Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BY7502

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
28-12-2012
Zaaknummer
200.090.672/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsfout accountant. Waarschuwingsplicht omtrent fiscale consequenties van een voornemen buiten de concrete vraagstelling om. Vraag of de cliënt schade heeft geleden doordat die waarschuwingsplicht niet is nageleefd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/24
RCR 2013/21

Uitspraak

Arrest d.d. 18 december 2012

Zaaknummer 200.090.672/01

(zaaknummer rechtbank: 107137 / HA ZA 09-54)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante]

gevestigd te [woonplaats],

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: het accountantskantoor,

advocaat: mr. J.J.M. van Driel, kantoorhoudende te Amstelveen,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B. Rijpkema, kantoorhoudende te Groningen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en het accountantskantoor en [X] als gedaagden, en uitgesproken op 15 april 2009 en 29 september 2010 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 24 december 2010 is door het accountantskantoor hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis van 29 september 2010 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 14 juni 2011.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij ook producties zijn overgelegd, luidt:

"tot vernietiging van het tussenvonnis door de Rechtbank te Groningen op 29 september 2010 onder zaak/rolnummer 107137/HA ZA 09-54 tussen [geïntimeerde] als eiser en [X] als gedaagde gewezen,

doch uitsluitend ten aanzien van de oordelen van de Rechtbank:

• dat [X] is tekortgeschoten in haar zorgplicht en daarmee in de nakoming van de overeenkomst en in beginsel aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] hierdoor heeft geleden, alsmede de overige onder 4.23 en 4.24 gegeven samenhangende oordelen waarop de Rechtbank deze beslissing baseert; en

• dat het voorschot op het honorarium van de deskundige voor rekening komt van [X] en door haar dient te worden betaald,

en opnieuw rechtdoende de vordering van [geïntimeerde] jegens [X] tot vergoeding van de schade als gevolg van het op 21 december 1995 gegeven advies, af te wijzen, een en ander onder wijziging in zoverre van de eis in hoger beroep."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde], eveneens onder overlegging van producties, verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"IN PRINCIPAAL APPEL:

dat het het gerechtshof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen, het vonnis van Rechtbank Groningen d.d. 29 september 2010, tussen partijen gewezen onder zaak-/rolnummer 107137 / HA ZA 09-54, te bekrachtigen, desnoods onder aanvulling en/of verbetering van gronden, met veroordeling van appellante in de kosten van beide instanties;

IN INCIDENTEEL APPEL:

dat het het gerechtshof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen, het vonnis van de Rechtbank Groningen d.d. 29 september 2010, tussen partijen gewezen onder zaak-/rolnummer 107137 / HA ZA 09-54, te vernietigen, althans te bekrachtigen onder verbetering van de gronden en overwegingen waarop dit vonnis berust, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Door het accountantskantoor is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"in het incidenteel appèl tot afwijzing van het door [geïntimeerde] ingestelde beroep tegen het vonnis van de Rechtbank te Groningen op 29 september 2010 tussen partijen af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appèl."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Het accountantskantoor heeft in het principaal appel vijf grieven opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel vier grieven opgeworpen, genummerd I, II, IV en V.

De beoordeling

De feiten

1. Tegen de feitenvaststelling door de rechtbank zijn geen bezwaren geformuleerd, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Daarmee staat in dit hoger beroep het volgende vast.

1.1. [geïntimeerde] is eigenaar van een boerderij met landerijen. Tussen [geïntimeerde] en het accountantskantoor bestaat een overeenkomst van opdracht. In dit kader stelde het accountantskantoor jaarlijks de jaarrekening op voor [geïntimeerde] en verzorgde namens hem de belastingaangifte. Voorts adviseerde het accountantskantoor [geïntimeerde] op fiscaal gebied.

1.2. Tot 1995 was [geïntimeerde] als boer werkzaam op de boerderij en werd als zodanig als ondernemer aangemerkt door de belastingdienst. Op 21 december 1995 heeft [geïntimeerde] advies ingewonnen bij het accountantskantoor omtrent zijn voornemen zijn landerijen te gaan verhuren. Het accountantskantoor in de persoon van [Y] heeft naar aanleiding hiervan telefonisch contact opgenomen met de belastingdienst. [X] van het accountantskantoor en [geïntimeerde] waren bij dit gesprek aanwezig.

1.3. De inspecteur van de belastingdienst, [naam], heeft naar aanleiding van dit gesprek bij brief van 21 december 1995 gericht aan het accountantskantoor t.a.v. [Y] voornoemd, het volgende meegedeeld:

“Uit het telefoongesprek van hedenmorgen begrijp ik dat de heer [geïntimeerde] van plan is zijn land steeds voor korte termijn te verhuren. Het gaat hierbij om één jarige teeltcontracten en de heer [geïntimeerde] krijgt dit land dan na dit jaar weer ter beschikking. Deze wijze van verhuur zou hij voor maximaal zes jaar willen toepassen. Gedurende deze zes jaren zal de heer [geïntimeerde] zelf in loondienst werkzaam zijn.

Uw vraag aan mij was of de heer [geïntimeerde] deze verhuur als bedrijfsactiviteit kan aanmerken en hij dus niet per 31 december 1995 hoeft af te rekenen. Hij is namelijk van plan om na de hierboven vermelde zes jaar weer als agrariër zelf zijn land te gaan bewerken.

Ik heb er geen bezwaar tegen om de verhuur gedurende zes jaar als bedrijfsactiviteit te beschouwen. De heer [geïntimeerde] hoeft dan ook niet fiscaal zijn onderneming per 31 december 1995 te staken. Wel zal tot staking en afrekening worden overgaan, wanneer de heer [geïntimeerde] zijn verhuur ook na 31 december 2001 zal voortzetten.”

1.4. [geïntimeerde] is vanaf 31 december 1995 zijn land gaan verhuren.

1.5. Op 11 juni 1999 heeft J.J. Zoer in opdracht van de belastingdienst een taxatie uitgevoerd met betrekking tot de landerijen van [geïntimeerde]. Zoer heeft de landerijen op basis van vrije verkoopwaarde per 31 december 1995 getaxeerd op NLG 786.217,- (€ 356.769,-). De taxatie is opgesteld op 13 november 2000.

1.6. Bij brief van 5 maart 2001 heeft het accountantskantoor namens [geïntimeerde] bezwaar gemaakt tegen voornoemde vastgestelde waarde van de landerijen per 31 december 1995. In de brief wordt tevens door [X] van het accountantskantoor onder meer het volgende vermeld:

“In een brief van [inspecteur van de belastingdienst] van 21 december 1995 wordt namelijk niets vermeld over dat bij eventuele verkoop van de landerijen de meeropbrengst en/of dat de waardevermeerdering tijdens verhuur belast is. Wij hebben in het in de brief aangehaalde telefoongesprek gevraagd wat de eventuele gevolgen waren bij verhuur van de landerijen en of de onderneming op moment van verhuur gestaakt moest worden. Indien in deze brief was vermeld dat de waardevermeerdering tijdens verhuur belast is, dan had cliënt in 1995 zijn onderneming gestaakt.”

1.7. In het jaar 2002 heeft [geïntimeerde] zijn onderneming gestaakt.

1.8. De belastingdienst heeft aan [geïntimeerde] een aanslag Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen over het jaar 2002 opgelegd met dagtekening 16 september 2005 ten bedrage van € 221.653,- berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 485.805,-. De belastingdienst heeft de waardestijging van de landerijen gedurende de zes jaren waarin deze landerijen verhuurd waren, gerekend tot de winst waarover inkomstenbelasting moet worden betaald.

1.9. Op 5 september 2005 heeft het accountantskantoor namens [geïntimeerde] bezwaar gemaakt tegen voornoemde aanslag. De Belastingdienst heeft bij uitspraak op het bezwaar van 25 april 2006 de aanslag gehandhaafd. Het accountantskantoor heeft op 6 juni 2006 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 24 april 2007 is het beroep door de Rechtbank Leeuwarden ongegrond verklaard.

1.10. Bij brieven van 3 juni 2002, 25 juni 2002, 15 mei 2007 en 13 juni 2008 heeft [geïntimeerde] het accountantskantoor aansprakelijk gesteld voor alle schade die [geïntimeerde] heeft geleden of nog zal lijden ten gevolge van onjuiste of gebrekkige advisering door dat kantoor.

De vordering en de beslissing van de rechtbank

2. [geïntimeerde] heeft gevorderd, kort gezegd, dat het accountantskantoor wegens het toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht althans op grond van onrechtmatig handelen wordt veroordeeld tot betaling aan hem van € 279.738,71, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten. De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis - waarvan door haar hoger beroep is toegelaten - beslist dat het accountantskantoor in strijd met de op haar rustende zorgvuldigheid heeft geadviseerd en daarom in beginsel aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden. De rechtbank heeft het voornemen uitgesproken om ten behoeve van de begroting van de schade een deskundige te benoemen en heeft beslist dat het voorschot voor rekening van het accountantskantoor komt.

In het principaal appel

Omtrent de laatste memorie van het accountantskantoor

3. De eerste drie pagina's van de memorie van antwoord in het incidenteel appel hebben overwegend betrekking op het principaal appel. Deze memorie heeft dus in zoverre het karakter van een repliek. Dat is niet toegestaan. Het hof zal daarom deze memorie in zoverre voor niet geschreven houden.

De waarschuwingsplicht van het accountantskantoor

4. De grieven I tot en met IV bestrijden vanuit verschillende invalshoeken het oordeel van de rechtbank dat het accountantskantoor in beginsel aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van het feit dat het accountantskantoor hem er niet voor heeft gewaarschuwd dat de landbouwvrijstelling niet zou gelden als hij de landerijen zou gaan verhuren. De consequentie daarvan was dat [geïntimeerde] bij beëindiging van het landbouwbedrijf in fiscale zin inkomstenbelasting (over de stakingswinst) verschuldigd zou zijn ten aanzien van onder meer de waardestijging van die landerijen gedurende de jaren dat sprake was van verhuur. Uit de toelichtingen op de grieven wordt duidelijk dat de rechtbank volgens het accountantskantoor de bijzondere omstandigheden van dit geval heeft miskend. Daarbij wordt de nadruk gelegd op de beperkte strekking van de door [geïntimeerde] gestelde vraag en het moment waarop hij die vraag stelde: [geïntimeerde] verscheen op de op een na laatste werkdag van 1995 zonder afspraak op het kantoor met de vraag of hij met de belastingdienst moest afrekenen (over de stakingswinst) als hij zijn onderneming met ingang van 1 januari 1996 feitelijk zou staken, het land zou verhuren en (vanaf 1 januari 1996) zelf gedurende zes jaar in loondienst zou treden. Hij was van plan om de onderneming daarna voort te zetten. De inkomstenbelasting over de stakingswinst van € 101.664,- die hij op dat moment verschuldigd zou zijn indien hij het bedrijf in fiscale zin zou staken, kon hij niet financieren. Als hij met de fiscus in 1996 had moeten afrekenen, zou hij daartoe land hebben moeten verkopen. In dat geval zou voortzetting van het bedrijf na verloop van zes jaar niet meer mogelijk zijn geweest. [geïntimeerde] had bovendien redenen van meer persoonlijke aard om het land niet (deels) te verkopen. Zijn vraag kwam erop neer of tijdelijke verhuur van de landbouwgronden door de belastingdienst als een voortzetting van zijn bedrijfsactiviteiten zou worden aangemerkt. In dat geval zou hij gedurende een zestal jaren in loondienst kunnen treden zonder land te hoeven verkopen. Dat is iets anders dan de vraag wat de fiscale consequenties van die verhuur zelf zijn (verval van de landbouwvrijstelling), aldus het accountantskantoor.

5. Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof voorop dat de vraag naar de aansprakelijkheid van het accountantskantoor dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaf of zij heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur die deskundig is op het gebied van de inkomstenbelasting. Tussen partijen is niet in debat dat het administratiekantoor bekend was met de omstandigheid dat door de verhuur de waardevermeerdering van de landerijen belast zou worden (dat de landbouwvrijstelling gedurende die periode zou vervallen). Het hof zal die kennis hierna om die reden veronderstellen. Voor de beoordeling van de grieven is dat van belang, omdat het voor het accountantskantoor duidelijk moet zijn geweest dat de vraag van [geïntimeerde] werd ingegeven door diens twijfel over de fiscale gevolgen van tijdelijke, feitelijke staking van de bedrijfsvoering. Hij wilde weten of de constructie van tijdelijke verhuur door de fiscus in juridische zin als staking van de bedrijfsvoering zou worden aangemerkt. Bij het antwoord op de aan haar gestelde vraag diende het accountantskantoor om die reden de redelijkerwijs voorzienbare fiscale consequentie te betrekken die de voorgenomen feitelijke staking van de bedrijfsvoering zou hebben - dus ook het vervallen van de landbouwvrijstelling. Daaraan doet niet af dat [geïntimeerde] zich beperkte tot de vraag of verhuur van de landerijen door de belastingdienst als een ondernemersactiviteit zou worden gezien. Het behoort het immers mede tot de taak van het accountantskantoor als deskundige opdrachtnemer om te waarschuwen voor de overige fiscale consequenties van de voorgenomen feitelijke onderbreking van de bedrijfsvoering die de cliënt voor ogen heeft, maar die deze mogelijk over het hoofd ziet. Dat geldt te meer als, zoals hier het geval is, die consequenties aanzienlijke financiële gevolgen kunnen hebben. Het accountantskantoor kan zich er niet op beroepen dat het geen haalbare optie voor [geïntimeerde] was om al in 1996 met de fiscus af te rekenen. Een dergelijke beslissing is voorbehouden aan [geïntimeerde], en [geïntimeerde] dient de daarvoor noodzakelijke afweging zelf te kunnen maken op basis van alle daarvoor relevante informatie die het accountantskantoor hem in redelijkheid kon verstrekken. Hieronder valt in ieder geval ook de mededeling dat de landbouwvrijstelling in geval van verhuur zou komen te vervallen.

Van dit alles dient te worden onderscheiden de vraag of [geïntimeerde] schade heeft geleden doordat het accountanskantoor in die verplichting is tekortgeschoten. Deze vraag zal hierna onder 9. en verder worden besproken.

6. Het hof ziet niet in dat het tijdstip waarop [geïntimeerde] met zijn vraag kwam of het feit dat hij op het punt stond in dienstverband te gaan werken rechtvaardigt dat de hiervoor besproken waarschuwingsplicht niet wordt nageleefd, zoals het accountantskantoor suggereert. Als de tijd voor een deugdelijk advies al te kort was, dan had het accountantskantoor dat behoren mee te delen of op dat punt een voorbehoud moeten maken. Een dergelijk standpunt verdraagt zich bovendien niet met de door het accountantskantoor verdedigde opvatting dat de beëindiging van de landbouwvrijstelling een voor de hand liggend gevolg was van de plannen van [geïntimeerde]. Als dat zo is, stond niets eraan in de weg dat meteen aan [geïntimeerde] mee te delen. Voorts is het in redelijkheid niet verdedigbaar dat [geïntimeerde] door het late tijdstip van zijn verzoek een risico heeft genomen op onvolledige advisering, en dat dit om die reden (deels, bij wege van eigen schuld) voor zijn rekening zou moeten blijven.

7. Anders dan het accountantskantoor aanvoert, kon niet worden volstaan met de aanvullende opmerking dat [geïntimeerde] later mogelijk meer inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn. Dit doet immers niet af aan de schending van de waarschuwingsplicht ter zake van een voor [geïntimeerde] relevant punt.

8. De conclusie luidt dat de grieven falen.

Schade(omvang)

9. De vraag of [geïntimeerde] schade heeft geleden als gevolg van de schending van de waarschuwingsplicht aan de zijde van het accountantskantoor dient te worden beantwoord aan de hand van de in artikel 6:98 BW geformuleerde maatstaf. Dat betekent dat voor vergoeding in aanmerking komt de schade die in zodanig verband staat met deze tekortkoming, dat zij het accountantskantoor, mede gelet op de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg daarvan kan worden toegerekend. Het accountantskantoor merkt in de toelichting op grief V onder 28 terecht op dat het daarbij in beginsel gaat om het nadelige verschil tussen de financiële situatie waarin [geïntimeerde] in 2002 verkeerde na verhuur van zijn landerijen en het werken in loondienst, zonder staking van zijn onderneming per 1996 enerzijds, en anderzijds de financiële situatie waarin hij in 2002 zou hebben verkeerd indien hij per 1996 tot staking van zijn onderneming was overgegaan. Terzijde wijst het hof erop dat [geïntimeerde] aanvoert dat hij tot verhuur van de landbouwgronden had kunnen overgaan zonder dat hij over de waardevermeerdering ervan belasting verschuldigd zou zijn. Het hof maakt daaruit op dat [geïntimeerde] ervan uit gaat dat hij na (fiscale) staking het bedrijf per 1996 zou zijn overgegaan tot verhuur van de gronden onder gelijke condities als de verhuur waar hij daadwerkelijk toe is overgegaan.

10. Aan het hiervoor geformuleerde vergelijking tussen de feitelijke situatie en een fictieve situatie, ligt, wat dat laatste betreft, de veronderstelling ten grondslag dat [geïntimeerde] daadwerkelijk per 1996 met de fiscus zou hebben afgerekend als hij had geweten dat de landbouwvrijstelling bij verhuur zou eindigen. Dat wordt echter gemotiveerd bestreden: aan het slot van onderdeel 17 van de memorie van grieven merkt het accountantskantoor op dat het niet bespreken van de landbouwvrijstelling geen negatieve invloed heeft gehad op de keuzemogelijkheden van [geïntimeerde]. Gelet op de inleiding op de grieven begrijpt het hof dit verweer aldus, dat ten tijde van de adviesaanvraag duidelijk was dat [geïntimeerde] per 1996 óók niet met de fiscus zou hebben afgerekend als hij zich had gerealiseerd dat de landbouwvrijstelling bij verhuur zou vervallen, omdat hij zich die keuze eenvoudigweg niet kon veroorloven. Het accountantskantoor heeft dat aan de hand van berekeningen onderbouwd door te betogen (i) dat [geïntimeerde] in 1995 een stakingswinst van € 101.664,- zou hebben moeten betalen, (ii) dat hij dat op dat moment niet kon financieren zonder land te verkopen, (iii) maar dat hij geen land wenste te verkopen en (iv) dat verkoop van land bovendien in de weg zou hebben gestaan aan zijn voornemen om de bedrijfsvoering na verloop van zes jaar te hervatten.

11. [geïntimeerde] houdt vol dat hij geen gronden had hoeven te verkopen omdat hij destijds hoogstwaarschijnlijk had kunnen volstaan met het verkopen van diverse quota om aan de betalingsverplichting jegens de fiscus te voldoen. Anders dan hij ingang wil doen vinden, staat dit niet al voorshands vast door de mededeling van het accountantskantoor aan de fiscus, inhoudende dat [geïntimeerde] in 1995 zijn onderneming zou hebben gestaakt indien de fiscus zou hebben vermeld dat de waardevermeerdering tijdens verhuur belast is. Aan die opmerking hebben immers tactische overwegingen ten grondslag kunnen liggen. Bovendien heeft het accountantskantoor op dit punt haar verweer deugdelijk onderbouwd.

Het te betalen voorschot

12. De rechtbank heeft geoordeeld dat het voorschot op het honorarium van de deskundige door het accountantskantoor dient te worden betaald. Met grief V wordt dat oordeel terecht bestreden. Op grond van het bepaalde in artikel 195 Rv komen de kosten van het voorschot in beginsel voor rekening van de eisende partij ([geïntimeerde]). Er bestaat geen aanleiding op die regel in dit geval een uitzondering te maken.

13. Grief V treft doel.

In het incidenteel appel

14. Grief II van [geïntimeerde] heeft betrekking op de schade die het gevolg is geweest van de schending van de waarschuwingsplicht en, zo begrijpt het hof, het niet vragen van uitstel van betaling. [geïntimeerde] heeft onder meer aangevoerd dat hij extra grond heeft moeten verkopen om de aanslag te kunnen voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank had hij echter rekening kunnen houden met een aanslag waarin de stakingswinst was verwerkt en is het aan hemzelf te wijten dat hij bij de verkoop van gronden (op 15 juni 2007 in verpachte staat, terwijl de pacht op 30 juni 2007 afliep) niet de best mogelijke opbrengst heeft gekregen. Met de grief wordt betoogd dat aan het accountantskantoor is toe te rekenen dat [geïntimeerde] in de veronderstelling verkeerde dat het met de aanslagen wel mee zou vallen, en dat hij (na verondersteld uitstel) ook de tijd zou hebben om de landerijen te verkopen. Daarom heeft hij met de verkoop gewacht totdat definitief was vastgesteld welk bedrag hij nog aan de fiscus zou moeten betalen.

15. Het hof herhaalt dat de schade in beginsel moet worden gesteld op het nadelige verschil tussen de financiële situatie waarin [geïntimeerde] verkeerde na verhuur van zijn landerijen en het werken in loondienst, zonder staking van zijn onderneming in 1995 enerzijds, en anderzijds de financiële situatie waarin hij zou hebben verkeerd indien hij in 1995 tot staking van zijn onderneming was overgegaan. Vast staat dat hij gronden heeft verkocht teneinde de aanslagen te kunnen voldoen die na de periode van verhuur aan hem zijn opgelegd. Die verkoop dient dus bij de schadeberekening te worden betrokken. Voor zover is bedoeld te bestrijden dat de vergoedingsplicht in dit opzicht geheel vervalt omdat de met die verkoop verband houdende schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend, geldt het volgende.

16. Naar het oordeel van het hof kan [geïntimeerde] onder de gegeven omstandigheden niet worden verweten dat hij met de verkoop van gronden heeft gewacht totdat definitief zou zijn vastgesteld welk bedrag hij nog aan de fiscus zou moeten afdragen. Deze grief treft dus doel.

17. Grief IV keert zich tegen de afwijzing van de gevorderde kosten van adviseurs. De rechtbank was van oordeel dat niet duidelijk was geworden welke kosten met betrekking tot welke gebeurtenissen zijn gemaakt, noch of die kosten redelijk zijn.

18. [geïntimeerde] heeft facturen overgelegd van de NAU en haar rechtsopvolger Accon AVM. Deze facturen hebben betrekking op verleende fiscale adviezen gedurende de periode 2002 tot en met 2008. Zonder nadere toelichting aangaande de aard van de in deze facturen in rekening gebrachte werkzaamheden - die ontbreekt -, valt naar het oordeel van het hof nog steeds niet met voldoende nauwkeurigheid te bepalen of, en zo ja welk deel van deze kosten zijn gemaakt om de omvang van de schade vast te stellen en of (welke) kosten zijn gemaakt om die schade te beperken.

19. De grief faalt.

20. Grief V is gericht tegen de afwijzing van de vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat deze daadwerkelijk zijn gemaakt en dat ze betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

21. [geïntimeerde] heeft urenuitdraaien overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat tussen 2002 en 2004 veelvuldig overleg noodzakelijk was tussen zijn advocaat en de nieuwe accountant van [geïntimeerde] en een fiscalist. Het hof kan [geïntimeerde] niet volgen in zijn stelling dat hieruit blijkt dat hij kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking zouden komen.

22. Deze grief faalt.

23. Grief I van [geïntimeerde] heeft betrekking op een ander verwijt dan waar het principaal appel op ziet, te weten dat het accountantskantoor pas op 2 juni 2006 ten aanzien van een deel van de aanslag uitstel van betaling heeft aangevraagd nadat op

16 september 2005 een aanslag inkomstenbelasting over 2002 was opgelegd en in oktober 2005 al was verzocht om uitstel aan te vragen. Tussen partijen is niet in geschil dat het accountantskantoor wat dit betreft in de overeenkomst is tekortgeschoten door het niet tijdig aanvragen van uitstel van betaling, zoals de rechtbank heeft overwogen. Het hof ziet zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in dat die conclusie ook moet worden getrokken voor zover het verwijt luidt dat uitstel van betaling had moeten worden gevraagd voor dat deel van de aanslag dat niet is betwist. In zoverre faalt de grief.

24. De rechtbank heeft geconstateerd dat de belastingdienst in een brief van 9 maart 2006 aan het (te late) verzoek heeft voldaan en uitstel heeft verleend voor het onbetwiste deel van die aanslag, onder de voorwaarde dat het resterende bedrag op 19 maart 2006 zou worden betaald. Daarbij is vermeld dat de invordering voor het gehele bedrag zou worden voortgezet als aan die voorwaarde niet werd voldaan. Omdat [geïntimeerde] het onbetwiste deel niet heeft voldaan, is het naar het oordeel van de rechtbank aan hem zelf te wijten dat kosten voor nadere aanmaningen en dwangbevelen bij hem in rekening zijn gebracht.

25. De klacht komt erop neer dat de rechtbank hiermee miskent dat [geïntimeerde] er niet van op de hoogte is gesteld dat hij een deel van de aanslag moest betalen. Het verwijt luidt in dit opzicht dus dat het accountantskantoor [geïntimeerde] niet van de beslissing van de belastingdienst op de hoogte heeft gesteld en ook in zoverre is tekortgeschoten.

26. Deze grief faalt omdat het accountantskantoor dat bestrijdt ([geïntimeerde] zou van alle brieven van de belastingdienst een kopie hebben ontvangen) en [geïntimeerde] van zijn stelling geen bewijs heeft aangeboden.

De slotsom.

27. Het vonnis waarvan beroep dient deels te worden vernietigd en voor het overige te worden bekrachtigd, met veroordeling van het accountantskantoor als de in het principaal appel in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep, en met veroordeling van [geïntimeerde] als de in het incidenteel appel overwegend in het ongelijk gestelde partij.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal en het incidenteel appel

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarin

- onder 4.27 is geoordeeld dat het voorschot op het honorarium van de deskundigen voorrekening van het accountantskantoor komt;

- onder 4.32 is geoordeeld dat de schadepost 'verkoop landerijen' voor afwijzing gereed ligt;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

verklaart deze uitspraak in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de zaak naar de Rechtbank Groningen ter verdere behandeling en beslissing.

In het principaal appel

Veroordeelt het accountantskantoor kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 1.475,- aan verschotten en € 3.263,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart deze uitspraak in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

In het incidenteel appel

Veroordeelt het [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van het accountantskantoor tot aan deze uitspraak op nihil aan verschotten en € 1.447,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, W. Breemhaar en

G. van Rijssen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 18 december 2012 in bijzijn van de griffier.