Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BY5354

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
200.095.146/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kwalificatie schuldbekentenis als vaststellingsovereenkomst. Beroep op dwaling stuit af op aard vaststellingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 4 december 2012

Zaaknummer 200.095.146/01

(zaaknummer rechtbank: 109546/ HA ZA 11-9)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

toevoeging,

advocaat: mr. W.A.D. Boringa, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P. Bollema, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 6 juli 2011 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 27 september 2011 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 11 oktober 2011.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij producties zijn overgelegd, luidt:

"dat het gerechtshof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 6 juli 2011 door de civiele rechter bij de rechtbank Leeuwarden, sector Civiel, locatie Leeuwarden, onder nummer 109546/HA ZA 11-9 tussen partijen gewezen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog de vorderingen af zal wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde], onder overlegging van producties, verweer gevoerd met als conclusie:

"dat het Gerechtshof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] in haar vordering niet ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen, en het vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 6 juli 2011, zaaknummer 109546/rolnummer HA ZA 11-9, zal bekrachtigen, althans in stand zal laten, met uitzondering van de proceskostenveroordeling ad € 984,89."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft zeven grieven opgeworpen.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. De door de rechtbank in haar vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.5) vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Met inachtneming van hetgeen door [appellante] onder grief 1 is aangevoerd, gaat het hof uit van de volgende.

1.1 [appellante] is de kleindochter van [geïntimeerde].

1.2 [appellante] heeft in de periode 2008-2010 met de bankpas van [geïntimeerde] geld opgenomen bij pinautomaten en een (deel) van dat geld behouden zonder toestemming van [geïntimeerde].

1.3 [geïntimeerde], [appellante] en [vader van appellante], hebben in februari 2010 een document getekend met de volgende inhoud:

"SCHULDBEKENTENIS

(…)

1. Schuldenaar ([appellante], toevoeging hof) is aan schuldeiser ([geïntimeerde], toevoeging hof) gelden verschuldigd uit hoofde van een onbevoegd opnemen van gelden toebehorend aan de schuldeiser ten bedrage van € 10.000 (tienduizend euro).

2. Schuldenaar betaalt op verzoek van de schuldeiser, geen rente over de hoofdsom.

3. Schuldenaar is verplicht op de hoofdsom per maand af te lossen een bedrag van € 250,00 voor het eerst op 15 maart 2010. (…). Bij in gebreke blijving is de schuldenaar een boete verschuldigd van € 50,- voor iedere gemiste betaling. Schuldeiser kan gemiste bedragen terstond opvragen aan de garantsteller ([vader van appellante], toevoeging hof).

4. Hoofdsom en al wat de schuldeiser verder te vorderen heeft zal terstond opeisbaar zijn, zonder waarschuwing of ingebrekestelling, bij faillissement, overlijden of ondercuratelestelling van de schuldenaar of niet-nakoming door de schuldenaar van een of meer van haar verplichtingen uit deze overeenkomst, bij de schuldenaar of garantsteller.

(…)

6. Bij het staken van de betalingen zal alsnog aangifte wegens verduistering worden gedaan bij het Openbaar Ministerie door het doen van aangifte van verduistering en oplichting door de schuldenaar.

(…)”.

1.4 [appellante] heeft één betaling gedaan van € 250,00.

1.5 [geïntimeerde] heeft op 19 juli 2010 aangifte gedaan wegens verduistering en/of diefstal door [appellante].

1.6 [appellante] heeft – voor zover relevant – als volgt ter comparitie verklaard:

“ Ik heb wel eens geld opgehaald. Ik moest wel tekenen. Anders zou ik de gevangenis ingaan. Eerst werd gezegd dat het om € 50.000,- ging, later om € 30.000,- en toen om € 10.000,- omdat het om familie ging. Mijn ex-vriend was erbij, mijn vader en later ook mijn moeder”.

De vordering en de beslissing in eerste aanleg

2. [geïntimeerde] heeft de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Leeuwarden. Zij heeft daarbij, samengevat, gevorderd dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 10.200,- (€ 9.750,- vermeerderd met een boete van € 450,-) vermeerderd met wettelijke rente over € 9.750,- vanaf 1 april 2010 tot de dag van gehele voldoening. Aan die vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat met [appellante] een vaststellingsovereenkomst is gesloten met betrekking tot de terugbetaling van dit bedrag.

3. [appellante] heeft allereerst betwist dat er sprake is van diefstal of verduistering omdat [geïntimeerde] toestemming heeft gegeven voor het opnemen van bedragen van haar bankrekening. [appellante] heeft voorts aangevoerd dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [appellante] in totaal een bedrag van € 10.000,- heeft opgenomen. [appellante] heeft ten slotte gesteld dat aan de vaststellingsovereenkomst geen waarde kan worden gehecht omdat die overeenkomst onder misbruik van omstandigheden, althans dwaling, tot stand is gekomen.

4. De rechtbank heeft de verweren van [appellante] verworpen. De rechtbank heeft de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen verklaringen voor waar gehouden en heeft de op die overeenkomst gebaseerde vordering van [geïntimeerde] onverkort toegewezen.

De grieven

5. De grieven hebben, gezien de daarop gegeven toelichting, de kennelijke strekking het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen. Onder grief 1 wordt aan het hof de vraag voorgelegd of de schuldbetekenis aangemerkt moet worden als een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW.

Vaststellingsovereenkomst

6. Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat er sprake is van een vaststellingsovereenkomst indien partijen i) ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, ii) zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan binden (7:900 lid 1 BW). Het hof is van oordeel dat de schuldbekentenis aan beide voorwaarden voldoet en dus als vaststellingsovereenkomst moet worden aangemerkt. Daartoe overweegt het hof als volgt.

7. Vast staat dat tussen partijen een geschil is ontstaan met betrekking tot de bedragen die [appellante] zonder toestemming van [geïntimeerde] van haar bankrekening heeft opgenomen en voor zichzelf heeft gehouden. Onderwerp van dit geschil was de hoogte van de bedragen die door [appellante] zonder toestemming van [geïntimeerde] zijn gepind. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan het hof [appellante] derhalve niet volgen in haar stelling dat er tussen partijen geen geschil was met betrekking tot hetgeen rechtens tussen hen had te gelden.

8. Niet is vereist dat de vaststellingsovereenkomst wederkerige verplichtingen bevat in de zin van artikel 6:261 BW. Voldoende is dat door één van de partijen bij de vaststellingsovereenkomst jegens de ander een verbintenis wordt aangegaan (6:213 lid 1 BW). Het betoog van [appellante] dat de schuldbekentenis niet als vaststellingsovereenkomst kan worden aangemerkt omdat alleen zij daar in een verbintenis is aangegaan, gaat om die reden niet op.

9. Tenslotte is het hof met [geïntimeerde] van oordeel dat de schuldbekentenis ook haar bindt nu [geïntimeerde] door ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zich jegens [appellante] heeft gebonden om af te zien van aangifte van verduistering en oplichting bij het Openbaar Ministerie. Hiermee is ook aan de tweede voorwaarde van artikel 7:900 lid 1 BW voldaan en moet de schuldbekentenis als een vaststellingsovereenkomst worden gekwalificeerd. Grief 1 faalt.

10. Onder grief 2 klaagt [appellante] er over dat de rechtbank de inhoud van de vaststellingsovereenkomst voor waar heeft gehouden. Uit de toelichting op de grief begrijpt het hof dat [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte dwingende bewijskracht heeft toegekend aan de vaststellingsovereenkomst terwijl een goedschrift als bedoeld in artikel 158 lid 1 Rv ontbreekt.

11. De klacht berust op een verkeerde lezing van het vonnis. De rechtbank heeft geen dwingend bewijs toegekend aan de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank heeft, nu [appellante] die overeenkomst heeft getekend en de inhoud niet heeft betwist, aangenomen dat waar is wat in de vaststellingsovereenkomst is verklaard. De rechtbank heeft juist met zoveel woorden overwogen dat zij niet toekomt aan de vraag of de vaststellingsovereenkomst dwingende bewijskracht heeft. Nu

[appellante] niet heeft betwist dat de in de overeenkomst vastgelegde afspraken zijn gemaakt, heeft de rechtbank terecht aangenomen dat de overeenkomst de afspraken correct weergeeft.

12. De grief klaagt er tevens over dat [geïntimeerde] niet heeft aangetoond dat zij een vordering van € 10.000,- op [appellante] heeft. [appellante] betwist dat zij van de rekening van [geïntimeerde], zonder haar toestemming en voor eigen gebruik, een totaalbedrag van € 10.000,- heeft opgenomen.

13. Met deze klacht gaat [appellante] er evenwel aan voorbij dat partijen een vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan waarin, in redelijkheid niet mis te verstane bewoordingen, is overeengekomen dat [appellante] uit hoofde van het onbevoegd opnemen van gelden van [geïntimeerde], aan [geïntimeerde] een bedrag van

€ 10.000,- is verschuldigd. Het hof voegt daar nog aan toe dat niet is gesteld of gebleken dat het vasthouden aan de gegeven vaststelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Grief 2 strandt.

Misbruik van omstandigheden, bedreiging

14. Grief 3 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het niet aannemelijk is dat er sprake was van misbruik van omstandigheden, dan wel bedreiging omdat niet alleen [appellante] en haar vader, maar ook haar ex-vriend en moeder aanwezig waren toen de vaststellingsovereenkomst werd besproken en ondertekend.

15. Het hof leest in de grief en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog aan toe dat de stellingen van [appellante] met betrekking tot de omstandigheden waaronder de gesprekken zijn gevoerd door [geïntimeerde] gemotiveerd zijn bestreden, terwijl [appellante], op wie de bewijslast van het door haar gestelde bedreigingen rust, slechts in algemene bewoordingen bewijs heeft aangeboden van haar stellingen (sub 37 MvG). Dit bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat het niet voldoende specifiek is. [appellante] heeft immers onvoldoende concreet vermeld op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft.

16. Nu geen feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat [geïntimeerde] [appellante] heeft bedreigd of onder druk heeft gezet, faalt grief 3.

17. Met grief 4 komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep op artikel 3:34 BW faalt omdat onvoldoende is gesteld dat de geestelijke problemen van [appellante] een redelijke waardering van haar belangen beletten en omdat de schuldbekentenis voor [appellante] niet nadelig zou zijn.

18. Uit de door [appellante] overgelegde verklaringen met betrekking tot haar psychisch functioneren valt weliswaar af te leiden dat [appellante] beschikt over beperkte verstandelijke vermogens, maar uit geen van die rapporten blijkt dat zij niet in staat is haar wil te bepalen. Daarbij komt dat [geïntimeerde], gelet op de aanwezigheid van de ouders van [appellante] en haar ex-vriend, het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat [appellante] door de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen ook instemde met de inhoud van die overeenkomst. [appellante] komt dus evenmin een beroep op artikel 3:34 BW toe. Grief 4 volgt het lot van de vorige grief.

Dwaling

19. Grief 6 houdt in dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de stelling [appellante] dat zij heeft gedwaald over de inhoud van de overeenkomst, althans over de hoogte van het bedrag en de terugbetalingsregeling. Ter ondersteuning van haar stelling dat [appellante] heeft gedwaald met betrekking tot de inhoud van de vaststellingsovereenkomst en het daarin opgenomen bedrag, voert [appellante] aan dat zij niet begreep dat zij tekende voor een bedrag van € 10.000,-. [appellante] stelt dat zij wel wist dat zij een deel zou moeten terugbetalen, maar dacht dat dit hooguit een bedrag van € 2.000,- zou zijn.

20. Het hof stelt voorop dat een vaststellingsovereenkomst een overeenkomst is die strekt ter beëindiging of ter voorkoming van een onzekerheid of geschil. Een dergelijke overeenkomst is gericht op het verkrijgen van zekerheid en het voorkomen van onzekerheid. Voorkomen moet worden dat er ook over die vaststellingsovereenkomst spoedig een geschil kan ontstaan. Daarom stuit een beroep op dwaling ten aanzien van de desbetreffende onzekerheid af op de aard van de overeenkomst en zal een beroep op ontbinding van een vaststellingsovereenkomst minder snel worden aanvaard. In het licht van deze terughoudendheid en de duidelijke bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst, is het hof van oordeel dat [appellante] haar stelling dat zij dacht te tekenen voor een bedrag van € 2.000,- onvoldoende heeft onderbouwd. Om die reden gaat het hof aan dit beroep op dwaling voorbij. De grief faalt.

Wettelijke rente

20. Met grief 5 bestrijdt [appellante] het oordeel van de rechtbank dat tegen het gevorderde bedrag en de ingangsdatum van de wettelijke rente geen verweer is gevoerd. [appellante] voert alsnog verweer tegen de hoogte van de vordering en de ingangsdatum van de wettelijke rente.

21. Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst volgt dat de vordering van [geïntimeerde] op [appellante] direct opeisbaar is geworden op het moment dat [appellante] in gebreke is gebleven met haar maandelijkse afbetalingen. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] in maart 2010 een betaling van

€ 250,- heeft verricht en daarna niet meer. Uit artikel 4 in samenhang met artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst volgt dat het restantbedrag van € 9.750,- vanaf 15 april 2010 en niet 1 april 2012 opeisbaar is geworden. In zoverre slaagt de grief.

Proceskosten

22. Grief 7 is gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde proceskostenveroordeling. [appellante] meent dat die proceskostenveroordeling niet juist is. In antwoord op de grief stelt [geïntimeerde] dat zij afziet van een kostenveroordeling in eerste aanleg en het hoger beroep. Om die reden zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren in de zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Slotsom

23. De slotsom luidt als volgt. [appellante] dient het in de vaststellingsovereenkomst overgekomen bedrag aan [geïntimeerde] terug te betalen. Gelet op de gewijzigde ingangsdatum van de rente en de gewijzigde proceskostenveroordeling wordt het vonnis vernietigd met toewijzing van de vorderingen als hierna te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

- vernietigt het vonnis tussen partijen gewezen van 6 juli 2011

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van

€ 10.200,- (tienduizendtweehonderd euro), vermeerderd met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag € 9.750,- vanaf

15 april 2010 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. H. de Hek, voorzitter, R.E. Weening en A.M Koene en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 4 december 2012 in bijzijn van griffier.