Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BY1259

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-10-2012
Datum publicatie
25-10-2012
Zaaknummer
200.081.121/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot verhaal van door WAM-verzekeraar uitgekeerde schade aan passagier bij ongeval. Het ongeval is veroorzaakt door de zoon van verzekeringnemer. De zoon beschikte niet over een rijbewijs en had gedronken. Verzekeraar treft regeling met ziektekostenverzekeraar van passagier, uitgaande van eigen schuld van 25% en zoekt verhaal op moeder en zoon. Het hof acht de vordering, net als de kantonrechter, toewijsbaar.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 962
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 23 oktober 2012

Zaaknummer 200.081.121/01

(zaaknummer rechtbank 318638 / CV EXPL 10-4187)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellant 1]

toevoeging,

2. [appellante 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellante 2]

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. A.H. Lanting, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

Aegon Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Aegon,

advocaat: mr. P.P.H. Lems, kantoorhoudende te 's-Gravenhage.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 13 augustus 2010 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (hierna te noemen: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 10 november 2010 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Aegon tegen de zitting van 8 februari 2011.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

''bij arrest uitvoerbaar voor voorraad, voor zover wettelijk toegestaan, te vernietigen het vonnis waarvan beroep en alsnog de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen, met haar veroordeling in de proceskosten in beide instanties.''

Bij memorie van antwoord is door Aegon verweer gevoerd met als conclusie:

''dat het uw Gerechtshof behage het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden sector kanton d.d. 13 augustus 2010 gewezen onder zaak- en rolnummer 318638 / CV EXPL 10-4187, tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde als eiseres al dan niet onder aanvulling en verbetering van gronden, te bevestigen alsmede appellanten - uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.''

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1.1 In appel kan worden uitgegaan van de door de kantonrechter in rechtsoverweging 2 vastgestelde feiten. Deze feiten komen, met wat verder over de feiten is gebleken, op het volgende neer.

1.2 [appellante 2] is de moeder van [appellant 1]

1.3 [appellante 2] was eigenaar van een personenauto Volkswagen Golf (hierna: de auto). Deze auto was conform de wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (WAM) door [appellante 2] verzekerd bij Aegon. Op de verzekeringsovereenkomst zijn de "Voorwaarden Autoverzekering particulieren nr. 1312" van toepassing. In het algemene deel van deze voorwaarden (hierna: de algemene voorwaarden) is onder meer het volgende bepaald:

"1 Begripsomschrijvingen

1.1 Verzekerden:

1.1.1 u, de verzekeringnemer;

1.1.2 de eigenaar, houder of gemachtigde bestuurder en de passagiers van uw motorrijtuig;

(…)

2. Algemene uitsluitingen

uitgesloten is schade veroorzaakt:

(…)

2.5 terwijl de bestuurder niet wettelijk bevoegd is uw motorrijtuig te besturen;

Wij doen geen beroep op de hiervoor genoemde uitsluitingen ten aanzien van die

verzekerde die aantoont, dat de daarin bedoelde omstandigheden zich buiten zijn

weten en tegen zijn wil hebben voorgedaan en hem daarvan redelijkerwijs geen

verwijt treft."

In het hoofdstuk "Bijzondere voorwaarden aansprakelijkheid"(hierna: de bijzondere voorwaarden) van de toepasselijke voorwaarden is onder meer bepaald:

"4 Schaderegeling

Wij belasten ons met de regeling en vaststelling van de schade. Wij hebben het recht

benadeelden rechtsreeks schadeloos te stellen en met hen schikkingen aan te gaan. Wij

zullen daarbij steeds de belangen van de verzekerde in het oog houden.

5 verhaalsrecht

5.1 In alle gevallen waarin wij op grond van de wet schadevergoeding zijn verschuldigd, terwijl

de verzekerde geen rechten aan de verzekering kan ontlenen, hebben wij het recht de

schadevergoeding en de kosten te verhalen op u of op de aansprakelijke verzekerde.

5.2 Als de verzekerde geen rechten kan ontlenen aan de verzekering op grond van

omstandigheden, die zich buiten zijn weten en tegen zijn wil hebben voorgedaan en hem

daarvan redelijkerwijs geen verwijt treft, maken wij tegenover hem geen gebruik van ons

verhaalsrecht."

1.4 Op 10 maart 2005 omstreeks 01.00 uur heeft te Burgum een eenzijdig ongeval met de auto plaatsgevonden, waarbij de auto over de kop is geslagen. De auto werd bestuurd door [appellant 1], die toen niet over een geldig rijbewijs beschikte en onder invloed van alcohol verkeerde. Bij hem werd een ademalcoholgehalte van 455 ug/l vastgesteld. Een inzittende van de auto, [inzittende] heeft bij dat ongeval letsel opgelopen en is daarvoor in het ziekenhuis behandeld.

1.5 De Friesland, de ziektekostenverzekeraar van [inzittende], heeft de kosten van de medische behandeling van [inzittende] bij Aegon gevorderd. Aegon heeft daarop 75% van deze kosten vermeerderd met administratiekosten, in totaal een bedrag van

€ 4.603,88, aan de Friesland uitgekeerd.

1.6 Aegon heeft [appellanten] verzocht en gesommeerd het door aan de Friesland uitgekeerde bedrag te voldoen, maar [appellanten] hebben dit geweigerd.

Het geschil in eerste aanleg

2. Aegon heeft [appellanten] gedagvaard en hoofdelijke veroordeling gevorderd van [appellanten] tot betaling van een bedrag van € 5.000.-- (een bedrag van € 4.603,88 te vermeerderen met wettelijke rente, welke rente zij heeft gemaximeerd) en van de proceskosten. De kantonrechter heeft de vordering van Aegon toegewezen, ondanks het door [appellanten] gevoerde verweer. Hij heeft in dat verband onder meer overwogen dat [appellant 1] als bestuurder en feitelijk schadeveroorzaker als aansprakelijk verzekerde kan worden aangemerkt, zodat de vordering van Aegon op hem op grond van het bepaalde in artikel 5.1 van de bijzondere voorwaarden toewijsbaar is. Ook de vordering tegen [appellante 2] is volgens de kantonrechter toewijsbaar. [appellante 2] heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld voor een geslaagd beroep op artikel 2.5 van de algemene voorwaarden (en artikel 5.2 van de bijzondere voorwaarden). Ten slotte heeft de kantonrechter overwogen dat de door Aegon met de Friesland getroffen regeling, inhoudende dat in verband met eigen schuld van [inzittende] 75% van de schade wordt vergoed, niet onredelijk is.

Bespreking van de grieven

3. Het hof stelt vast dat de grieven zich niet richten tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant 1] als de aansprakelijke verzekerde kan worden aangemerkt en dat het bepaalde in artikel 5.1 van de bijzondere voorwaarden de grondslag biedt voor een verhaalsrecht van Aegon op [appellant 1] Voor wat betreft de vordering van Aegon op [appellant 1] staat in hoger beroep nog slechts ter discussie of Aegon bij de schade-afwikkeling met de Friesland terecht heeft ingestemd met een percentage eigen schuld van 25%.

4. Met grief I komt [appellante 2] op tegen het oordeel van de kantonrechter over het door haar gedane beroep op artikel 2.5 van de Algemene Voorwaarden. Volgens [appellanten] heeft het gebruik van de auto door [appellant 1] buiten haar wetenschap en tegen haar wil plaatsgevonden. Zij lag al op bed en het is zeer aannemelijk dat zij al sliep toen haar zoon zonder haar om toestemming te hebben gevraagd de sleutels van de auto bemachtigde en met de auto is gaan rijden. Zij hoefde niet bedacht te zijn dat haar zoon met de auto zou gaan rijden, aldus [appellante 2]

5. [appellante 2] kan zich alleen beroepen op artikel 2.5 van de Algemene Voorwaarden/artikel 5.2 van de Bijzondere Voorwaarden wanneer het gebruik van de auto door haar zoon zich buiten haar weten en tegen haar wil heeft voorgedaan en dat haar daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Uit hetgeen [appellante 2] heeft gesteld volgt dat het gebruik van de auto door [appellant 1] buiten haar weten heeft plaatsgevonden. Dat wil nog niet (zonder meer) zeggen dat zij het niet eens was met dat gebruik en dat dit gebruik dus ook tegen haar wil plaatsvond. Het enkele feit dat [appellante 2], zoals zij stelt, geen toestemming heeft gegeven voor het gebruik van haar auto, kan niet zonder meer de conclusie dragen dat dit gebruik tegen haar wil heeft plaatsgevonden. Of dat laatste het geval is, is onder meer afhankelijk van het antwoord op de vraag of [appellant 1] eerder, naar [appellante 2] bekend was, gebruik heeft gemaakt van haar auto, of [appellante 2] hem op dat gebruik heeft aangesproken en, wanneer van eerder (voor [appellante 2] kenbaar) gebruik geen sprake is geweest, [appellante 2] er, bijvoorbeeld op grond van uitlatingen van [appellant 1], rekening mee diende te houden dat [appellant 1] haar auto zou gebruiken wanneer hem dat uitkwam. [appellante 2] heeft daarover niets gesteld. Uit haar conclusie van dupliek in eerste aanleg, waarin zij uiteenzet dat [appellant 1] bevoegd bestuurder was van grote landbouwmachines, dat hij zijn rij-examen al had aangevraagd en dat de weersomstandigheden die nacht niet slecht waren, zodat "het best wel goed had kunnen gaan", volgt eerder dat [appellante 2] er rekening mee kon houden dat [appellant 1] er geen been in zou zien de auto onder omstandigheden te gebruiken dan dat dit gebruik voor haar als een totale verrassing kwam. Onder deze omstandigheden had het op de weg van [appellante 2] gelegen om te stellen dat zij [appellant 1] het gebruik van haar auto uitdrukkelijk verboden had, dan wel dat, en waarom, zij er (toch) geen rekening mee hoefde te houden dat [appellant 1] haar auto wel eens zonder voorafgaand toestemming te vragen zou kunnen gaan gebruiken. Het hof laat bij dit oordeel nog buiten beschouwing dat [appellante 2] met haar stelling dat "zeer aannemelijk is dat zij sliep" de mogelijkheid open laat dat zij niet sliep toen [appellant 1] wegreed met de auto.

6. De slotsom is dat het hof, met de kantonrechter, van oordeel is dat [appellante 2] haar beroep op genoemde bepalingen uit de verzekeringsvoorwaarden onvoldoende heeft onderbouwd. Nu [appellante 2] in haar stelplicht is tekortgeschoten, kan zij niet worden toegelaten tot bewijsleveringen. Het hof zal het door [appellante 2] gedane bewijsaanbod dan ook passeren.

7. Grief II betreft het door Aegon bij de met De Friesland in aanmerking genomen percentage eigen schuld. Volgens [appellanten] heeft [inzittende], die net als [appellant 1] alcohol had gebruikt en wist dat [appellant 1] geen rijbewijs had, het risico op een ongeval aanvaard, zodat hij de schade geheel zelf moet dragen. De genoemde omstandigheden aan de zijde van [inzittende] staan in elk geval aan een regresactie van Aegon in de weg en rechtvaardigen hooguit een vergoeding van 50% van de schade, aldus [appellanten] Aegon meent dat de door haar getroffen minnelijke regeling redelijk is en ook recht doet aan de belangen van [appellanten] Zij beroept zich ook op artikel 4 van de bijzondere voorwaarden. deze bepaling biedt haar een grote vrijheid de schade naar eigen inzicht te regelen, aldus Aegon.

8. Het hof volgt [appellanten] niet in hun betoog dat bij [inzittende] sprake is van risico-aanvaarding. De enkele omstandigheid dat degene die gaat meerijden met een onder invloed van alcohol verkerende bestuurder van deze toestand van de bestuurder op de hoogte was of had behoren te zijn, brengt niet mee dat de meerijder naar recht en billijkheid in het geheel geen aanspraak op schadevergoeding heeft (Hoge Raad oktober 1990, LJN: AC 2674). Dat

[appellant 1] ook niet over een rijbewijs beschikte, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de eigen stellingen van [appellanten] volgt dat hij bevoegd was grote landbouwvoertuigen te besturen en dat hij het rij-examen had aangevraagd. Er kan dan ook van worden uitgegaan dat [appellant 1] wel over de vaardigheden beschikte een personenauto te besturen.

9. [appellanten] hebben hun betoog dat de omstandigheden aan de zijde van [inzittende] in de weg staan aan een regresactie van Aegon niet toegelicht. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom omstandigheden aan de zijde van [inzittende], met wie Aegon geen enkele band heeft, in de weg zouden staan aan een regresactie van Aegon op [appellanten] Dit betoog faalt dan ook.

10. De vraag die resteert is of het in aanmerking genomen percentage eigen schuld te laag is. In de rechtspraak over eigen schuld in verband met het meerijden met een bestuurder die alcohol heeft gebruikt, wordt geregeld een percentage van 25% gehanteerd. Het in een minnelijke regeling hanteren van een dergelijk percentage roept dan ook niet al op voorhand vragen op. Naar het oordeel van het hof is het percentage in dit geval ook passend. In dit verband overweegt het hof dat het vastgestelde ademalcoholgehalte van [appellant 1] weliswaar (onaanvaardbaar) hoog is, maar er niet op wijst dat [appellant 1] dronken was. Dat hebben [appellante 2] ook niet gesteld. Mede gelet op wat hiervoor is overwogen over het ontbreken van een geldig rijbewijs, acht het hof een percentage eigen schuld van 25% op zijn plaats. Aegon heeft dan ook niet ingestemd met een te laag percentage eigen schuld.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen kan het beroep van Aegon op artikel 4 van de bijzondere voorwaarden onbesproken blijven. Om die reden kan ook in het midden blijven of Aegon zich ook jegens [appellant 1], die geen partij is bij de verzekeringsovereenkomst, wel op deze bepaling kan beroepen. Het zelfde geldt voor de vraag welke ruimte Aegon heeft bij het treffen van een minnelijke regeling.

12. De grief faalt.

13. Grief III, die zich richt tegen de toewijzing van de vordering van Aegon en niet afzonderlijk is toegelicht, heeft naast de vorige grieven geen zelfstandige betekenis en faalt om die reden.

14. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [appellanten] worden veroordeeld in de proceskosten in appel (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief I).

De beslissing:

het gerechtshof;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in appel en bepaalt deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van Aegon gevallen, op € 649,-- aan verschotten en op € 632,-- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. H. de Hek, voorzitter, L. Groefsema en R.E. Weening en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 23 oktober 2012 in bijzijn van de griffier.