Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BY5324

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
200.035.830/02
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0212, Bekrachtiging/bevestiging
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHLEE:2012:BV0862, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6:23 BW. De redelijkheid en billijkheid verlangen hier dat de voorwaarde waaronder geïntimeerde verplicht was tot betaling op uurbasis voor de aan hem verleende rechtsbijstand geldt als niet vervuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 4 december 2012

Zaaknummer 200.035.830/01

(zaaknummer rechtbank: 104721/ HA ZA 08-749)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

PlasBossinade Advocaten N.V.,

gevestigd te Groningen,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

advocaat: mr. M. Weissink, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. D.R. Kamps, kantoorhoudende te Assen.

Het geding in hoger beroep

De inhoud van het tussenarrest d.d. 10 januari 2012 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge de in genoemd tussenarrest van 10 januari 2012 aan [geïntimeerde] gegeven bewijsopdracht heeft hij op 17 april 2012 zichzelf als partijgetuige en [X], medewerker bezwaar en beroep bij de Raad, als getuige, doen horen. Van de afgelegde verklaringen is proces-verbaal opgemaakt.

[geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de enquête tevens een akte indiening bewijsstukken genomen.

PlasBossinade heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een contra-enquête te houden.

Vervolgens hebben [geïntimeerde] en PlasBossinade op 1 mei 2012 respectievelijk 21 mei 2012 een akte na getuigenverhoor genomen.

Tot slot hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Bij voormeld tussenarrest van 10 januari 2012 heeft het hof aan [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen:

- de door hem gestelde relevante financiële gegevens voor de beslissing van de Raad over de omzetting van de voorwaardelijke toevoeging;

- dat de Raad op basis van die financiële gegevens de voorwaardelijke toevoeging zou hebben omgezet in een definitieve.

2. De verklaring van [geïntimeerde] als partijgetuige omtrent door hem te bewijzen feiten kan geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij zijn verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs (artikel 164 Rv). De beperking van de bewijskracht van de verklaring van de partijgetuige geldt niet als er aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft, dat zij de verklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maakt (HR 31 maart 1995, LJN: ZC1688).

3. Uit het echtscheidingsconvenant blijkt dat de definitieve versie op 18 januari 2007 respectievelijk 30 januari 2007 door partijen is ondertekend. Op grond van het in rechtsoverweging 21 van het tussenarrest van 10 januari 2012 overwogene kwam [geïntimeerde] voor een definitieve toevoeging in aanmerking indien zijn vermogen op dat moment - het hof gaat uit van de ondertekening van het echtscheidingsconvenant op 30 januari 2007 - onder de grens van € 7.500,- bleef.

4. Op grond van artikel 9 lid 1 Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (Bdr) worden voor de vaststelling van het vermogen als bezittingen in aanmerking genomen: giro-, bank- en spaartegoeden, kasgelden en cheques, effecten, onroerende zaken, ondernemingsvermogen, hypothecaire en andere vorderingen, het aandeel in onverdeelde boedels, alsmede overige bezittingen, ter beoordeling van de Raad, voor zover zij een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen. Voor de vaststelling van het vermogen worden als schulden in aanmerking genomen schulden die zijn aangegaan ter verkrijging van bezittingen als bedoeld in lid 1 en schulden die betrekking hebben op bijzondere uitgaven die de rechtzoekende gedwongen is te doen als gevolg van persoonlijke omstandigheden hemzelf of zijn huishouding betreffende.

5. [geïntimeerde] had op 30 januari 2007 de woning aan [adres] in eigendom. De waarde van de zelfbewoonde eigen woning dient te worden vastgesteld aan de hand van de waardebepaling zoals die voorkomt op de aanslag onroerende zaakbelasting. [geïntimeerde] heeft verklaard dat de WOZ-waarde € 126.000,- bedraagt. Deze waarde heeft hij echter niet met stukken aangetoond. Het hof zal uitgaan van de uit de afrekening van de notaris blijkende koopsom van deze woning van € 147.500,-.

6. Uit deze afrekening van de notaris blijkt dat [geïntimeerde] ten behoeve van de verkrijging van deze woning een hypothecaire schuld is aangegaan met een hoofdsom van € 152.653,- . Op grond van artikel 9 lid 2 sub a Bdr kan de hypotheekschuld volledig op het vermogen in mindering worden gebracht. Dit is ook aldus verklaard door getuige [X]:

"U houdt mij de volgende casus voor in afgeronde cijfers:

Mensen in de situatie van meneer en mevrouw hebben nog geen convenant gesloten, maar zijn het erover eens dat een bedrag van € 10.000,- dat bij de notaris in depot ligt aan de man moet worden uitgekeerd. Tijdens de duur van de echtscheiding koopt de man een woning voor € 150.000,-. De koopsom wordt betaald met gebruikmaking van het depot en een aanvullende lening bij de bank van € 140.000,-. De woning heeft een WOZ waarde van € 130.000,-. Het resultaat is dus een negatief saldo van € 10.000,-. (…) Nu u de casus bij herhaling aan mij voorlegt, kom ik uiteindelijk tot de conclusie dat in een dergelijk geval de toevoeging wel definitief zou zijn verleend."

7. Volgens de bij conclusie van antwoord overgelegde boekingsoverzichten is op 15 december 2006 een bedrag van € 11.871,31 uit het depot van de notaris overgemaakt naar de privérekening van [geïntimeerde]. Op 16 december 2006 is van die privérekening een bedrag van € 1.300,- overgemaakt naar de bankrekening met nummer 67.04.36.550,- om de debetstand op die bankrekening in te lopen.

8. Dat [geïntimeerde] het bij de levering van de woning op 12 januari 2007 bij te betalen bedrag van € 7.362,35 van het bedrag van € 11.871,31 heeft betaald, is nergens uit gebleken.

9. Het hof gaat er daarom van uit dat van het uit het depot ontvangen bedrag op 30 januari 2007 nog € 10.571,31 resteerde.

10. [geïntimeerde] heeft niet aangetoond dat hij herinrichtingskosten heeft gemaakt die op enigerlei wijze dienen te worden betrokken bij de vaststelling van zijn draagkracht in het vermogen.

11. Het vorenstaande resulteert in een hier relevant vermogen van [geïntimeerde] op 30 januari 2007 van € 147.500,- + € 10.571,31 -/- € 152.653,- ofwel € 5.418,31.

12. Daarmee is komen vast te staan dat [geïntimeerde] op 30 januari 2007 onder de vermogensgrens van € 7.500,- was beland en dat aan hem een definitieve toevoeging zou zijn verleend indien de Raad die gegevens had ontvangen. De redelijkheid en billijkheid verlangen hier daarom dat de voorwaarde waaronder [geïntimeerde] verplicht was tot betaling op uurbasis geldt als niet vervuld.

13. De grieven falen.

De slotsom.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd met veroordeling van PlasBossinade als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (3 punten x tarief I ad € 632,-).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 1 april 2009;

veroordeelt PlasBossinade in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 419,- aan verschotten en € 1.896,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, W. Breemhaar en

R.E. Weening en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 4 december 2012 in bijzijn van de griffier.