moeder uitgebrachte rapport van de GGZ van 25 mei 2012 nu in dit rapport in de conclusie is vermeld dat de onderzoeksbevindingen te weinig validiteit bezitten om conclusies op te baseren.

14. Echter wat hiervan ook zij, mogelijk toekomstige ontwikkelingen aan de kant van de moeder acht het hof niet relevant voor de beslissing tot ontheffing immers het hiervoor omschreven belang van de kinderen om in hun pleeggezin op te groeien moet voorgaan boven de belangen van de moeder om in de toekomst de kinderen weer bij zich te hebben.

15. Gelet op het bovenstaande zal het hof de beschikking van de rechtbank vernietigen en het verzoek van de raad tot ontheffing alsnog toewijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 25 juli 2012 waarvan beroep;

en opnieuw beslissende;

ontheft de moeder van het gezag over [kind 1], geboren [in 2007] en [kind 2], geboren [in 2009];

benoemt Bureau Jeugdzorg Friesland, gevestigd te Leeuwarden, tot voogd over voornoemde minderjarigen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, A.H. Garos en I.A. Vermeulen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2012 in aanwezigheid van de griffier.