Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BY7059

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
24-001798-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt verdacht van moord subsidiair doodslag, gepleegd ten opzichte van haar echtgenoot.

Het hof stelt allereerst vast dat sprake is van een misdrijf en niet van de door de verdediging gestelde zelfdoding door het slachtoffer. Over het aan de verdachte ten laste gelegde overweegt het hof het volgende.

Het tactisch onderzoek heeft geen redengevende feiten en/of omstandigheden opgeleverd, op grond waarvan de betrokkenheid van de verdachte bij het aan haar ten laste gelegde kan blijken. De uit het tactisch onderzoek blijkende en voortvloeiende feiten en/of omstandigheden stijgen naar het oordeel van het hof niet uit boven de status van louter circumstantial evidence en kunnen als zodanig - zonder nader steunbewijs - geen redengevende feiten en/of omstandigheden voor het bewijs van het ten laste gelegde opleveren, noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang en in onderling verband bezien.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal hebben aangenomen, staat daarom naar het oordeel van het hof allerminst vast dat de verdachte op 9 of 10 oktober 2008 om het leven is gekomen. Voorts staat evenmin vast dat de verdachte in de middag van 10 oktober 2008 niet meer in leven was.

Het hof is van oordeel dat de conclusies die aan het uitgevoerde DNA-onderzoek kunnen worden verbonden in casu grote beperkingen kennen. Het enkele aantreffen op de plaats van het delict, meer in het bijzonder op al dan niet intieme delen van het lichaam van het slachtoffer, van DNA-profielen die matchen met het DNA-profiel van de verdachte, kan hier niet redengevend zijn. De aanwezigheid van dat sporenmateriaal op de plaats van het delict kan zonder meer verklaard worden door het echtelijke (seksuele) contact tussen de verdachte en het slachtoffer, in de vorm van aanraaksporen en/of affectiesporen. De aanwezigheid van enkele bloedsporen, afkomstig van de verdachte, op de plaats van het delict en op het slachtoffer, kan heel goed verklaard worden door intiem echtelijk contact bij (beginnende) menstruatie van de verdachte. In dit verband wijst het hof op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof, inhoudende dat zij in de nacht van 9 op 10 oktober 2008 seksueel contact heeft gehad met het slachtoffer en dat zij op 10 oktober 2008 heeft bemerkt dat zij ongesteld geworden was. Dit onderdeel van de verklaring van de verdachte wordt niet weerlegd door de onderzoeksbevindingen en is niet in strijd met de onderzoeksbevindingen.

Daarnaast kan op grond van de aanwezigheid van een DNA-profiel alleen geen uitspraak worden gedaan over het moment waarop het celmateriaal op de aangetroffen plaats terecht is gekomen. De in het diverse sporenmateriaal aangetroffen DNA-profielen die overeenkomen met het DNA-profiel van de verdachte kunnen daarom niet worden aangemerkt als een zogenaamd daderspoor of aan het ten laste gelegd delict gerelateerd spoor. In het bijzonder kan daaruit niet worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat dit celmateriaal ten tijde van het delict ter plaatse is achtergelaten.

Het hof spreekt de verdachte vrij van het aan haar ten laste gelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2013, afl. 2, p. 72

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001798-09

Uitspraak d.d.: 21 december 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 juli 2009, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

postadres: [postadres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 29 december 2009, 18 januari 2010, 13 april 2010, 8 juli 2010, 12 oktober 2010, 17 november 2010, 18 januari 2011, 15 april 2011, 5 juli 2011,

30 september 2011, 8 februari 2012, 3 december 2012, 4 december 2012, 6 december 2012 en 10 december 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de eerste rechter, vrijspraak van de verdachte ter zake van het primair aan haar ten laste gelegde en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het subsidiair aan haar ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende(n) zal gelasten en voorts bij einduitspraak de schorsing van de voorlopige hechtenis zal opheffen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en haar raadslieden, mr. A.M.C.J. Baaijens en mr. H.S.K. Jap A Joe, ter terechtzittingen in hoger beroep is aangevoerd.

Verzoek van de verdediging

Mr. Baaijens heeft ter terechtzitting van het hof van 10 december 2012 een (herhaald) verzoek gedaan, strekkende tot het instellen van cassatie in het belang van de wet, overigens zonder dit verzoek nader te onderbouwen.

Het hof verstaat dit verzoek aldus dat de verdediging het hof verzoekt mee te werken aan het bevorderen dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad een vordering instelt tot cassatie in het belang der wet. Het betreft hier een verzoek dat eerder is ingediend door de verdediging en waarop door het hof eerder - bij tussenarrest van 22 juli 2010 - is beslist, in die zin dat het hof dit verzoek heeft afgewezen.

Nu door de verdediging geen nieuwe of nadere argumenten zijn aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek, wijst het hof dit verzoek andermaal af, op identieke gronden als genoemd in het tussenarrest van het hof van 22 juli 2010.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hof zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht vernietigen omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 9 oktober 2008 tot en met 20 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal, in de borst en/of hals/keel, in elk geval in het lichaam, gestoken/gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

zij in of omstreeks de periode van 9 oktober 2008 tot en met 20 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal, in de borst en/of de hals/keel, in elk geval in het lichaam, gestoken/gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

1.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte

De voorzitter heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep bepaald op 3, 4, 6 en 10 december 2012. De verdediging is hiervan op de hoogte gesteld.

Vervolgens heeft de verdediging het hof bij schrijven van 3 oktober 2012 verzocht om te voorzien in een spoedprocedure ex artikel 415 juncto artikel 324 van het Wetboek van Strafvordering. Met het oog daarop heeft de verdediging het hof op voorhand een pleitnota d.d. 3 oktober 2012 doen toekomen. Dit verzoek is nadien herhaald bij brief van de verdediging van 18 oktober 2012.

De voorzitter heeft bij brief van 12 oktober 2012 laten weten dat het op 3 oktober 2012 ingediende verzoek van de verdediging is afgewezen. Bij brief van 31 oktober 2012 is aan de verdediging te kennen gegeven dat het gestelde in de brief van de verdediging van 18 oktober 2012 geen aanleiding vormt om hierop terug te komen.

De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof op 10 december 2012 pleidooi gehouden. In dat pleidooi is primair aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

Concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof tot dit oordeel zou moeten komen zijn ter terechtzitting niet door de verdediging aangevoerd.

Het hof stelt daarbij voorop dat de verdediging ter terechtzitting niet de inhoud van de op voorhand aan het hof gezonden pleitnota d.d. 3 oktober 2012 heeft voorgedragen. De verdediging heeft evenmin een expliciet verzoek aan de voorzitter gedaan om toestemming om af te zien van integrale voordracht van dit stuk.

Op de inhoud van dit stuk zal het hof daarom niet responderen.

Uitzondering hierop vormt uitsluitend een lijst met volgens de verdediging ontbrekende (proces)stukken, als genoemd in paragraaf 6.3 van de pleitnota van de verdediging d.d. 3 oktober 2012. Dat onderdeel is wél expliciet voorgedragen door de verdediging ter terechtzitting op 10 december 2012, echter zonder dat daarbij door de verdediging is aangevoerd wat de consequenties dienen te zijn van het ontbreken van deze informatie als deze al bestaat.

Ter terechtzitting op 10 december 2012 is door de verdediging niet een verzoek aan het hof gericht, strekkende tot toevoeging aan het strafdossier van de volgens de verdediging ontbrekende stukken.

Evenmin is ter terechtzitting op 10 december 2012 in het kader van het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, door de verdediging aangevoerd dat sprake is van een situatie waarin de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust, dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan haar recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. Dit is het hof ook overigens niet gebleken.

Met betrekking tot hetgeen mr. Baaijens ter terechtzitting van het hof op 10 december 2012 overigens heeft aangevoerd in het kader van het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, stelt het hof vast dat dit onderdeel van het verweer - ook bij een welwillende lezing daarvan door het hof - niet voldoet aan de daaraan ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004, NJ 2004, 376, te stellen eisen.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

2.

Richting van het onderzoek

Op 20 oktober 2008 is het stoffelijk overschot van het slachtoffer [slachtoffer] aangetroffen. In de schriftelijke verklaring d.d. 20 oktober 2008 heeft de lijkschouwer [naam] een waarschijnlijk onnatuurlijk overlijden van het slachtoffer gemeld. Het hof overweegt voorts dat het stoffelijk overschot van het slachtoffer is aangetroffen onder omstandigheden die - ook objectief beschouwd - bijzonder zijn. Gelet hierop en op de inhoud van de verklaring die de verdachte, op 20 oktober 2008 als getuige gehoord door de politie, heeft afgelegd, alsmede op de bevindingen neergelegd in het voorlopige sectieverslag, dat beschikbaar is gekomen op de dag na de lijkvinding, waren er voldoende aanknopingspunten aanwezig voor een opsporingsonderzoek.

De verdediging heeft gesteld dat het slachtoffer door automutilatie om het leven kan zijn gekomen. In het verlengde hiervan heeft de verdediging (impliciet) gemeend dat het onderzoeksteam er ten onrechte van uit is gegaan dat er sprake is geweest van een misdrijf.

Voor zover de verdediging heeft beoogd te stellen dat verdachte ten onrechte dan wel prematuur als verdachte is aangemerkt heeft de verdediging hieraan ter terechtzitting van het hof geen strafvorderlijke consequenties verbonden. Het hof merkt deze stelling van de verdediging daarom niet aan als verweer waarop moet worden gerespondeerd.

3.

Overwegingen ten aanzien van de gevoerde bewijsverweren

De verdediging heeft betoogd dat er geen sprake is geweest van een misdrijf maar van zelfdoding. Subsidiair is de verdediging van mening dat er geen bewijs voorhanden is dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

3.1

Resultaten van het onderzoek

3.1.1

Start van het onderzoek

Op 20 oktober 2008 is omstreeks 07.55 uur bij de Centrale Meldkamer van de regiopolitie Flevoland melding gedaan van het aantreffen van het levenloze lichaam van het slachtoffer [slachtoffer]. Het slachtoffer is in de nacht van 19 op

20 oktober 2008 dood aangetroffen door zijn vrouw, de verdachte, in de slaapkamer van de verdachte en het slachtoffer op het adres [adres]te [plaats].

Dit betreft de echtelijke woning.

De politie is ter plaatse gekomen. Onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie is een onderzoek gestart onder de naam Porsche. In het kader van dit onderzoek heeft een doorzoeking van de woning plaatsgevonden, heeft (uitgebreid) sporenonderzoek op de plaats van het delict plaatsgevonden, is sectie op het stoffelijk overschot verricht en zijn diverse personen, onder wie de verdachte en haar vijf kinderen, gehoord door de politie.

De eerste onderzoeksbevindingen duidden er op dat het slachtoffer tien dagen voor het aantreffen van het stoffelijk overschot voor het laatst in leven zou zijn gezien en dat de echtelijke slaapkamer sinds die tijd onafgebroken afgesloten zou zijn geweest.

3.1.2

Sectiebevindingen

De sectie op het stoffelijk overschot van het slachtoffer is op 21 oktober 2008 verricht door dr. R. Visser, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), afdeling pathologie, te Den Haag. Dr. Visser heeft onder meer het volgende geconstateerd.

Het lichaam vertoonde uitgebreide postmortale veranderingen.

Aan het hoofd, het gelaat en de hals zijn zestien huiddefecten waargenomen, deels onregelmatig, maar hoofdzakelijk met een scherprandig aspect, deels relatief oppervlakkig en deels met dieper reikende wondkanalen.

De wondkanalen verliepen over het algemeen van rechts naar links en van voor naar achter en hadden een diepte van maximaal circa vijf centimeter. Meerdere van de huiddefecten toonden een vlakke basis en een scherpe, puntige top.

Aansluitend aan een scherprandig huiddefect aan de linkerzijde, laag in de hals, was er een wondkanaal verlopend doorheen de weke delen van de hals met doorklieven van de linker halsader, met perforatie van het borstvlies aan de linkerzijde, met een beperkt letsel aan de longtop van de linkerlong en met aansnijden van de linker hoofdluchtpijptak.

Er waren bij sectie en bij microscopisch onderzoek geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen welke het overlijden zouden kunnen verklaren of welke van betekenis geweest zouden kunnen zijn voor het intreden van de dood.

Dr. Visser heeft in het sectieverslag onder de kop “Interpretatie” onder meer het volgende opgenomen. De postmortale veranderingen kunnen passen bij een postmortale periode van minimaal meerdere dagen tot hooguit enkele weken (bij kamertemperatuur). Ter hoogte van het hoofd en de hals werden meerdere scherprandige huiddefecten gezien, bij leven opgelopen ten gevolge van uitwendig mechanisch snijdend en perforerend geweld, zoals bijvoorbeeld ten gevolge van snijden en/of steken met één of meerdere messen. Meerdere van de huiddefecten toonden een aspect, namelijk een zogenaamd fish tail-aspect, zoals zou kunnen passen bij een éénzijdig snijdend voorwerp, zoals bijvoorbeeld een éénzijdig snijdend mes. Het intreden van de dood wordt zonder meer verklaard door de combinatie van bloedverlies en verstikking (ten gevolge van inademing van bloed), veroorzaakt door meerdere snij- en steekletsels.

Dr. Visser is als deskundige gehoord ter terechtzitting van het hof van 4 december 2012 en heeft onder meer verklaard dat een mogelijke doodsoorzaak eveneens kan zijn een luchtembolie, zoals genoemd door drs. S. Eikelenboom-Schieveld in het rapport van 17 oktober 2011 over het door haar verrichte forensisch medisch onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van het slachtoffer.

Ter terechtzitting heeft dr. Visser voorts verklaard dat hij zelfdoding hier onwaarschijnlijk acht, gelet op de bij sectie geconstateerde verwondingen.

De steekkanalen passen niet bij automutilatie met de vingers of met een standaard nagelknipper, aldus dr. Visser.

3.1.3

Bloedspoorpatroononderzoek

Bloedsporen die zijn aangetroffen op de plaats van het delict (op het slachtoffer, op het bed of in de slaapkamer) zijn fotografisch vastgelegd en door ing. M. van Beest en ing. M.J. van der Scheer, beiden werkzaam bij het NFI, onderzocht.

Dat onderzoek heeft onder meer het volgende opgeleverd.

In de hals van het slachtoffer is een onderbreking in het bloedsporenbeeld aangetroffen, in de vorm van een langwerpige (horizontale) baan. Dit deel van de hals is derhalve bedekt geweest met een onbekend object.

Op de rechter onderarm, ter hoogte van de rechter pols, lijkt over de breedte van de pols in een bandvormig gebied een onderbreking in het bloedsporenbeeld aanwezig, waar zich op enig moment een onbekend object kan hebben bevonden.

Daarnaast correspondeert het bloedspattenbeeld op de rechterhand niet met het bloedspattenbeeld in de nabije omgeving van (de ligplaats van) deze hand.

Dit betekent dat de rechterhand op enig moment in een andere dan de aangetroffen positie heeft verkeerd ten tijde van het ontstaan van de hierop aangetroffen bloedsporen.

De (aangetroffen) contact- c.q. veegsporen van bloed op beide schouders en bovenarmen kunnen verklaard worden indien beide armen op enig moment in een omhoog gebogen positie hebben verkeerd, waarbij (bewegend) contact is gemaakt met het bloed op de aangrenzende matrashoes (van het bed waarop het slachtoffer in liggende positie is aangetroffen).

De bloedspat die is aangetroffen op de matrashoes naast het linkerbeen van het slachtoffer, past bij passief bloedverlies uit bijvoorbeeld een verwonding of vanaf een bebloed object.

Op de buik van het slachtoffer zijn bloedsporen aangetroffen waarvan de gezamenlijke vorm past bij de afdruk van een (deel van) een (rechter) hand.

3.1.4

Biologisch sporenonderzoek

Biologische sporen die zijn aangetroffen en veiliggesteld op de plaats van het delict (op het slachtoffer, het bed, of in de slaapkamer) of in een prullenbak die zich bevond op het zich in de woning bevindende kantoor van het slachtoffer (het stuk wc-papier), zijn door dr. R.J. Bink, werkzaam bij het NFI, onderzocht op de aanwezigheid van DNA.

Dat onderzoek heeft onder meer als resultaat opgeleverd dat met betrekking tot een aantal biologische sporen is vastgesteld dat het DNA-profiel van die sporen overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. Meer in het bijzonder gaat het met name om:

- een bemonstering van bloed op het bed, ter hoogte van de linkerknie van het slachtoffer;

- een bemonstering van bloed en/of speeksel en/of celmateriaal op twee nageldelen van het slachtoffer;

- een bemonstering van het scrotum rechts van het slachtoffer;

- een bemonstering van de rechterkant van de navel van het lichaam van het slachtoffer;

- een bemonstering van de linkerkant van de navel van het slachtoffer;

- een bemonstering van de middenhals naar adamsappel van de hals van het slachtoffer;

- een bemonstering van de linkerkant van de hals, oor naar kaak, van het slachtoffer;

- een tweetal bemonsteringen van een stukje koord (dat om de geslachtsdelen van het slachtoffer was gebonden ten tijde van de lijkvinding);

- een bemonstering van een ring;

- een tweetal bemonsteringen van een stuk wc-papier;

- een tweetal bemonsteringen van een handdoek.

3.1.5

Overig forensisch onderzoek

Tijdens forensisch onderzoek in de woning is aan de binnenkant van de deur van de echtelijke slaapkamer waar het slachtoffer is aangetroffen een papier van het formaat A4 aangetroffen dat over de deurklink, voor het sleutelgat, is geplaatst, waardoor het zicht vanaf de gang, van buitenaf de slaapkamer in, werd weggenomen.

Op dat papier zijn twee dactyloscopische sporen aangetroffen, waarvan één spoor bruikbaar was voor onderzoek. Uit dat onderzoek volgt dat dit spoor niet overeenkomt met vingerafdrukken van de verdachte.

3.1.6

Onderzoek door ing. Eikelenboom en drs. Eikelenboom-Schieveld, verbonden aan Independant Forensic Services (hierna: IFS)

Naar aanleiding van onderzoekswensen van de verdediging heeft het hof tegenonderzoek gelast. Dat onderzoek is uitgevoerd door bovengenoemde deskundigen, verbonden aan IFS, en heeft geresulteerd in een rapport forensisch medisch onderzoek van 17 oktober 2011 van drs. Eikelenboom-Schieveld, een rapport bloedspoorpatroonanalyse van 23 oktober 2011 van ing. Eikelenboom en een rapport biologische sporen- en vergelijkend DNA-onderzoek van 18 oktober 2011 van ing. Eikelenboom.

3.1.6.1

Rapport forensisch medisch onderzoek

In het rapport forensisch medisch onderzoek zijn onder meer de volgende onderzoeksbevindingen opgenomen.

Het bloedsporenbeeld op de plaats van het delict duidt erop dat het slachtoffer zich maar beperkt heeft bewogen nadat hij gewond is geraakt. Er is sprake van onder meer steekwonden en snijwonden in de hals, welke letsels zijn ontstaan door een scherprandig voorwerp. De steekwonden vertonen een zogenaamde bootvorm. Daarnaast is sprake van scherprandige verwondingen van het schedelbot, de oorschelp en de rechterwang.

Drs. Eikelenboom-Schieveld concludeert dat er zeer veel steun is voor de hypothese dat de steek- en snijverwondingen zijn toegebracht met een mes met één scherpe en één stompe kant.

De steekwonden in de hals rechts zijn verschillend van vorm en wijzen in verschillende richtingen. Dit wijst erop dat er beweging tijdens het toebrengen is geweest van de kant van het slachtoffer, mogelijk in de vorm van verzet, of van de kant van de dader. De steekwonden links in de hals vertonen een rustiger beeld, zonder veel beweging.

Er zijn aanwijzingen dat het slachtoffer aan de beide polsen en aan de hals vastgebonden is geweest, waarschijnlijk door middel van een ligatuur, aangezien daar stroken witte huid zichtbaar zijn die een scherpe begrenzing vertonen en de steekwonden in de hals zich alleen aan de onderzijde van de witte strook bevinden.

De bevinding dat witte stroken zichtbaar zijn duidt erop dat de ligaturen na het overlijden zijn verwijderd.

Er is zeer veel steun voor het scenario dat de verwondingen zijn toegebracht terwijl het slachtoffer (deels) vastgebonden op het bed lag. Het gebrek aan afweerverwondingen bij het slachtoffer kan hierdoor goed worden verklaard.

De verdeling van de verwondingen en de bloedspoorpatronen lijken beter te verklaren in een situatie waarin de dader schrijlings op de buik van het slachtoffer heeft gezeten. Door deze omstandigheden is het slachtoffer vrijwel niet in staat geweest zich te verweren.

Er is geen steun voor het scenario dat een nagel (van het slachtoffer) de halsverwondingen kan hebben veroorzaakt. Er is zeer veel steun voor het scenario dat een voorwerp met één scherpe en één stompe kant, zoals een mes, de verwondingen aan het hoofd en de hals kan hebben veroorzaakt.

Er is zeer veel steun voor het scenario dat het slachtoffer is overleden ten gevolge van een misdrijf en er is geen steun voor het scenario dat het slachtoffer is overleden

ten gevolge van auto-erotische asfyxatie.

Drs. Eikelenboom-Schieveld is als deskundige gehoord ter terechtzitting van het hof van 4 december 2012 en heeft onder meer verklaard dat de bandages (ligaturen) bij de polsen en de hals, gelet op de huidverkleuring aldaar, niet eerder dan minimaal één uur na het overlijden van het slachtoffer kunnen zijn verwijderd. Voorts heeft zij verklaard dat de geconstateerde verwondingen niet passen bij een scenario waarin die verwondingen zijn toegebracht door middel van een (standaard) nagelknipper.

3.1.6.2

Rapport bloedspoorpatroonanalyse

In het rapport bloedspoorpatroonanalyse zijn onder meer de volgende onderzoeksbevindingen opgenomen.

Concluderend kan worden gesteld dat meerdere van de aangetroffen bloedspoorpatronen erop wijzen dat het slachtoffer was vastgebonden aan zowel de handen als de nek op het moment dat de verwondingen werden toegebracht en in de periode daarna de patronen van uitgeademd bloed zijn ontstaan:

- het bloedspat vrije gedeelte rond de polsen is waarschijnlijk ontstaan doordat zich op die plekken een ligatuur bevond;

- het overdrachtspatroon op de linker pols is mogelijk ontstaan door de gesp van een riem;

- het overdrachtspatroon boven het hoofd is mogelijk ontstaan door bloed dat langs de ligatuur omhoog trok;

- de spatten op de rechter arm en linker bovenarm zijn het beste te verklaren wanneer de armen van het slachtoffer zich omhoog, naast zijn hoofd, hebben bevonden;

- de plaatsen op de spijlen van het bed, waar zich nauwelijks tot geen bloedspatten bevinden, als teken waar de ligaturen waren vastgemaakt.

Door de aangebrachte ligaturen is het slachtoffer ernstig beperkt geweest in zijn bewegingen. Op grond van de aangetroffen bloedsporen is er steun voor het scenario waarin het slachtoffer zijn hoofd slechts beperkt heeft kunnen bewegen.

Op de buik is een overdrachtspatroon aangetroffen. Ing. Eikelenboom is het met de onderzoekers van het NFI eens dat dit patroon door handen kan zijn veroorzaakt. Naast de afdruk van handen is nog een patroon zichtbaar, dat door een lineair voorwerp is veroorzaakt, zoals bijvoorbeeld een mes. Dit patroon kan zijn veroorzaakt doordat een persoon een bebloed mes in de hand heeft gehouden, terwijl deze persoon op de buik van het slachtoffer steunde.

De verdeling van de overdrachtspatronen op de handen, het ontbreken van bloed op bepaalde plekken, zoals de duim en de handrug van de linker hand, en het bijna volledig ontbreken van bloed op de rechter hand geven zeer weinig steun aan het scenario waarin het slachtoffer de letsels met zijn vingers heeft aangebracht.

Bovendien ondersteunt het bloedsporenbeeld een scenario waarin het slachtoffer tijdens het toebrengen van de letsels zeer waarschijnlijk was vastgebonden.

Er is daarom zeer weinig steun voor het scenario waarin het slachtoffer de letsels zelf heeft toegebracht.

3.1.6.3

Rapport biologische sporen- en vergelijkend DNA-onderzoek

In het rapport biologische sporen- en vergelijkend DNA-onderzoek zijn onder meer onderzoeksbevindingen opgenomen die - voor zover hier van belang - grotendeels overeenkomen met de hierboven aangehaalde onderzoeksbevindingen van het biologische sporenonderzoek van de onderzoeker van het NFI. Daarnaast zijn onder meer de volgende onderzoeksbevindingen opgenomen.

In het nagelvuil van het slachtoffer is aanzienlijk meer DNA aangetroffen dat overeenkomt met het DNA van de verdachte dan DNA dat van het slachtoffer zelf afkomstig kan zijn. Dit gegeven geeft weinig steun aan het scenario dat het slachtoffer met zijn nagel(s) de verwondingen bij zichzelf heeft toegebracht.

Indien dit laatste het geval was geweest, is de verwachting dat alleen DNA van het slachtoffer was aangetroffen, aangezien DNA van een ander of anderen dan het slachtoffer in zo’n situatie wordt overspoeld door DNA van het slachtoffer.

3.2

Beoordeling van het verweer dat geen sprake is van een misdrijf, maar van zelfdoding

Op grond van de bevindingen in het sectieverslag van dr. Visser, het bloedspoorpatroononderzoek door onderzoekers van het NFI, het rapport bloedspoorpatroonanalyse van de ing. Eikelenboom en het rapport forensisch medisch onderzoek van drs. Eikelenboom-Schieveld, alsmede op grond van hetgeen door de deskundigen Visser, Eikelenboom en Eikelenboom-Schieveld ter terechtzitting van het hof van 4 december 2012 is verklaard, stelt het hof vast dat het slachtoffer ten gevolge van een misdrijf om het leven is gebracht.

Het hof grondt dit oordeel op de aard, de diepte, de situering en het aantal van de geconstateerde letsels in combinatie met de onderzoeksbevindingen die het hof tot het oordeel leiden dat het slachtoffer direct voorafgaand aan en ten tijde van het toebrengen van het letsel zodanig vastgebonden is geweest aan zijn polsen dat hij zijn handen niet vrij heeft kunnen bewegen.

Gelet op bovengenoemde rapportages en verklaringen acht het hof het uitgesloten dat - zoals door de verdediging is gesteld - het slachtoffer door eigen toedoen om het leven is gekomen, hetzij door het gebruik van zijn nagels en/of vingers (al dan niet in de vorm van ruimen), hetzij door het gebruik van een op de plaats van het delict, zo is gebleken ter terechtzitting van het hof, waar te nemen nagelknipper.

Het hof verwerpt daarmee het verweer van de verdediging dat sprake is geweest van zelfdoding.

3.3

Beoordeling van het verweer dat de verdachte het ten laste gelegde niet heeft begaan

De verdachte heeft, zo stelt het hof vast, vasthoudend, in alle stadia van het opsporingsonderzoek en de behandeling van haar strafzaak, en grotendeels consistent verklaard niet schuldig te zijn aan het aan haar ten laste gelegde. Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat direct bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het aan haar ten laste gelegde ontbreekt.

3.3.1

Beoordeling van het tactisch onderzoek

Het tactisch onderzoek heeft geen redengevende feiten en/of omstandigheden opgeleverd, op grond waarvan de betrokkenheid van de verdachte bij het aan haar ten laste gelegde kan blijken. De uit het tactisch onderzoek blijkende en voortvloeiende feiten en/of omstandigheden stijgen naar het oordeel van het hof niet uit boven de status van louter circumstantial evidence en kunnen als zodanig - zonder nader steunbewijs - geen redengevende feiten en/of omstandigheden voor het bewijs van het ten laste gelegde opleveren, noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang en in onderling verband bezien.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal hebben aangenomen, staat daarom naar het oordeel van het hof allerminst vast dat de verdachte op 9 of 10 oktober 2008 om het leven is gekomen. Voorts staat evenmin vast dat de verdachte in de middag van 10 oktober 2008 niet meer in leven was.

3.3.2

Beoordeling van het technisch onderzoek.

Het hof is van oordeel dat de conclusies die aan het uitgevoerde DNA-onderzoek kunnen worden verbonden in casu grote beperkingen kennen. Het enkele aantreffen op de plaats van het delict, meer in het bijzonder op al dan niet intieme delen van het lichaam van het slachtoffer, van DNA-profielen die matchen met het DNA-profiel van de verdachte, kan hier niet redengevend zijn. De aanwezigheid van dat sporenmateriaal op de plaats van het delict kan zonder meer verklaard worden door het echtelijke (seksuele) contact tussen de verdachte en het slachtoffer, in de vorm van aanraaksporen en/of affectiesporen. De aanwezigheid van enkele bloedsporen, afkomstig van de verdachte, op de plaats van het delict en op het slachtoffer, kan heel goed verklaard worden door intiem echtelijk contact bij (beginnende) menstruatie van de verdachte. In dit verband wijst het hof op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof, inhoudende dat zij in de nacht van 9 op 10 oktober 2008 seksueel contact heeft gehad met het slachtoffer en dat zij op 10 oktober 2008 heeft bemerkt dat zij ongesteld geworden was. Dit onderdeel van de verklaring van de verdachte wordt niet weerlegd door de onderzoeksbevindingen en is niet daarmee in strijd.

Daarnaast kan op grond van de aanwezigheid van een DNA-profiel alleen geen uitspraak worden gedaan over het moment waarop het celmateriaal op de aangetroffen plaats terecht is gekomen. De in het diverse sporenmateriaal aangetroffen DNA-profielen die overeenkomen met het DNA-profiel van de verdachte kunnen daarom niet worden aangemerkt als een zogenaamd daderspoor of aan het ten laste gelegd delict gerelateerd spoor. In het bijzonder kan daaruit niet worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat dit celmateriaal ten tijde van het delict ter plaatse is achtergelaten.

3.4

Conclusies met betrekking tot het bewijs

Gelet op het bovenstaande heeft het hof uit het onderzoek niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair en subsidiair aan haar ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

4.

Overige beslissingen

Voorlopige hechtenis

Het hof zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

Teruggave van in beslag genomen voorwerpen

Onder verdachte is een aantal voorwerpen in beslag genomen, zoals vermeld op de beslaglijst van 11 september 2009. Het hof zal daarvan de teruggave aan de rechthebbende(n) gelasten nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Gelast de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen als genoemd op de beslaglijst van 11 september 2009 aan de rechthebbende(n).

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. J.J. Beswerda en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 21 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.