Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BY7477

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
28-12-2012
Zaaknummer
200.014.422/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde van een jarenlang slepende burenruzie over:

- verjaring van een strookje grond

- erfdienstbaarheden m.b.t. licht en uitzicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 18 december 2012

Zaaknummer 200.014.422/01

(zaaknummer rechtbank: 92468/ HA ZA 07-243)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. M. Schuring, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het tussenarrest van 7 februari 2012 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter uitvoering van de in voormeld tussenarrest aan hen verstrekte bewijsopdracht hebben [appellanten] één getuige doen horen. Vervolgens heeft [geïntimeerde] in contra-enquête twee getuigen doen horen.

Beide partijen hebben in het kader van de bewijslevering schriftelijk stukken ingebracht, [appellanten] door overlegging van rapportage door fotograaf

[fotograaf 2], [geïntimeerde] door middel van een brief van fotograaf [de fotograaf].

Tenslotte hebben partijen andermaal stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere behandeling

1. Bij tussenarrest van 7 februari 2012 zijn [appellanten] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte feit dat [geïntimeerde] bezitter van de in geding zijnde strook grond is geworden.

2. Ter uitvoering van deze bewijsopdracht hebben [appellanten] schriftelijk bewijs en getuigenbewijs bijgebracht.

3. [appellanten] hebben één getuige voorgebracht, [getuige]. Deze getuige heeft een algemene beschouwing gegeven over de ontwikkelingen met betrekking tot de scherpte van luchtfoto's in de loop der tijd, maar heeft niet kunnen ontkrachten dat de litigieuze erfafscheiding reeds voor 1987 is geplaatst.

4. Het schriftelijk bewijs bestaat uit een rapport van fotograaf [fotograaf 2]. De conclusie van diens rapportage luidt:"Ook na de door mij geboden software-matige mogelijkheden tot beeldverbetering, waardoor het betrokken gebied in detail beter zichtbaar is op de aangeleverde foto, is de aanwezigheid van een schutting (voor of rond 1987: Hof ) door mij op aangeleverde beelden niet geconstateerd. Enig mogelijke variabelen die deze constatering negatief beïnvloed zouden kunnen hebben, zijn de kwaliteit van het aangeboden materiaal en de zichtbaarheid op het origineel, welke kans ik gering acht."

5. Het hof is van oordeel dat de rapportage van fotograaf [fotograaf 2] onvoldoende zekerheid biedt om te kunnen vaststellen dat er in 1987 ter plaatse geen erfafscheiding stond. Er wordt door [fotograaf 2] immers een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de kwaliteit van het aangeboden materiaal en de zichtbaarheid op het origineel. Dat hij de kans dat deze variabelen zijn constatering negatief beïnvloed zouden kunnen hebben gering acht doet daaraan niet af.

In de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte brief van [de fotograaf] wordt bevestigd dat het beeldmateriaal dat door [fotograaf 2] is gebruikt voor zijn rapportage zowel technisch als informatief van slechte kwaliteit is en dat "de conclusie dat er op de aangeleverde beelden geen schutting staat, net zo zeker is als dat er wel een schutting of muurtje staat."

6. De door [geïntimeerde] in contra-enquête gehoorde getuigen versterken het bewijs dat zij voorshands reeds had geleverd. De verklaringen van [geïntimeerde] en [Q] bevestigen dat de muur als erfafscheiding reeds in 1986 is gebouwd.

7. De conclusie van het hof is dat [appellanten] er niet in zijn geslaagd het voorshands door [geïntimeerde] reeds geleverde bewijs te ontzenuwen.

De overige ramen op de benedenverdieping

8. Duidelijkheidshalve en ter voorkoming van misverstanden merkt het hof nog op dat naar bij tussenarrest van 7 februari 2012 in rechtsoverweging 7 is overwogen, [appellanten] gehouden zijn de ramen op de benedenverdieping aan de zijde van [geïntimeerde] ondoorzichtig te maken dan wel te houden, maar dat zij niet verplicht zijn dit door middel van ondoorzichtige glazen bouwstenen te doen.

9. Tenslotte wijst het hof er nog op dat, ter voorkoming van verdere geschillen, onder ondoorzichtig maken van ramen dient te worden verstaan het ondoorzichtig maken van het glas. De wijze waarop [appellanten] thans uitvoering hebben gegeven aan het vonnis van de rechtbank op dit punt - het plaatsen van plastic golfplaten voor de ramen - voldoet daaraan niet.

Slotsom

10. Grief 5 is terecht voorgedragen. Met betrekking tot "de overige ramen op de benedenverdieping" ( rechtsoverweging 7 van het tussenarrest van 7 februari 2012) zijn [appellanten] weliswaar gehouden deze ondoorzichtig te houden dan wel te maken, doch zijn zij niet verplicht om dit middels ondoorzichtige glazen bouwstenen te doen. Het hof zal op dit punt opnieuw recht doen als na te melden. De overige grieven falen. Het vonnis van de rechtbank Groningen van 7 mei 2008 zal derhalve voor het overgrote deel worden bekrachtigd.

[appellanten] zullen als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 3.129,- aan verschotten en € 303,- voor de te liquideren kosten van de advocaat. (tarief II, 3,5 punten a € 894,- per punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 7 mei 2008 als gewezen onder punt 4 van het dictum en aldus opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellanten] tot het ondoorzichtig maken en houden van de drie ramen op de begane grond aan de zijde van [geïntimeerde] op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat niet aan de veroordeling wordt voldaan met een maximum van € 10.000,-:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 3.129,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 303,- voor verschotten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest tot aan de voldoening.

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. K.M. Makkinga, voorzitter, R.Ch. Verschuur en F.J. Streppel en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 18 december 2012 in bijzijn van de griffier.