Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BY9365

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
24-01-2013
Zaaknummer
200.113.935/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Werknemer - teamleider onderwijs bij HBO-instelling - niet gehouden voorstel tot functiewijziging, dat er op neerkomt dat zij haar huidige werkzaamheden moet beëindigen, te aanvaarden. Geen sprake van gewijzigde omstandigheden waarin de werkgever als goed werknemer aanleiding heeft kunnen zien voorstel tot functiewijziging te doen. Ontstane onrust binnen de opleiding komt voor risico werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0065

Uitspraak

Arrest d.d. 11 december 2012

Zaaknummer 200.113.935/01

(zaaknummer rechtbank: 554917 VV EXPL 12-77)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Stichting Hanzehogeschool Groningen,

gevestigd te Groningen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Hanzehogeschool,

advocaat: mr. D. Lacevic, kantoorhoudende te Groningen,

die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.C.E. Siebenga-Moggré, kantoorhoudende te Zwolle,

die ook heeft gepleit.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 7 september 2012 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 24 september 2012 is door Hanzehogeschool hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 2 oktober 2012.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, die ook de grieven bevat en waaraan producties zijn gehecht, luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis van 7 september 2012, uitgesproken door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, tussen partijen in kort geding gewezen, en opnieuw recht doende, de vorderingen van geïntimeerde als in eerste aanleg ingesteld, als eiser alsnog af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep."

Bij memorie van antwoord, waarbij producties zijn overgelegd, is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, Hanzehogeschool niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering althans deze zal afwijzen, zulks met veroordeling van Hanzehogeschool in de kosten van de procedure in appèl."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten. Bij gelegenheid van het pleidooi zijn door Hanzehogeschool nog enkele producties in het geding gebracht.

Ten slotte heeft Hanzehogeschool de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Hanzehogeschool heeft negen grieven opgeworpen.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 1 (1.1 tot en met 1.10) van het beroepen vonnis de feiten vastgesteld. Nu niet is gebleken van bezwaren tegen deze feitenvaststelling, kan daar in hoger beroep van worden uitgegaan. Met wat verder over de feiten vaststaat, gaat het hof van de volgende feiten uit.

1.1. [geïntimeerde] is vanaf september 1988 werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) Hanzehogeschool, laatstelijk in de functie van teamleider onderwijs (B) met een volledige normbetrekking tegen een salaris van € 5.385,74 bruto per maand exclusief emolumenten.

1.2. Op de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] is van toepassing de CAO-HBO (hierna: de CAO). In de leden 2 tot en met 4 van artikel C-3 van de CAO is het volgende bepaald:

“2. De werknemer wordt bij de hogeschool dan wel bij de rechtspersoon die de hogeschool of het geheel van hogescholen in stand houdt benoemd in een functie bij de hogeschool of bij het geheel van hogescholen.

3. In de arbeidsovereenkomst wordt, mede ter verbetering van de inzetbaarheid, een omschrijving van de hoofdlijnen opgenomen van de door de werknemer te vervullen taken. Uitgangspunt is dat de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft met de hogeschool, zonder dat er een strakke definitie van functie en standplaats geldt. Bij veranderingen in de organisatie van opleidingen kan de functie-inhoud en de plaats waar de werkzaamheden in de regel worden verricht gewijzigd worden, zonder dat de arbeidsovereenkomst aangepast wordt en zonder gevolgen voor de afgesproken arbeidsvoorwaarden.

4. Over belangrijke facetten van de functie-inhoud, de wijziging daarvan en de gevolgen van een wijziging voor onder andere reiskosten en reistijd, pleegt de werkgever overleg met de werknemer. Uitgangspunt hierbij is dat de werkzaamheden gezien het functieniveau van de werknemer redelijkerwijs aan deze werknemer kunnen worden opgedragen. ”

Lid 3 van artikel E-3 van de CAO luidt als volgt:

“Indien het niet mogelijk is de werknemer in relatie tot zijn betrekkingsomvang voldoende bij de functie behorende werkzaamheden op te dragen, kunnen hem andere werkzaamheden worden opgedragen, mits deze mede in verband met zijn persoonlijkheid en functieniveau passend zijn.”

1.3. Sinds september 2005 vervult [geïntimeerde] haar functie op de afdeling Vormgeving van de onder Hanzehogeschool vallende Academie voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Popcultuur Minerva (hierna: Minerva). Haar leidinggevende is mevrouw [de leidinggevende], dean van Minerva. [geïntimeerde] maakt deel uit van het managementteam (MT) van Minerva, dat bestaat uit de vijf teamleiders en de dean.

1.4. [geïntimeerde] is in 2011 en 2012 langdurig (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geweest in verband met, onder meer, hartklachten. Vanwege haar (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid is eind maart 2012 ter ondersteuning van [geïntimeerde] een interim teamleider, in de persoon van mevrouw [interim teamleider], aangesteld bij de afdeling Vormgeving van Minerva.

1.5. Op 14 en 29 mei 2012 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen [geïntimeerde], [de leidinggevende] en een medewerker van P&O van Hanzehogeschool, de heer

[P&O-medewerker]. Daarbij is onder meer gesproken over de optie dat [geïntimeerde] elders binnen Hanzehogeschool werkzaamheden gaat verrichten. In het verslag dat [de P&O-medewerker] op 31 mei 2012 heeft gemaakt van het gesprek van 29 mei 2012 is vermeld dat [geïntimeerde] heeft besloten om te stoppen als teamleider. [geïntimeerde] heeft in een e-mailbericht van 4 juni 2012 aan [de leidinggevende] en [de P&O-medewerker] laten weten niet met dit verslag te kunnen instemmen. Zij heeft onder meer geschreven:

"Met name de zinsnede in de laatste alinea “het besluit van [geïntimeerde] om te stoppen” is een voor misverstand vatbare formulering. Ik heb niet besloten te stoppen als Hoofd Vormgeving maar heb het aanbod van P&O aanvaard om een verkenningstraject aan te gaan naar een gelijkwaardige baan. Uitgangspunt daarbij is een functie van 1 fte in schaal 13.”

De bijlage bij het e-mailbericht bevatte het door [geïntimeerde] gecorrigeerde gespreksverslag.

1.6. In een brief van 6 juni 2012 aan Hanzehogeschool heeft de advocaat van [geïntimeerde] laten weten dat [geïntimeerde] niet instemt met het haar meegedeelde voornemen van [de leidinggevende] om [geïntimeerde] na de zomervakantie niet te laten terugkeren in haar functie.

1.7. De bedrijfsarts van Hanzehogeschool heeft Hanzehogeschool op 15 juni 2012 geadviseerd [geïntimeerde] per 25 juni 2012 volledig hersteld te melden.

1.8. Op 29 juni 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen. Naar aanleiding van dat gesprek heeft [de leidinggevende] in een brief aan de advocaat van [geïntimeerde] d.d. 4 juli 2012 onder meer het volgende geschreven:

“Er zijn een aantal feiten die het noodzakelijk maken dat ik als Dean de positie van mevrouw [geïntimeerde] nader tegen het licht moet houden. Zoals u bekend staat Minerva de komende tijd voor de belangrijke taak om een aantal opleidingen geaccrediteerd te krijgen. Dit zijn uiterst belangrijke maar ook zeer arbeidsintensieve trajecten waarbij een zware inzet van de Teamleider Onderwijs B wordt gevraagd. Wanneer een opleiding niet wordt geaccrediteerd betekent dat een mogelijke sluiting van de opleiding hetgeen desastreus is voor het aanzien van de school, de werkgelegenheid en financiering. Het afbreukrisico van de teamleider (i.c. mw. [geïntimeerde]) in dit belangwekkende proces van accreditatie is hoog en de belangen van Minerva zijn enorm.

De afgelopen jaren is mevrouw [geïntimeerde] veel en langdurig ziek geweest. Laatstelijk van 2 februari 2012 tot 25 juni 2012 (te weten 144 dagen), maar ook de voorafgaande jaren laten een frequent en langdurig ziekteverzuim zien. (…) Het spreekt voor zich dat ik iemand ziekte niet zal en kan verwijten, maar feit is wel dat de ziektehistorie van uw cliënte fors te noemen is. Gezien de cruciale ontwikkelingen die op onze school afkomen is continuïteit in arbeidsinzet essentieel. Een hernieuwde (langdurige) ziekteperiode van de Teamleider Onderwijs zal zodanig grote gevolgen kunnen hebben voor de school als geheel, dat ik mij genoodzaakt zie om maatregelen te treffen.

(…)

Ik heb u aangegeven geen enkel risico te willen lopen in de bedrijfsvoering. Bovendien zijn er tijdens de ziekteperiode van mevrouw [geïntimeerde] een aantal werkinhoudelijke problemen naar voren gekomen die maken dat ik niet tevreden ben over de wijze waarop mevrouw [geïntimeerde] haar werkzaamheden uitvoert. Ik heb in ons gesprek van 29 juni aangegeven op deze problemen niet in te zullen gaan, maar zal deze zeker nog bespreken met mevrouw [geïntimeerde]. Deze functioneringsproblemen heb ik overigens ook al in een gesprek met mevrouw [geïntimeerde] op 16 april jongstleden aangekaart.

Om hiervoor genoemde redenen zal ik de aankomende accreditatie 2013 alsmede de werkzaamheden op het gebied van organisatieontwikkeling èn de werkzaamheden die daaruit voortvloeien bij de interim-teamleider mevrouw [interim teamleider] beleggen.”

Aan het slot van de brief wordt [geïntimeerde] binnen Minerva een afgebakend takenpakket aangeboden dat het volgende behelst:

“- Alle coördinerende taken met betrekking tot Minerva In Context (MIC): dat wil zeggen de

clustering van marketing en communicatie, voorlichting, events (open dagen, projecten,

projectbureau) en externe relaties

- Ondernemerschap

- Alumnibeleid”

1.9. Hanzehogeschool heeft besloten dat [interim teamleider] in het studiejaar 2012-2013 de taken van [geïntimeerde] zal overnemen. In een e-mailbericht van 13 juli 2012 aan het MT van Minerva en aan het docententeam van Vormgeving heeft [de leidinggevende] onder meer geschreven:

“Gisteren heb ik aangegeven dat [interim teamleider], die sinds april werkzaam is als interim teamleider Vormgeving bij Minerva, deze functie het komende studiejaar, net als de afgelopen periode, zal vervullen. Zij gaat zich vooral richten op de werkzaamheden met betrekking tot de accreditatie 2013 én de organisatieontwikkeling. [interim teamleider] zal op deze punten het aanspreekpunt blijven binnen Minerva.”

1.10. [geïntimeerde] heeft geprotesteerd tegen deze gang van zaken en gevorderd dat zij na de zomervakantie haar eigen functie zal kunnen uitoefenen. Hanzehogeschool is bij haar besluit gebleven.

De procedure in eerste aanleg

2. [geïntimeerde] heeft Hanzehogeschool in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter als voorzieningenrechter en heeft gevorderd dat Hanzehogeschool op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt veroordeeld haar in de gelegenheid te stellen haar eigen werkzaamheden als teamleider onderwijs (B) op de afdeling Vormgeving van Minerva te verrichten en dat het Hanzehogeschool wordt verboden de werkzaamheden behorend tot de functie teamleider onderwijs (B) aan een ander op te dragen.

3. De kantonrechter heeft de vorderingen, ondanks het door Hanzehogeschool gevoerde verweer, toegewezen.

Bespreking van de grieven

4. Met grief I betoogt Hanzehogeschool dat de kantonrechter aan een belangrijk verweer is voorbijgegaan, te weten dat [geïntimeerde] een aanstelling heeft die voor de gehele Hanzehogeschool geldt en niet alleen voor de afdeling Vormgeving van Minerva. De grief faalt. [geïntimeerde] is weliswaar aangesteld in de functie van teamleider onderwijs (B) bij de Hanzehogeschool, maar op grond van deze aanstelling bekleedt zij een door Hanzehogeschool specifiek aangeduide functie, te weten die van teamleider onderwijs (B) bij de afdeling Vormgeving van Minerva en niet bij een andere afdeling van Minerva of een afdeling van een ander onderdeel van Hanzehogeschool. Die afdelingen hebben elk een eigen teamleider onderwijs. Na het vonnis van de kantonrechter heeft Hanzehogeschool [geïntimeerde] tweemaal de functie van teamleider onderwijs (B) is aangeboden, eenmaal bij het Stafbureau Marketing en Communicatie en eenmaal bij het Instituut voor Bedrijfskunde. Indien dat dezelfde functies betrof als de functie van [geïntimeerde] bij Minerva zou Hanzehogeschool haar de desbetreffende functies niet hebben aangeboden.

5. Onder deze omstandigheden kan [geïntimeerde] hervatting in de, door Hanzehogeschool zelf ook als zodanig onderscheiden, functie van teamleider onderwijs (B) van de afdeling Vormgeving van Minerva vorderen. Bij de bespreking van de andere grieven zal het hof ingaan op de vraag of deze vordering toewijsbaar is. Bij het antwoord op die vraag zal het ook betrekken hetgeen Hanzehogeschool in de toelichting op de grief heeft gesteld over artikel C-3 van de CAO.

6. Grief II betreft het verweer van Hanzehogeschool dat [geïntimeerde] er in mei 2012 mee heeft ingestemd om haar functie als teamleider onderwijs (B) bij de afdeling Vormgeving van Minerva onmiddellijk, dan wel per 1 september 2012, neer te leggen. De kantonrechter heeft dit verweer verworpen. Het hof leest in de (toelichting op de) grief in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de kantonrechter gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de kantonrechter ter motivering van zijn beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Het hof voegt daaraan toe dat het feit dat ook indien [geïntimeerde] tijdens de gesprekken in mei 2012 zou hebben uitgesproken te willen stoppen met haar functie bij Minerva dat niet betekent dat zij met onmiddellijke ingang, of per 1 september 2012, zou willen stoppen. Dat ligt, gelet op het gegeven dat aan [geïntimeerde] in mei 2012 nog geen andere functie was aangeboden, ook allerminst voor de hand.

7. Hanzehogeschool heeft zich op de artikelen C-3 en E-3 van de CAO beroepen. Volgens haar volgt uit artikel C-3 dat [geïntimeerde] op grond van haar arbeidovereenkomst niet slechts op (de afdeling Vormgeving van) Minerva maar op de gehele Hanzehogeschool inzetbaar is, zodat Hanzehogeschool haar ook buiten de afdeling Vormgeving van Minerva, eventueel in een andere functie dan die van teamleider, mag inzetten. Artikel E3 bevat volgens Hanzeschool een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW en biedt haar de mogelijkheid [geïntimeerde] elders te plaatsen. De kantonrechter heeft overwogen dat de situatie waarin deze bepaling voorziet zich niet voordoet. Met grief III komt Hanzehogeschool op tegen dit oordeel. Volgens Hanzehogeschool geeft de kantonrechter een onjuiste interpretatie van artikel E-3.

8. Het hof stelt bij de bespreking van de grief voorop dat Hanzehogeschool er terecht op wijst dat lid 3 van artikel E-3 dient te worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde CAO-norm, die inhoudt dat voor de uitleg van bepalingen uit een CAO de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de CAO, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Het hof is echter anders dan Hanzehogeschool en met de kantonrechter, van oordeel dat artikel E-3 lid 3 niet van toepassing is op de situatie die is ontstaan bij de afdeling Vormgeving van Minerva. Gesteld noch gebleken is dat voor de functie van teamleider onderwijs (B) bij de afdeling Vormgeving van Minerva onvoldoende werkzaamheden beschikbaar zijn voor een fulltime betrekking. [geïntimeerde] heeft de bij deze functie behorende werkzaamheden ook altijd verricht in het kader van een fulltime betrekking. Dat de omvang van de werkzaamheden is afgenomen, heeft Hanzehogeschool niet gesteld. Het ligt ook niet voor de hand, zeker gelet op hetgeen door Hanzehogeschool is aangevoerd over de accreditatie en het daarmee gemoeide werk. Het punt is dan ook niet dat Hanzehogeschool [geïntimeerde] voor deze functie onvoldoende werkzaamheden kan opdragen, maar dat Hanzehogeschool de bij de functie behorende werkzaamheden niet langer aan [geïntimeerde] wil opdragen. Op die situatie is artikel E-3 lid 3, gelet op de bewoordingen daarvan, niet van toepassing. Gesteld noch gebleken is dat in (de bewoordingen van) andere bepalingen van de CAO aanknopingspunten zijn te vinden voor de door Hanzehogeschool voorgestane uitleg van artikel E-3 lid 3.

9. Nu artikel E-3 lid 3 van de CAO toepassing mist, kan in het midden blijven of het een wijzigingsbeding bevat en wat daarvan de consequenties zijn. De grief faalt.

10. De kantonrechter heeft overwogen dat ook bij het ontbreken van een (op de situatie van toepassing zijnd) wijzigingsbeding goed werknemerschap meebrengt dat de werknemer in het algemeen positief dient in te gaan op redelijke voorstellen van de werkgever, verband houdende met gewijzigde omstandigheden op het werk en een dergelijk voorstel slechts dan mag afwijzen wanneer de aanvaarding ervan redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. De kantonrechter heeft voorts overwogen dat bij de vraag of van de werknemer aanvaarding van een wijziging van de overeenkomst op grond van goed werknemerschap kan worden gevergd eerst dient te worden onderzocht of de werkgever als goed werkgever in de gewijzigde omstandigheden aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een wijzigingsvoorstel, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Pas als die laatste vraag bevestigend wordt beantwoord, is de vraag aan de orde of het gedane voorstel redelijk is, aldus de kantonrechter. Tegen deze overwegingen van de kantonrechter, die overigens zijn gebaseerd op rechtspraak van de Hoge Raad (Hoge Raad 26 juni 1998, LJN: ZC2688 en Hoge Raad 11 juli 2008, LJN: BD1847), is - terecht - niet gegriefd. Ze vormen ook in appel het uitgangspunt van de beoordeling van het beroep van Hanzehogeschool op een door haar gedaan voorstel tot wijziging van de functie.

11. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het beroep van Hanzehogeschool op dat voorstel faalt omdat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Tegen dit oordeel komt Hanzehogeschool op met de grieven IV en V, die met elkaar samenhangen. Het hof zal de grieven dan ook tezamen bespreken. Het hof zal bij de bespreking van de grieven, mede gelet op de devolutieve werking van het appel, tevens de vraag betrekken of Hanzehogeschool als goed werkgever gelet op alle omstandigheden een wijzigingsvoorstel kon doen. Beslissend is immers niet alleen of sprake is van gewijzigde omstandigheden, maar ook of Hanzehogeschool als goed werkgever in deze gewijzigde omstandigheden, gelet op alle omstandigheden van het geval, aanleiding kon zien een wijzigingsvoorstel te doen. Daartoe is, nu [geïntimeerde] bestreden heeft dat Hanzehogeschool als goed werkgever een wijzigingsvoorstel kon doen, onvoldoende dat sprake is van gewijzigde omstandigheden.

12. Hanzehogeschool heeft [geïntimeerde] in juni 2012 laten weten dat zij na de zomervakantie niet meer zou terugkeren in de functie teamleider onderwijs (B) bij de afdeling Vormgeving van Minerva en dat voor haar een andere functie zou worden gezocht. Bij het antwoord op de vraag of Hanzehogeschool toen als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een wijzigingsvoorstel, in elk geval inhoudend dat [geïntimeerde] haar functie na de zomervakantie niet meer zou vervullen, is de situatie in juni 2012 dan ook doorslaggevend.

13. Het staat vast dat Hanzehogeschool in mei/juni 2012 heeft benadrukt dat zij niet het risico wil lopen dat de accreditatie zou mislukken. Volgens Hanzehogeschool is de accreditatie een arbeidsintensief traject waarbij veel wordt gevraagd van de teamleider onderwijs (B). De continuïteit in de arbeidsinzet van de teamleider onderwijs (B) is dan ook cruciaal. Gelet op het recente ziekteverzuim van [geïntimeerde] is het de vraag of [geïntimeerde] die continuïteit wel kan bieden, aldus Hanzehogeschool. Een en ander komt ook naar voren in de hiervoor in rechtsoverweging 1.8 aangehaalde brief van [de leidinggevende] d.d. 4 juli 2012.

14. Naar voorlopig oordeel van het hof vormen de te verwachten accreditatie in combinatie met de ziektegeschiedenis van [geïntimeerde] onvoldoende grondslag voor een wijziging van omstandigheden die een wijzigingsvoorstel rechtvaardigt. Daarbij is allereerst van belang dat de bedrijfsarts [geïntimeerde] per 25 juni 2012 hersteld heeft verklaard. Hanzehogeschool mocht er dan ook niet vanuit gaan dat [geïntimeerde] weer zou uitvallen wegens ziekte. Bovendien had Hanzehogeschool tijdens de periode van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] vanaf maart 2012 voorzien in ondersteuning van [geïntimeerde] in de persoon van [interim teamleider]. In juni 2012 was bekend dat [interim teamleider] ook na de zomervakantie beschikbaar was. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de door Hanzehogeschool hoog op prijs gestelde continuïteit niet kon worden gewaarborgd door de inzet van [geïntimeerde] en [interim teamleider] tezamen, waarbij [interim teamleider] een deel van de taken van [geïntimeerde] kon waarnemen. Ten slotte is bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep gebleken dat aan [geïntimeerde] de functie van teamleider onderwijs (B) aan de afdeling Vastgoed en Makelaardij van het Instituut voor Bedrijfskunde van Hanzehogeschool is aangeboden en dat ook deze afdeling binnenkort geaccrediteerd wordt. Nu de gezondheidssituatie van [geïntimeerde] niet in de weg staat aan het aanbieden door Hanzehogeschool van een functie als teamleider onderwijs (B) aan een te accrediteren opleiding van Hanzehogeschool, heeft Hanzehogeschool onvoldoende onderbouwd dat die gezondheidssituatie in combinatie met de accreditatie van de afdeling Vormgeving van Minerva wèl een onoverkomelijk probleem, en aldus een gewijzigde omstandigheid, vormt. In dit verband acht het hof van belang dat niet aannemelijk is geworden dat de functie teamleider onderwijs B bij de afdeling Vastgoed en Makelaardij (aanzienlijk) minder zwaar voor [geïntimeerde] zou zijn dan bij de afdeling Vormgeving, mede gelet op het feit dat [geïntimeerde] geen relevante ervaring heeft op het gebied van de makelaardij en afgewacht moet worden of het team van de afdeling Vastgoed en Makelaardij een benoeming van een buitenstaander als [geïntimeerde] kan waarderen.

15. Hanzehogeschool heeft in eerste aanleg en in appel tal van aanmerkingen gemaakt op het functioneren van [geïntimeerde]. Zij heeft er verder op gewezen dat [geïntimeerde] een onoplosbaar conflict heeft met haar “rechterhand”, dat de verhouding tussen haar en [de leidinggevende] is vertroebeld en dat het managementteam van Minerva een terugkeer van [geïntimeerde] ongewenst acht. Volgens [geïntimeerde] heeft de kantonrechter deze omstandigheden ten onrechte niet meegewogen bij zijn oordeel dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden.

16. Het hof volgt Hanzehogeschool niet in dit betoog. Het hof acht aannemelijk dat het functioneren van [geïntimeerde] tot juni 2012 niet (serieus) ter discussie is gesteld door Hanzehogeschool. In de brief van [de leidinggevende] van 4 juli 2012, waarin wordt aangegeven waarom [geïntimeerde] niet kan aanblijven in haar functie, wordt het onvoldoende functioneren van [geïntimeerde] weliswaar summier vermeld, maar niet geconcretiseerd. Het conflict tussen [geïntimeerde] en haar “rechterhand” - volgens [geïntimeerde] is het conflict overigens uitgesproken -, was voor Hanzehogeschool tot juni 2012 evenmin reden om in te grijpen. Het is verder aannemelijk geworden dat de verhouding tussen [geïntimeerde] en [de leidinggevende] pas onder spanning is komen te staan toen de visies van [de leidinggevende] en [geïntimeerde] over de toekomst van [geïntimeerde] bij Minerva bleken te divergeren. Bovendien heeft [geïntimeerde] in 2011 en 2012 vanwege ziekte geruime tijd niet of niet volledig gewerkt. In dat licht bezien is het niet verwonderlijk dat achterstanden in haar werk zijn ontstaan, zeker nu Hanzehogeschool pas eind maart 2012 heeft voorzien in ondersteuning van [geïntimeerde]. Nu Hanzehogeschool het functioneren van [geïntimeerde] niet serieus ter discussie had gesteld, een eventueel suboptimaal functioneren ook niet zonder meer los kan worden gezien van de langdurige arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] en het pas laat voorzien in ondersteuning door Hanzehogeschool, Hanzehogeschool in het conflict met [geïntimeerde]s rechterhand geen aanleiding had gezien om in te grijpen en aannemelijk is dat de verhouding tussen [geïntimeerde] en [de leidinggevende] pas onder spanning kwam toen [de leidinggevende] streefde naar het vertrek van [geïntimeerde] bij Minerva, was in juni 2012 geen sprake van gewijzigde omstandigheden waarin Hanzehogeschool als goed werkgever aanleiding kon zien om een wijzigingsvoorstel te doen. Als al sprake was van relevante gewijzigde omstandigheden, lagen deze in de risicosfeer van Hanzehogeschool en was het primair aan Hanzehogeschool om, in overleg met [geïntimeerde] maatregelen te treffen ter verbetering van het functioneren van [geïntimeerde]. Het stond [geïntimeerde] dan ook alleen om die reden al vrij om het haar door Hanzehogeschool gedane aanbod te weigeren. Het hof laat dan nog buiten beschouwing dat niet aannemelijk is geworden dat de door Hanzehogeschool aangeboden alternatieve functie een reële functie betrof.

17. Hanzehogeschool heeft verklaringen overgelegd van het MT van Minerva en van enkele medewerkers met een spilfunctie binnen Minerva. De kern van deze verklaringen is dat een terugkeer van [geïntimeerde] tot spanningen en onrust zal leiden, niet op prijs wordt gesteld en de accreditatie in gevaar kan brengen. Van haar kant heeft [geïntimeerde] verklaringen overgelegd van collega’s die aangeven haar functioneren zeer te waarderen en prima met haar te kunnen samenwerken. Het hof acht het alleszins aannemelijk dat het arbeidsconflict tussen [geïntimeerde] en [de leidinggevende]/Hanzehogeschool zijn weerslag heeft op de situatie binnen Minerva en dat Minerva gebaat is bij een oplossing van dat conflict, zodat alle betrokkenen zich kunnen richten op het verzorgen van onderwijs en het verkrijgen van de accreditatie. In dat licht bezien is begrijpelijk dat het MT van Minerva nu aangeeft dat een terugkeer van [geïntimeerde] niet wenselijk is. Dat laat onverlet dat het arbeidsconflict het gevolg is van de rechtens niet juiste keuze van Hanzehogeschool om [geïntimeerde] niet te handhaven als teamleider onderwijs (B) van de afdeling Vormgeving van Minerva. Nu in juni 2012 geen sprake was van gewijzigde omstandigheden waarin Hanzehogeschool als goed werkgever een wijzigingsvoorstel kon doen, Hanzehogeschool toch een dergelijk voorstel heeft gedaan en de facto ook zonder toestemming van [geïntimeerde] heeft uitgevoerd - [geïntimeerde] is immers niet inde gelegenheid gesteld haar werkzaamheden na de zomervakantie te continueren - kan de onrust die het gevolg is van het daardoor ontstane arbeidsconflict - een conflict dat Hanzehogeschool te verwijten valt - evenmin bijdragen aan het oordeel dat sprake is van rechtens relevante gewijzigde omstandigheden. De ontstane onrust en onvrede liggen in de risicosfeer van Hanzehogeschool.

18. De slotsom is dat de grieven falen.

19. Grief VI is gericht tegen de door de kantonrechter toegepaste termijn waarbinnen Hanzehogeschool [geïntimeerde] in de gelegenheid diende te stellen haar werkzaamheden te hervatten, te weten zeven dagen na betekening van het vonnis. De grief is, blijkens de toelichting, gebaseerd op de gedachte dat de kantonrechter de (hiervoor besproken) verweren van Hanzehogeschool ten onrechte heeft verworpen. Deze gedachte is onjuist, waardoor de grief, die dus geen zelfstandige betekenis heeft, faalt.

20. Grief VII betreft de beslissing van de kantonrechter om Hanzehogeschool ook te verbieden de werkzaamheden behorend tot de functie van teamleider onderwijs (B) bij de afdeling Vormgeving van Minerva aan een ander op te dragen. Anders dan Hanzehogeschool meent, is de kantonrechter met dit oordeel niet buiten de rechtsstrijd getreden. Uit de inleidende dagvaarding van [geïntimeerde] was duidelijk dat [geïntimeerde] doelde op de functie teamleider onderwijs (B) bij de afdeling Vormgeving van Minerva, de door haar beklede functie, en niet op de functie van teamleider onderwijs (B) bij de Hanzehogeschool. Door een en ander uitdrukkelijk in het dictum te vermelden, heeft de kantonrechter de rechtszekerheid, die niet gebaat is bij onduidelijkheid over de reikwijdte van een veroordeling, gediend.

21. De veroordeling staat er niet aan in de weg dat een deel van de bij de functie teamleider onderwijs (B) bij de afdeling Vormgeving van Minerva behorende werkzaamheden in overleg met [geïntimeerde] aan een derde - bijvoorbeeld [interim teamleider] - wordt opgedragen. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is namens [geïntimeerde] ook aangegeven dat [interim teamleider] wat haar betreft kan aanblijven en dat zij bereid is afspraken te maken over een verdeling van de werkzaamheden. Het hof stelt vast dat ook in de periode maart tot juni 2012 het werk tussen [geïntimeerde] en [interim teamleider] is verdeeld.

22. Grief VIII betreft de maximering van de dwangsom. De grief faalt. Het hof acht het door de kantonrechter toegepaste maximum van € 25.000,00 op zijn plaats, mede gelet op het feit dat Hanzehogeschool tot op heden nog niet aan de veroordeling heeft voldaan.

23. Nu [geïntimeerde] niet incidenteel heeft geappelleerd tegen het door de kantonrechter toegepaste maximum en de door Hanzehogeschool ingestelde grieven falen, waardoor het hof niet - opnieuw rechtdoende - een dwangsomveroordeling hoeft op te leggen, komt het door [geïntimeerde] bij gelegenheid van pleidooi in hoger beroep gedane verzoek om het bedrag en de modaliteiten van de dwangsom in goede justitie vast te stellen reeds om die reden niet voor honorering in aanmerking.

24. Grief IX is gericht tegen de proceskostenveroordeling. De grief heeft geen zelfstandige betekenis en faalt.

25. De slotsom is dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal bekrachtigen. Hanzehogeschool zal als de (ook) in appel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 3 punten, tarief II).

De beslissing:

Het gerechthof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Hanzehogeschool in de kosten van het geschil in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 291,00 aan verschotten en op € 2.682,00 voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. H. de Hek, voorzitter, R.A. Zuidema en H.M. Fahner, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 11 december 2012 in bijzijn van de griffier.