Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BY7427

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
200.104.612-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Totstandkoming koopovereenkomst. Ontbinding van de koopovereenkomst met betrekking tot 52 hectare landbouwgrond. Verzuim. Ingebrekestelling niet opnieuw nodig. Contractuele boete verbeurd van € 546.000,--. Geen matiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 18 december 2012

Zaaknummer 200.104.612-01

(zaaknummer rechtbank: 109107/HA ZA 09-310)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats]

appellant, tevens eiser in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. E.H. Elgersma, kantoorhoudende te Steenwijk,

die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde, tevens verweerder in het incident,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.H.F. Yspeert, kantoorhoudende te Groningen,

die ook heeft gepleit.

Bij arrest van 26 juni 2012 heeft het hof de incidentele vordering in hoger beroep waarbij [appellant] schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 21 maart 2012 vordert, afgewezen. Het hof verwijst naar dit arrest.

Vervolgens hebben partijen hun zaak door hun raadslieden doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op het pleitdossier.

De grieven

[appellant] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Tussen partijen staan als enerzijds erkend en anderzijds onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

1.1. [appellant] was eigenaar van een aantal percelen landbouwgrond te Slochteren (hierna: de percelen), een hoeveelheid polsuiker, toeslagrechten en aandelen Avebe (hierna gezamenlijk aan te duiden als de goederen).

1.2. [appellant] en [geïntimeerde] hebben op 2 september 2008 op het kantoor van [notaris] gesproken over de mogelijke verkoop van de goederen voor een prijs van € 2.184.000,00.

1.3. Tijdens die bespreking is een concept koopakte ter tafel geweest.

1.4. Art. 13 van de akte luidt, voor zover thans van belang:

"1. Een partij is in verzuim jegens de wederpartij als hij, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig is of blijft in zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst te voldoen. Ingebrekestelling moet schriftelijk geschieden met inachtneming van een termijn van acht dagen.

2. Wanneer een partij in verzuim is, is deze verplicht de schade, die de wederpartij dientengevolge lijdt, te vergoeden. De wederpartij kan alsdan, zonder rechterlijke tussenkomst, de overeenkomst ontbinden.

3. Wanneer het verzuim betrekking heeft op het meewerken aan de feitelijke en/of juridische levering dan wel op de voldoening van de koopprijs, zal de nalatige partij daarnaast, ten behoeve van de wederpartij, een zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare boete verbeuren. De hoogte van deze boete is gelijk aan vijfentwintig procent van de totale koopprijs. Voor zover de wederpartij meer schade lijdt, heeft hij, naast de boete, recht op aanvullende schadevergoeding. (…)

4. (…)"

1.5. Op 10 september 2008 hadden partijen opnieuw een bespreking bij de notaris.

1.6. Op 10 september 2008 bleek bij nadere kadastrale recherche door de notaris dat door [X] (hierna: [X]) beslag op de percelen tot levering, althans tot verhaal van een vordering was gelegd.

1.7. Bij dagvaarding van 18 september 2008 heeft [X] [appellant]

in rechte betrokken en onder andere gevorderd nakoming door [appellant] van een verplichting tot levering van de percelen. De vordering tot levering door [X] was gebaseerd op de stelling dat hij met [appellant] overeenstemming had bereikt over de verkoop van de percelen.

1.8. Bij brief van 14 oktober 2008 heeft de raadsman van [geïntimeerde] namens deze [appellant] in gebreke gesteld, waarbij [geïntimeerde] zich uitdrukkelijk het recht voorbehoudt om "de overeenkomst te ontbinden en aanspraak te maken op de overeengekomen boete van 25% van de totale koopprijs."

1.9. Bij exploot van 18 februari 2009 is namens [geïntimeerde] beslag gelegd op de percelen.

1.10. Op 6 februari 2010 zijn [geïntimeerde] als pachter en [appellant] als verpachter met elkaar een pachtovereenkomst aangegaan met betrekking tot de percelen. In de considerans van de pachtovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

dat verpachter en pachter in een civiele procedure zijn verwikkeld omdat een derde partij ([X], aan partijen genoegzaam bekend) beslag heeft doen leggen op het hierna genoemde onroerende goed terwijl verpachter en pachter voornemens zijn de hierna genoemde landbouwgronden te verkopen respectievelijk te kopen;

dat verpachter en pachter in afwachting van de uitkomst van de procedure tussen verpachter en [X] in de tussenliggende periode de tussen hun bedoelde overeenkomst reeds zoveel mogelijke proberen te realiseren middels verpachting tot het moment van het kunnen leveren

dat de pachtovereenkomsten eindigen direct nadat er een definitieve uitspraak is gedaan in de procedure tussen de verpachter en [X] waarbij afhankelijk van de uitkomst van die procedure verpachter/dan verkoper zal leveren aan pachter/dan koper conform de afspraken tussen verpachter en pachter;

1.11. Bij tussenvonnis van 7 juli 2010 heeft de rechtbank te Groningen in de procedure tussen [appellant] en [X] de vordering van [X] strekkende tot levering van de percelen afgewezen.

1.12. In de zomer van 2011 kwam [appellant] in de positie te verkeren dat hij op korte termijn over gelden diende te beschikken teneinde financiële verwikkelingen in de USA goed te kunnen afronden. In verband hiermee is [appellant] zowel met [X] als met [geïntimeerde] in overleg getreden inzake het door één van beiden afnemen van de goederen.

1.13. Bij brief van 7 juli 2011 heeft mr. Van Rossum, de toenmalige advocaat van [X] en [appellant], aan de advocaat van [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven:

"Begin deze week hadden wij telefonisch contact over de positie in de procedure tegen [appellant], van uw cliënt, [geï[geïntimeerde].

Ik ben morgen niet op kantoor, maar zou graag maandag van u vernemen of uw cliënt gaat kopen, al dan niet met schadevergoeding, of afziet van de koop.

Er is door hem conservatoir beslag gelegd en er dient duidelijkheid te komen over zijn positie, nu [appellant] en [X] hun geschil hebben opgelost. Echter de wijze van uitvoering is afhankelijk van uw cliënt."

1.14. Bij brief van 14 juli 2011 heeft de advocaat van [geïntimeerde] daarop onder meer het volgende geantwoord:

"Cliënt is bereid met [appellant] in onderhandeling te treden omtrent de afname cq. de aankoop van de verkochte percelen en toebehoren.

In het kader van die onderhandelingen gelden wat cliënt betreft de navolgende uitgangspunten:

1. Uitgangspunt is dat de volledige koopovereenkomst door [appellant] gestand kan worden gedaan, derhalve inclusief polsuikers, toeslagrechten, aandelen AVEBE en huur.

2. Aankoop tegen marktconforme prijs.

3. Verrekening van de koopsom met een nader tussen partijen over een te komen deel van de op basis van de koopovereenkomst verschuldigde boetes.

4. Verrekening van de koopsom met door cliënt voldane bedragen ter zake van pacht.

5. Cliënt dient bij de huidige stand van zaken een financieringsvoorbehoud aan te brengen. [appellant] is er mee bekend dat op dit moment de niet marktconforme prijs van de landbouwgronden een probleem vormt voor de aangezochte financier.

6. Vergoeding en verrekening met de koopsom van een bedrag van € 5.000,- ter zake van gemaakte rechtsbijstand.

Voor de volledigheid wijs ik u erop dat cliënt gegeven de tekortkoming van [appellant] gerechtigd is de koopovereenkomst alsnog te ontbinden en aanspraak te maken op de contractueel in dat geval verschuldigde boete van 25% van de totale koopprijs en aanvullende schadevergoeding. (…)"

1.15. Op 10 augustus 2011 heeft [appellant] de percelen krachtens enige met [X] gesloten koopovereenkomst alsnog aan [X] geleverd met het daarop rustende beslag van [geïntimeerde].

Het geschil en de beoordeling daarvan in eerste aanleg

2. [geïntimeerde] vordert - kort weergegeven - [appellant] te veroordelen:

- primair: tot nakoming van de koopovereenkomst van 2 september 2008, onder verbeurte van een dwangsom en tot betaling van de in artikel 13 lid 4 van de koopovereenkomst bedongen boete;

- subsidiair: ontbinding van de koopovereenkomst met veroordeling van [appellant] tot betaling van de krachtens art. 13 lid 3 van de koopovereenkomst verschuldigde boete ten bedrage van 25% van de totale koopprijs, derhalve een bedrag van € 546.000,--

2.1. De rechtbank heeft bij vonnis van 21 maart 2012 de primaire vordering afgewezen op de grond dat nakoming van de op 2 september 2008 gesloten overeenkomst niet meer mogelijk is, nu de percelen inmiddels aan [X] zijn geleverd.

2.2. Ten aanzien van de subsidiaire vordering heeft de rechtbank als volgt overwogen. Aangezien [geïntimeerde] [appellant] bij brief van 14 oktober 2008 in gebreke heeft gesteld, is [appellant] op 22 oktober 2008 in verzuim geraakt. Nu het verzuim door [appellant] niet is gezuiverd, was een nieuwe ingebrekestelling niet nodig toen de nakoming door [appellant] alsnog mogelijk werd, omdat de vordering van [X] tot levering blijkens het vonnis van 7 juli 2010 niet toegewezen zou worden (zie hiervoor onder 1.11). Het verweer van [appellant] dat hij de boete niet verschuldigd is, omdat hij niet (opnieuw) door [geïntimeerde] in gebreke is gesteld, wordt derhalve verworpen. Nu [appellant] geen andere verweren heeft gevoerd tegen de op basis van art. 13 van de akte gevorderde boete ad € 546.000,00 is de subsidiaire vordering toewijsbaar.

Bespreking van de grieven

3. De grieven, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking, strekken voor het grootste deel ten betoge dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat tussen partijen op 2 september 2008 een koopovereenkomst tot stand gekomen is. Voorts richten de grieven en de daarop gegeven toelichting zich tegen de ontbinding van de koopovereenkomst en de boeteclausule.

De koopovereenkomst

4. Ter onderbouwing van zijn stelling dat - anders dan de rechtbank heeft beslist - er tussen [appellant] en [geïntimeerde] geen (perfecte) koopovereenkomst tot stand gekomen is voert [appellant] in de eerste plaats aan dat niet duidelijk is wanneer aanbod en aanvaarding hebben plaatsgevonden.

4.1. Voor de beoordeling van dit punt acht het hof de brief van [notaris] d.d. 1 februari 2010 (produktie 11 bij memorie van grieven) van belang. Deze brief bevat onder meer de volgende passages:

- 29 augustus 2008: de heer [A] van [makelaardij] stelt mede-ondergetekende telefonisch in kennis van de aanstaande levering [appellant]/[geïntimeerde], met de mededeling dat een en ander op korte termijn gerealiseerd zou moeten worden;

- 1 september 2008: mede-ondergetekende heeft de gebruikelijke kadastrale recherches uitgevoerd (geen beslag);

- 2 september 2008, 15.00 uur: de heer [appellant] en de heer [A] zijn op mijn kantoor geweest voor het bespreken van het concept van de koopovereenkomst zoals door de genoemde makelaar opgesteld;

aantekeningen zijn door mede-ondergetekende gemaakt met name in verband met de overdracht van produktierechten en toeslagrechten;

de heer [appellant] heeft het origineel van het overzicht van de geregistreerde toeslagrechten in verband met de overdracht achtergelaten op mijn kantoor;

- 4 september 2008, concept van de akte van levering met bijbehorende afrekening verzonden aan partijen;

- 8 september 2008, gewijzigd concept met situatietekening en een gewijzigde afrekening verzonden in verband met een tussen partijen overeengekomen wijziging in de te leveren oppervlakte;

- 10 september 2008, aktepassering zou om 9.00 uur plaatsvinden, de heer [appellant], de heer [A], de heer [geïntimeerde], waren allen tijdig aanwezig.

De heer [appellant] was reeds omstreeks 8.30 uur aanwezig voor het bespreken van een volmacht (zulks mede in verband met de overdracht van genoemde produktie- en toeslagrechten) en vervolgens om de akte met de wederpartij en notaris door te nemen en om vervolgens tot de aktepassering over te gaan.

Bij recherche is die ochtend echter gebleken dat conservatoir beslag is gelegd door [X]

4.2. Uit het voorgaande blijkt naar 's hofs oordeel dat er - zo al niet eind augustus - in ieder geval op 2 september 2008 tussen [appellant] en [geïntimeerde] een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Op dat moment was op de wezenlijke punten met betrekking tot de koopovereenkomst overeenstemming bereikt; de koopprijs per hectare en de over te dragen zaken stonden vast. Er is een concept-akte van levering opgesteld. Dat, naar [appellant] stelt daarna, nog is gesproken over een deel van de grond dat hij niet wilde verkopen, maar zelf ter beschikking wilde houden doet hieraan niet af. Naar ten pleidooie is gebleken ging het om een relatief zeer klein deel van de grond dat [appellant] zelf wilde houden (2 hectare op de te leveren 52 hectare) en dat dit voor [geïntimeerde] geen probleem was. De geringe aanpassingen in de wijziging van de oppervlakte (en derhalve ook in de koopprijs) zijn verwerkt in het gewijzigd concept dat de notaris dat bij brief van 8 september 2008 (produktie bij memorie van antwoord) aan [appellant] heeft verzonden.

Gesteld noch anderszins gebleken is dat [appellant] zich naar aanleiding van deze brief tot de notaris of tot [geïntimeerde] heeft gewend om te protesteren tegen het uitgangspunt van de concept-akte dat een koopovereenkomst was gesloten. Daarentegen is [appellant] wel twee dagen later, op 10 september, naar de notaris gegaan. [appellant] heeft in de stukken noch ten tijde van de pleidooizitting een duidelijke verklaring gegeven voor zijn gang naar de notaris anders dan om de akte van overdracht te laten passeren. Dat hij bij de notaris nog nader wilde onderhandelen over essentiële punten is zonder duidelijke onderbouwing, die ontbreekt, onaannemelijk. Daar komt bij dat, naar als onweersproken vaststaat, op 10 september de koopprijs door [geïntimeerde] reeds naar de notaris was overgemaakt.

4.3. Waar [appellant] nog stelt dat door makelaar [A] misbruik is gemaakt van zijn feitelijk overwicht en de juridische onkunde van [appellant] gaat het hof daaraan voorbij, nu [A] immers door hem zelf, [appellant], is benaderd en hij ook degene is die de provisie van de makelaar zou betalen. [A] dient derhalve als makelaar van [appellant] te worden aangemerkt. Het hof verwerpt bij gebrek aan feitelijke onderbouwing de stelling van [appellant] dat [A] als makelaar van [geïntimeerde] optrad.

4.4. Nu naar het oordeel van het hof tussen partijen een koopovereenkomst tot stand gekomen is, zal het hof thans op de overige onder 3 weergegeven punten ingaan.

Ontbinding van de koopovereenkomst; Overmacht.

5. Uitgaande van een rechtsgeldig tot stand gekomen koopovereenkomst beroept [geïntimeerde] zich op ontbinding van die overeenkomst en veroordeling van [appellant] tot betaling van de contractueel overeengekomen boete van 25 % van de koopsom. [appellant] voert daartegen een aantal verweren waarop het hof hierna onder rechtsoverweging 6.2 en volgende zal ingaan.

5.1. Het hof overweegt dat als uitgangspunt dient te gelden dat de levering van [appellant] aan [geïntimeerde] op 10 september 2008 geen doorgang heeft gevonden, omdat bij kadastrale recherche door de notaris bleek dat door [X] beslag was gelegd op de beoogde over te dragen goederen. [appellant] kon derhalve niet datgene nakomen waartoe hij zich op grond van de koopovereenkomst had verplicht: overdracht van de verkochte zaak vrij van alle bijzondere lasten en beperkingen (artikel 7:15 B.W).

5.2. [appellant] stelt dat dit hem niet kan worden toegerekend, omdat hij het beslag van [X] niet kon voorzien en het niet "zijn schuld" is dat [X] beslag heeft gelegd.

5.3. Voor de beoordeling van deze klacht dient vooropgesteld te worden dat, anders de [appellant] kennelijk meent, ook in geval van niet-toerekenbare tekortkoming (overmacht) ontbinding mogelijk is. Aldus bezien is het door [appellant] gestelde omtrent overmacht niet relevant. Niettemin overweegt het hof duidelijkheidshalve dat naar 's hofs oordeel het door [X] gelegde beslag, in de relatie [appellant]-[geïntimeerde], voor rekening en risico van [appellant] komt. Het beslag van [X] levert dan ook - anders dan [appellant] stelt - geen overmacht op. Dit wordt niet anders nu, naar uit de in 2011 gewezen gerechtelijke uitspraak tussen [appellant] en [X] is gebleken dat het door [X] gelegde beslag onrechtmatig was.

Ingebrekestelling

6. [appellant] stelt dat hij niet in de toestand van verzuim is geraakt nu hij - nadat het beslag van [X] na de uitspraak van de rechtbank in de zaak [X] - [appellant] werd opgeheven en er derhalve geen beletsel voor levering meer bestond - niet opnieuw door [geïntimeerde] in gebreke is gesteld.

Het hof verwerpt dit beroep op dezelfde gronden als de rechtbank in rechtsoverweging 5.4 van het bestreden vonnis heeft gedaan. Het hof neemt de gebezigde motivering van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.

Zuivering van het verzuim

7. [appellant] stelt dat zo hij al in verzuim is geweest, dit verzuim is gezuiverd. Daarvan zou in de eerste plaats sprake zijn geweest door het sluiten van een pachtovereenkomst met [geïntimeerde] op 6 februari 2010.

7.1. Het hof overweegt dat uit de tekst van de pachtovereenkomst (hiervoor weergegeven onder 1.10) geenszins blijkt dat partijen daarmee hun hele geschil hebben willen regelen. Partijen verwijzen immers naar de lopende procedure [appellant]-[X] en treffen een tussenoplossing in afwachting van de uitkomst van die procedure.

7.2. Voorts acht het hof in dit verband van belang dat [geïntimeerde] bij brief van 1 maart 2010 (produktie 10 bij akte van 21 december 2011) aan de advocaat van [appellant] heeft medegedeeld dat de pachtovereenkomst geen enkele verandering brengt in de lopende procedure tussen partijen. Daartegen is door [appellant] onvoldoende ingebracht om tot een ander oordeel te komen.

7.3. [appellant] stelt voorts ter onderbouwing van zijn stelling dat het verzuim is gezuiverd dat zijn advocaat op 7 juli 2011 aan [geïntimeerde] heeft aangeboden om tot levering over te gaan. Door hier niet op in te gaan heeft [geïntimeerde] tevens afstand van zijn recht op nakoming van de koopovereenkomst gedaan, aldus [appellant].

7.4. Het hof overweegt dat het feit dat [appellant] het verkoopobject drie jaar na het sluiten van de koopovereenkomst - en na talloze (juridische) complicaties - alsnog aan [geïntimeerde] aanbiedt niet als zuivering van het verzuim kan worden aangemerkt. Van afstand van recht van de zijde van [appellant] is evenmin sprake. Het hof overweegt daartoe dat als onvoldoende gemotiveerd weersproken vast staat dat [geïntimeerde] in de zomer van 2011 nog steeds kon en wilde afnemen, maar dat ze nog nader met elkaar zou moeten spreken over onder meer de boete/geleden schade. De toenmalige advocaat van [geïntimeerde] heeft dit bij schrijven van 14 juli 2011 als volgt verwoord:

(…) In het kader van die onderhandelingen gelden wat cliënt betreft de navolgende uitgangspunten: (…)

3. Verrekening van de koopsom met een nader tussen partijen over een te komen deel van de op basis van de koopovereenkomst verschuldigde boetes.

(…)

Voor de volledigheid wijs ik u erop dat cliënt gegeven de tekortkoming van [appellant] gerechtigd is de koopovereenkomst alsnog te ontbinden en aanspraak te maken op de contractueel in dat geval verschuldigde boete van 25% van de totale koopprijs en aanvullende schadevergoeding. (…)"

Uit dit schrijven blijkt dat [geïntimeerde] het door [appellant] gedane aanbod niet zonder meer aanvaardt. Op dit schrijven is door [appellant] niet meer gereageerd. Vervolgens heeft [appellant] op 10 augustus 2011 de goederen alsnog aan [X] verkocht en geleverd.

7.5. Naar 's hofs oordeel was, anders dan [appellant] stelt, [geïntimeerde] op het moment dat [appellant] aanbood het verkochte alsnog te willen overdragen geenszins gehouden dat aanbod zonder meer te aanvaarden. Het hof acht het gelet op de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen contracterende partijen beheerst, niet redelijk dat - gelet op de door [appellant] veroorzaakte problemen in verband met de beoogde overdracht aan [geïntimeerde] in 2008 en alle nasleep daarvan - [appellant] alsnog nakoming aanbood aan [geïntimeerde] zonder daarbij een regeling te treffen omtrent de door [appellant] verbeurde boete en de door [geïntimeerde] geleden schade. Dat die schade, naar [appellant] stelt, reeds was vergoed door het sluiten van voornoemde pachtovereenkomst verwerp het hof op grond van het hiervoor onder 7.1 overwogene.

7.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [geïntimeerde] ingeroepen ontbinding van de overeenkomst gerechtvaardigd is.

Contractuele boete

8. Het hof zal thans beoordelen of [geïntimeerde] recht heeft op het boetebedrag ter grootte van 25 % van de overeengekomen koopprijs. Hoewel een boetebeding in beginsel een accessoir karakter heeft en derhalve het lot van de hoofdverbintenis volgt, dient daarover in het onderhavige geval anders te worden geoordeeld en blijft het boetebeding na de ontbinding bestaan. Het boetebeding als neergelegd in artikel 17 lid 3 is immers juist voor dit doel geschreven, waar wordt bepaald: "Wanneer het verzuim betrekking heeft op het meewerken aan de feitelijke en/of juridische levering dan wel op de voldoening van de koopprijs, zal de nalatige partij daarnaast, ten behoeve van de wederpartij, een zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare boete verbeuren. De hoogte van deze boete is gelijk aan vijfentwintig procent van de totale koopprijs."

9. [appellant] stelt niet gebonden te zijn aan het boetebeding nu (1) dit niet door zijn makelaar is opgesteld, en (2) een standaardboetebeding 10 % van de koopprijs pleegt te worden overeengekomen en afwijking van de standaard uitdrukkelijk had moeten worden overeengekomen.

10. Het hof verwerpt beide verweren. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat, mede gelet op het verhandelde ten pleidooie bij het hof, vast dat het [appellant] is geweest die als potentiële verkoper makelaar [A] in de arm heeft genomen en dat de koopakte waarin het boetebeding is opgenomen door [A] is opgesteld. Dat in die akte een percentage van 25 % van de koopprijs is genoemd komt derhalve voor rekening en risico van [appellant].

Het hof merkt in dit verband ten overvloede nog op dat ten tijde van het pleidooi

ten overstaan van het hof door (de advocaat van) [geïntimeerde] nadrukkelijk is gesteld dat de hoogte van het boetebeding is ingegeven door de wens Van [appellant] de prikkel tot nakoming door [geïntimeerde] zo groot mogelijk te maken, hetgeen door [appellant] onvoldoende gemotiveerd is weersproken. Dat de hoogte van de boete zich nu als een boemerang tegen [appellant] zelf keert is het gevolg van de wijze van zaken doen van [appellant].

10.1. De stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] nu zo maar "zonder enige tegenprestatie" een bedrag van € 546.000,-- in de schoot geworpen krijgt, miskent het karakter van het boetebeding, dat niet uitgaat van de vraag of, en zo hoeveel schade er daadwerkelijk is geleden maar fixeert op een vast percentage van de koopprijs. Los daarvan merkt het hof op dat het er bij de toekenning van het bedrag van de boete moet worden bedacht dat niet van belang is, dat naar [appellant] stelt, [geïntimeerde] het bedrag "zonder enige tegenprestatie krijgt", maar dat het [appellant] is die verzuimd heeft de prestatie te leveren die van hem verwacht mocht worden.

11. In de toelichting op de grieven en bij pleidooi staat [appellant] uitgebreid stil bij de rol van [notaris] in deze. Naar [appellant] stelt had de notaris hem erop moeten wijzen dat de boete hoger is dan normaal en fundamenteel afwijkend van de Standaard Voorwaarden Agrarisch Vastgoed.

Los van hetgeen het hof hiervoor onder 10 heeft overwogen, is het hof van oordeel dat het door [appellant] gestelde vermeende tekortschieten van de notaris niet relevant is voor de beoordeling van het geschil tussen hem en [geïntimeerde]. Om die reden gaat het hof aan de klacht omtrent de rol van [notaris] voorbij.

12. In het onder 10 overwogene ligt besloten dat het hof geen aanleiding ziet de contractueel bedongen boete te matigen, als door [appellant] bepleit. Naar uit wet en rechtspraak blijkt, dient ten aanzien van matiging van een contractueel overeengekomen boete terughoudendheid te worden betracht en bestaat daarvoor slechts aanleiding indien de billijkheid de matiging klaarblijkelijk eist. Daarvan is, naar reeds is overwogen, geen sprake.

13. Het hof passeert het slechts in algemene termen gestelde bewijsaanbod.

Slotsom

14. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (wat betreft de te liquideren kosten van de zijde van de advocaat van [geïntimeerde] te begroten op 4 punten in tarief VII).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 21 maart 2012;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 1.513,-- aan verschotten en € 15.580,-- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. K.M. Makkinga, voorzitter, M.M.A. Wind en

R.Ch. Verschuur, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 december 2012 in bijzijn van de griffier.