Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BY5372

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
200.103.741/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Een erfgenaam en twee legitimarissen vorderen van een andere erfgenaam en de executeur afschriften van diverse administratieve bescheiden van de erflater met het oog op de door de executeur af te leggen rekening en verantwoording. Geen spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 4 december 2012

Zaaknummer 200.103.741/01

(zaaknummer rechtbank: 17111 KG ZA 11-388)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest in kort geding van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellante 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna achtereenvolgens te noemen: [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] en gezamenlijk [appellanten],

advocaat: mr. S.H. van Os, kantoorhoudende te Leusden,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. A.C. Kool, kantoorhoudende te Amsterdam,

2. Stichting Beheer en Bewind Vellinga Wiersma Netwerk Notarissen, in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater],

gevestigd te Wolvega,

advocaat: mr. A.M.C. Helmonds, kantoorhoudende te Amsterdam,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1], respectievelijk de Stichting,

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort gedingvonnis uitgesproken op 8 februari 2012 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 6 maart 2012, respectievelijk exploot van 7 maart 2012 is door

[appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde 1], onderscheidenlijk de Stichting tegen de zitting van 20 maart 2012.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"het vonnis van de voorzieningenrechter van 8 februari 2012 (117111 / KG ZA 11-388) te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

PRIMAIR

1. Geïntimeerde onder 1 te veroordelen tot afgifte van kopieën van alle gegevensdragers als onder punt 81 aangegeven, binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat geïntimeerde daaraan geen gehoor geeft;

2. Geïntimeerde onder 1 te verbieden roerende zaken die tot de nalatenschap van of moeder of vader behoren te verkopen of anderszins te laten verdwijnen, welk verbod ingaat op de dag van betekening van het in deze te wijzen arrest en te bepalen dat geïntimeerde onder 1 een dwangsom van € 500,- verbeurt per roerende zaak die zij in strijd met dit verbod zal hebben vervreemd;

SUBSIDIAIR

3. Geïntimeerde onder 2 te gebieden, in geval het verweer van geïntimeerde onder 1 zou luiden dat zij alle gegevensdragers heeft vernietigd, in haar hoedanigheid van executeur afschriften op te vragen van alle gegevens als genoemd onder punt 82 en deze gegevens aan appellanten af te geven, met veroordeling van geïntimeerde onder 1 tot betaling van de hieraan voor de Stichting verbonden kosten;

4. Geïntimeerden onder 1 te veroordelen in de kosten van de procedures in beide instanties."

Bij akte van 20 maart 2012 zijn door [appellanten] producties in het geding gebracht.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde 1] verweer gevoerd met als conclusie:

"Tot afwijzing van de vorderingen van appellanten, althans niet-ontvankelijk en met veroordeling van appellanten in de proceskosten in eerste aanleg zowel als in hoger beroep."

Bij memorie van antwoord is door de Stichting verweer gevoerd met als conclusie:

"Tot afwijzing van de vorderingen van appellanten, althans niet-ontvankelijkverklaring en met veroordeling van appellanten in de proceskosten in eerste aanleg zowel als in hoger beroep."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben twaalf grieven opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.11. van genoemd vonnis van 8 februari 2012 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Aangevuld met enkele feiten, die in hoger beroep zijn komen vast te staan, gaat het om het volgende.

2. [appellante 1], [appellant 2], [appellant 3] en [geïntimeerde 1] zijn de kinderen van het echtpaar [moeder] (hierna te noemen: moeder) en [erflater] (hierna te noemen: vader). Moeder is [in 2009] overleden en vader [in 2010].

3. Bij testament van 27 april 2005 heeft moeder bepaald dat op haar nalatenschap het wettelijk versterfrecht van toepassing is onder de bepaling dat aan vader wordt gelegateerd het vruchtgebruik van die vermogensbestanddelen van de nalatenschap die hij verkiest. Tevens heeft moeder vader tot executeur benoemd en heeft zij bepaald dat door haar gedane giften aan afstammelingen vrijgesteld zijn van inbreng.

4. Moeder was aan het einde van haar leven dementerend en om die reden was haar vermogen onder bewind gesteld, met benoeming van [geïntimeerde 1] als bewindvoerder. Tevens was [geïntimeerde 1] haar mentor. Ter zake van de bewindvoering heeft [geïntimeerde 1] na het overlijden van moeder rekening en verantwoording afgelegd ten overstaan van de kantonrechter te Leeuwarden, die deze ingevolge artikel 1:455 BW "voor gezien" heeft getekend.

5. Vader heeft in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van moeder op 23 september 2009 een notarieel verleden boedelbeschrijving van de nalatenschap van moeder opgemaakt.

6. Vader heeft bij testament van 16 december 2008 [appellant 3] en [geïntimeerde 1] als enige erfgenamen, tevens executeur, benoemd.

7. Bij brief van 18 januari 2011 heeft [appellant 3] de kantonrechter te Leeuwarden onder andere verzocht om ontslag van [geïntimeerde 1] als executeur, welk verzoek bij beschikking van 11 juli 2011 is toegewezen. Tevens heeft de kantonrechter in zijn beschikking beslist, vanwege de tussen partijen bestaande twistpunten, om [appellant 3] eveneens als executeur te ontslaan, met benoeming van de Stichting als nieuwe executeur in de nalatenschap van vader.

8. Begin september 2011 heeft [appellant 3], mede namens [appellante 1] en [appellant 2], de Stichting verzocht om inzage in gegevensdragers, welke gegevens [geïntimeerde 1] (gedeeltelijk) tijdelijk aan de Stichting heeft verstrekt. De Stichting heeft de gevraagde inzage geweigerd.

9. Bij brief van 11 november 2011 heeft de Stichting de kantonrechter te Leeuwarden verzocht om haar als executeur in de nalatenschap van vader te ontslaan, onder gelijktijdige aanbieding van haar rekening en verantwoording. Voorts heeft de Stichting de kantonrechter verzocht om haar te ontheffen van de verplichting om de nalatenschap van vader wettelijk te vereffenen, wegens een gebrek aan baten. De kantonrechter heeft naar aanleiding van het verzoek van de Stichting op 14 februari 2012 een zitting gehouden. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat de kantonrechter de verdere behandeling van de zaak heeft aangehouden tot 14 augustus 2012.

Het geding in eerste aanleg

10. [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] hebben in eerste aanleg samengevat gevorderd te bepalen dat [geïntimeerde 1] wordt bevolen kopieën over te leggen van alle gegevensdragers betreffende de afwikkeling van de nalatenschappen van zowel moeder als vader, vanaf 5 augustus 2005 tot aan heden, waaronder in elk geval de in de dagvaarding met name genoemde stukken. Daarnaast hebben zij gevorderd te bepalen dat het [geïntimeerde 1] op straffe van een dwangsom is verboden roerende zaken die tot de nalatenschap van vader en moeder behoren te verkopen of anderszins te laten verdwijnen. Met betrekking tot de Stichting hebben [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] gevorderd, indien [geïntimeerde 1] stelt de gevraagde gegevens te hebben vernietigd, de Stichting te gebieden in haar hoedanigheid van executeur afschrift te vragen van verschillende nader omschreven gegevens en deze afschriften aan hen af te geven.

Ter onderbouwing van hun vorderingen hebben [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] aangevoerd dat zij geen zicht hebben op de omvang van de nalatenschap, nu hen tot op heden geen inzicht is gegeven in de relevante stukken, terwijl zij daar als erfgenaam en legitimarissen wel recht op hebben. Volgens hen heeft de Stichting niet alle relevante gegevens betrokken bij haar rekening en verantwoording.

11. [geïntimeerde 1] en de Stichting hebben primair de spoedeisendheid van de gevraagde voorzieningen betwist.

12. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat op zeer korte termijn de door de Stichting ingediende rekening en verantwoording ten overstaan van de kantonrechter te Leeuwarden zal worden behandeld, voor welke zitting onder meer [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] zijn opgeroepen. Die zitting is naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij uitstek geschikt om eventuele vragen betreffende bijvoorbeeld de juistheid en de volledigheid van de door de Stichting verstrekte rekening en verantwoording en de daarin gedane opgave van omvang en samenstelling van de nalatenschap van vader aan de orde te stellen. Volgens de voorzieningenrechter valt niet in te zien waarom daarop thans in kort geding vooruit gelopen zou moeten worden. Evenmin is naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidelijk wat er naar hun aard spoedeisend zou kunnen zijn aan de vorderingen van [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] voor zover die zien op het verstrekken van gegevensdragers, die naar hun aard niet verdwijnen. Wat betreft de vordering [geïntimeerde 1] te verbieden om tot de nalatenschap van moeder of vader behorende roerende zaken te vervreemden heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er geen aanleiding is een spoedeisend belang aan te nemen, omdat [geïntimeerde 1] heeft toegezegd geen goederen te zullen vervreemden.

13. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter in een groot aantal overwegingen ten overvloede uiteengezet waarom de stellingen van [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] niet tot toewijzing van hun vorderingen zouden hebben kunnen leiden, wanneer er veronderstellenderwijs van uit zou moeten worden gegaan dat de vorderingen wel een voldoende spoedeisend karakter hadden.

De grieven

14. Grief I is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] geen spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen. [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] hebben aangevoerd dat zij juist met het oog op de (destijds) aanstaande zitting van de kantonrechter over de gevraagde gegevens wensten te beschikken om de door de Stichting af te leggen rekening en verantwoording goed te kunnen beoordelen. Zij hebben benadrukt dat zij in het verleden al diverse pogingen hebben ondernomen [geïntimeerde 1] te bewegen inzage te geven in de afschriften van de verschillende bankrekeningen die hun ouders aanhielden. Verder hebben zij [geïntimeerde 1] gevraagd wat er is gebeurd met de levensverzekeringen en de uitkering uit de begrafenisverzekering. [geïntimeerde 1] heeft volgens hen echter steeds geweigerd de nodige gegevens ter beschikking te stellen. Ook ter zitting van 14 februari 2012 is de gewenste duidelijkheid niet verkregen, omdat [geïntimeerde 1] niet ter zitting is verschenen. Noch de Stichting als executeur, noch de kantonrechter hebben, aldus [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3], enig machtsmiddel [geïntimeerde 1] te dwingen dat te doen waar zij op grond van de wet toe verplicht is, namelijk het verstrekken van afschriften van gegevensdragers die zij nodig hebben voor het bepalen van hun aanspraken. Daarnaast hebben zij belang bij deze stukken, zo hebben zij gesteld, om hun vermoedens in een tegen [geïntimeerde 1] te entameren strafrechtelijke procedure te kunnen staven.

Het argument van de voorzieningenrechter dat gegevensdragers als deze niet kunnen verdwijnen strookt volgens hen niet met de realiteit.

Ten slotte hebben zij betoogd dat het [geïntimeerde 1] met onmiddellijke ingang dient te worden verboden goederen die behoren tot de nalatenschap te verkopen. [geïntimeerde 1] heeft naar hun mening al vele, zo niet alle goederen laten verdwijnen. De enkele toezegging van [geïntimeerde 1] geen goederen te zullen verkopen achten zij niet toereikend.

15. [geïntimeerde 1] heeft betoogd dat [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] geen spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Zij heeft er op gewezen dat, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, de vragen van [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] in de tot 14 augustus 2012 aangehouden procedure bij de kantonrechter aan de orde kunnen worden gesteld. [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] hadden, nu zij stellen al jaren bezig te zijn om de verlangde gegevens te verkrijgen, in de visie van [geïntimeerde 1] al veel eerder een bodemprocedure kunnen instellen. Dat zij nu ineens haast hebben, wil niet zeggen dat zij daarmee juridisch een spoedeisend belang hebben, aldus [geïntimeerde 1]. Verder blijkt volgens [geïntimeerde 1] uit de stellingen van [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] dat zij al de nodige stukken bezitten, zodat zij over meer dan voldoende informatie beschikken. Daarbij is [appellant 3] als erfgenaam zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld van alle gegevens en verzocht om mee te helpen met het uitzoeken daarvan. Naar de opvatting van [geïntimeerde 1] maakt het enkele feit dat gegevens kunnen worden vernietigd de vorderingen naar hun aard evenmin spoedeisend. Bovendien heeft [geïntimeerde 1] er op gewezen dat [appellante 1] en [appellant 2] geen beroep hebben gedaan op hun legitieme portie.

16. De Stichting heeft, onder verwijzing naar de argumenten die [geïntimeerde 1] naar voren heeft gebracht, haar standpunt gehandhaafd dat er geen sprake is van spoedeisend

belang aan de zijde van [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3].

17. Het hof stelt voorop dat, indien in hoger beroep de vraag moet worden beantwoord of een in kort geding verlangde voorziening voor toewijzing in aanmerking komt, in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang aanwezig is geacht, maar dat ook in hoger beroep mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (vgl. HR 30 juni 2000, LJN: AA6342, NJ 2001, 389 en HR 31 mei 2002, LJN AE3437, NJ 2003, 343)

18. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde 1] na haar ontslag als executeur van de nalatenschap van vader per 11 juli 2011 op de voet van artikel 4:151 BW aan de Stichting rekening en verantwoording heeft afgelegd over het beheer van de nalatenschap van vader (zie proces-verbaal zitting kantonrechter 14 februari 2012, blz. 2).

De Stichting heeft vervolgens op grond van artikel 4:151 BW in samenhang met artikel 4:161 BW ten overstaan van de kantonrechter rekening en verantwoording afgelegd over het beheer van de nalatenschap van vader.

De kantonrechter heeft de verdere behandeling van deze zaak aangehouden tot 14 augustus 2012. Het hof is door partijen niet geïnformeerd over het verdere verloop van deze procedure.

19. Op grond van artikel 4:78 lid 1 BW kan een legitimaris die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft; zij verstrekken hem desgevraagd daartoe alle inlichtingen.

Ingevolge het tweede lid van deze bepaling kan de kantonrechter op verzoek van de in lid 1 bedoelde legitimaris een of meer der erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs doen oproepen ten einde de deugdelijkheid van de boedelbeschrijving in tegenwoordigheid van de verzoeker onder ede te bevestigen.

20. Anders dan [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] hebben aangevoerd is in dit geval artikel 4:16 BW niet van toepassing. Deze bepaling, die is opgenomen in titel 3 van boek 4 BW, heeft betrekking op de situatie dat een niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot erft samen met een of meer kinderen van de erflater. In dit geval erven, omdat vader de langstlevende echtgenoot was, slechts de kinderen.

21. Krachtens artikel 3:173 BW geldt voor de erfgenamen, voor zover zij niet het beheer hebben gevoerd, dat zij van degene die het beheer heeft gevoerd in ieder geval bij het einde van het beheer rekening en verantwoording kunnen vorderen.

22. Op grond van artikel 843a Rv kan hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op deze bepaling kan zowel in, als buiten een procedure een beroep worden gedaan.

23. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat de procedure waarin door de Stichting rekening en verantwoording wordt afgelegd bij uitstek bedoeld en geschikt is om vragen betreffende de juistheid en volledigheid van de verstrekte rekening en verantwoording aan de orde stellen. Daarbij is het aan de kantonrechter om zich een oordeel te vormen over de vraag of en zo ja welke stukken ontbreken om de verstrekte rekening en verantwoording te kunnen beoordelen. De kantonrechter kan in dat verband partijen gelasten stukken in het geding te brengen en erfgenamen en executeurs onder ede horen.

[appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] hebben op geen enkele wijze onderbouwd waarom uit een oogpunt van spoedeisendheid van hen niet kan worden gevergd gebruik te maken van de mogelijkheden die de bij de kantonrechter aanhangige procedure tot het afleggen van rekening en verantwoording biedt om inzage te verkrijgen in de relevante stukken, al dan niet met gebruikmaking van artikel 843a BW.

24. Evenmin hebben [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] voldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang hebben bij inzage van de stukken waarvan zij afschriften vorderen, in het kader van een door hen gestarte procedure op grond van artikel 12 Sv ter zake van beweerdelijk door [geïntimeerde 1] gepleegde strafbare feiten.

25. Net zo min hebben zij voldoende onderbouwd dat uit een oogpunt van spoedeisendheid een verbod moet worden opgelegd aan [geïntimeerde 1] tot het verkopen of laten verdwijnen van roerende zaken uit de nalatenschap van vader. [geïntimeerde 1] is al vanaf het moment dat zij is ontslagen als executeur van de nalatenschap van vader niet meer bevoegd om over deze zaken te beschikken zonder instemming van [appellant 3], dan wel de Stichting. Het is gebleken, noch aannemelijk gemaakt dat zij nadien desondanks zaken heeft verkocht of laten verdwijnen.

26. Het hof is dan ook evenals de voorzieningenrechter van oordeel dat [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] geen spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen.

27. Grief I faalt.

28. Aangezien de grieven II tot en met XI alle betrekking hebben op overwegingen van de voorzieningenrechter ten overvloede, aan welke overwegingen geen betekenis toekomt, behoeven deze grieven geen bespreking meer.

29. Met grief XII komen [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] op tegen hun veroordeling in de proceskosten van [geïntimeerde 1] en de Stichting. Zij hebben aangevoerd dat de voorzieningenrechter gebruik had moeten maken van de mogelijkheid als bedoeld in artikel 237 lid 1 BW de proceskosten tussen hen en [geïntimeerde 1] te compenseren. Het is volgens hen juist [geïntimeerde 1] geweest die het op een procedure heeft laten aankomen door keer op keer inzage in de gevraagde stukken te weigeren.

30. Het hof is op grond van hetgeen hiervoor ten aanzien van grief I is overwogen van oordeel, zoals ook met zoveel woorden uit overweging 6.4. van het vonnis van de voorzieningenrechter blijkt, dat [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] de onderhavige kort gedingprocedure zonder noodzaak zijn begonnen. Om die reden acht het hof geen termen aanwezig de proceskosten tussen [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] enerzijds en [geïntimeerde 1] anderzijds in afwijking van de hoofdregel te compenseren. Waar het gaat om de veroordeling van [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] in de proceskosten van de Stichting is er al helemaal geen reden om af te wijken van de hoofdregel. Zij hebben die redenen ook niet aangevoerd.

31. Grief XII slaagt niet.

Slotsom

32. Het vonnis van de voorzieningenrechter van 8 februari 2012 zal worden bekrachtigd.

33. [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep van zowel [geïntimeerde 1] als de Stichting. Op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 30 is er ook in hoger beroep geen aanleiding voor het compenseren van de kosten.

De kosten van de procedure worden aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot op € 291,- aan griffierecht en € 894,- (1 punt, tarief II, € 894,- per punt) aan geliquideerd salaris van de advocaat.

De kosten van de procedure worden aan de zijde van de Stichting begroot op € 0,00 aan griffierecht en € 894,- (1 punt, tarief II, € 894,- per punt) aan geliquideerd salaris van de advocaat.

De beslissing

Het gerechtshof:

recht doende in hoger beroep in kort geding,

bekrachtigt het vonnis van 8 februari 2012;

veroordeelt [appellante 1], [appellant 2] en [appellant 3] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak:

- aan de zijde van [geïntimeerde 1] op € 291,- aan verschotten en € 894,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

- aan de zijde van de Stichting op € 894,- aan geliquideerd salaris van de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. M.M.A. Wind, voorzitter, B.J.H. Hofstee en I. Tubben en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 4 december 2012 in bijzijn van de griffier.