Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BY0530

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-10-2012
Datum publicatie
18-10-2012
Zaaknummer
200.086.451/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur, geschil over de vraag of ontruiming al dan niet terecht was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 16 oktober 2012

Zaaknummer 200.086.451/01

(zaaknummer rechtbank: 293830 \ CV EXPL 10-5604)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellante 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna afzonderlijk [appellant] respectievelijk [appellante] te noemen, gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudende te Leek,

tegen

De rechtspersoonlijkheid bezittende stichting Stichting Actium,

gevestigd te Assen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: Actium,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 15 maart 2011 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 19 april 2011 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Actium tegen de zitting van 10 mei 2011.

Het petitum van de appeldagvaarding luidt:

“te vernietigen het vonnis d.d. 15 maart 2011 van de Rechtbank te Assen (…) en, voor zover de Wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw rechtdoende:

de door appellanten ingestelde vorderingen alsnog toe te wijzen;

de door geïntimeerde ingestelde vorderingen alsnog af te wijzen;

met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.”

Bij memorie van grieven (met producties) is voor eis geconcludeerd overeenkomstig de eis zoals vermeld in de appeldagvaarding.

Bij memorie van antwoord (met producties) is door Actium verweer gevoerd met als conclusie:

“te bekrachtigen het vonnis van de rechtbank Assen (…) d.d. 15 maart 2011, (…) zo nodig onder aanvulling of verbetering van gronden, met afwijzing van de vordering van appellanten en met hoofdelijke veroordeling van hen (appellanten), des dat de één betalend de ander zal zijn gekweten, in de kosten van het hoger beroep.”

Voorts hebben [appellanten] een akte overlegging producties genomen en vervolgens heeft Actium een antwoordakte genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben zeven grieven opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1 Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.4) van genoemd vonnis van 15 maart 2011 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden:

1.1 [appellanten] hebben een woning gehuurd van Actium aan [adres] te [plaats] (gemeente [gemeente]). In 2009 had Actium in verband met een renovatie de huurovereenkomst opgezegd per 1 juni 2010.

1.2 Tussen partijen heeft een eerdere procedure plaatsgehad: in december 2009 heeft Actium in kort geding ontruiming van het gehuurde gevorderd. Zij heeft aangevoerd dat [appellanten] vanaf 2007 overlast aan omwonenden zijn gaan toebrengen, die vervolgens in ernst en frequentie is toegenomen. Deze overlast bestond onder meer uit het veroorzaken van ernstige geluidshinder door geschreeuw en veelvuldig geblaf van hun honden, door het uiten van bedreigingen, intimiderend gedrag, belediging, bij de buren naar binnen gluren, het omhoog houden van borden met beledigende teksten en het ongevraagd maken van foto’s van omwonenden. Daarnaast zou [appellant] een voor Actium werkzame schilder hebben mishandeld. De kantonrechter te Assen heeft de vordering bij vonnis van 25 januari 2010 toegewezen.

1.3 [appellanten] hebben daartegen tevergeefs spoedappel ingesteld; in zijn arrest van 20 april 2010 heeft dit hof de overwegingen van de kantonrechter overgenomen en daaraan het navolgende toegevoegd:

“Daargelaten wat de aanleiding is geweest voor het conflict tussen [appellant] en [appellante] enerzijds en de omwonenden anderzijds, uit de door Actium bij inleidende dagvaarding overgelegde producties, in onderling verband en samenhang bezien, komt duidelijk naar voren dat Actium vanaf 2007 met regelmaat klachten heeft ontvangen omtrent door [appellant] en [appellante] en hun honden veroorzaakte overlast voor de buurt(bewoners). Dat die klachten betrekking hadden op ernstige en niet te tolereren gedragingen van [appellant] en [appellante], blijkt voorshands evenzeer genoegzaam uit de betreffende producties. Het had op de weg van [appellant] en [appellante] gelegen de door Actium in overvloed geproduceerde bewijsmiddelen (waaronder een groot aantal bij een notaris onder ede afgelegde verklaringen van buurtbewoners) te ontzenuwen door de eigen stellingen eveneens met bewijsstukken te onderbouwen, zulks mede gelet op het feit dat de kort geding procedure zich niet leent voor het horen van getuigen. Het hof moet echter vaststellen dat [appellant] en/of [appellante] weliswaar in eerste aanleg een groot aantal producties hebben overgelegd, doch dat zich onder die producties niet één verklaring bevindt van een omwonende of een anderszins betrokken derde waaruit steun kan worden geput voor de door [appellant] en [appellante] betrokken stellingen en gevoerde verweren. De wel door [appellant] en/of [appellante] overgelegde producties ondersteunen weliswaar de stellingen dat de buurt zich ook jegens hen niet onbetuigd heeft gelaten, maar poetsen de aantijgingen van door [appellant] en [appellante] veroorzaakte ernstige en – ondanks waarschuwingen – herhaalde overlast die ontruiming in kort geding rechtvaardigt, allerminst weg.”

1.4 [appellanten] hebben de woning in februari 2010 verlaten. Op 19 februari 2010 hebben zij twee keer afval naar het zogenoemde brengstation in Roden gebracht.

De gemeente [gemeente] heeft Actium op 24 maart 2010 een bedrag van

€ 257,91 gefactureerd voor het ophalen van 5m3 grof vuil. Op de bijgevoegde acceptgiro is vermeld dat het gaat om “grof vuil [adres] te [plaats]”. Aannemersbedrijf [aannemersbedrijf] B.V heeft Actium € 219,- exclusief BTW in rekening gebracht als "loon week 8" van [werknemer] betreffende werk aan [adres] te [plaats]. Actium heeft [appellanten] (inclusief BTW) het saldo van

€ 518,52 in rekening gebracht. Dit bedrag is tot op heden niet betaald.

1.5 [appellanten] wonen inmiddels elders. Zij hebben nog een huurachterstand bij Actium van € 237,93.

1.6 Aan [adres] te [plaats] bevindt zich een duivenhok dat aan [appellanten] toebehoort. Actium heeft hen laten weten dat zij dit duivenhok door derden mogen laten ophalen.

De vordering in eerste aanleg en de beoordeling daarvan

2.1 [appellanten] hebben, na eiswijziging, in eerste aanleg gevorderd Actium te veroordelen tot betaling van € 5.327,-, althans een in goede justitie te bepalen vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten, vermeerderd met rente. Zij hebben daaraan ten grondslag gelegd dat Actium hen ten onrechte heeft gedwongen de woning te verlaten. Daarnaast vorderden [appellanten] afgifte van hun duivenhok op straffe van een dwangsom (van € 100,- per dag), één en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van Actium in de kosten van de procedure.

2.2 Actium heeft zich hiertegen verweerd en heeft in reconventie gevorderd voor recht te verklaren dat [appellanten] in ernstige mate tekort zijn geschoten in de nakoming de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, op grond van welke wanprestatie zij daarnaast een verklaring van ontbinding dan wel ontbinding per de ontruimingsdatum 24 februari 2010 heeft gevorderd. Voorts vorderde zij betaling van € 756,45 met rente vanaf 10 juni 2010 vanwege huurachterstand en verzuim om de woning behoorlijk op te leveren.

2.3 De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellanten] in conventie afgewezen en hen in reconventie veroordeeld om het door Actium gevorderde bedrag te voldoen.

De kantonrechter overwoog in haar vonnis, met overneming van hetgeen de rechterlijke instanties in kort geding hadden overwogen, dat hetgeen [appellanten] ter weerlegging van de aan hun adres gemaakte verwijten hebben ingebracht onvoldoende is om de gemotiveerde en met tal van bewijsstukken onderbouwde stellingen van Actium ten aanzien van de door hen veroorzaakte ernstige overlast te onkrachten. Ten aanzien van de vordering tot afgifte van het duivenhok overwoog de kantonrechter dat [appellanten] daarbij, gelet op de mededeling van Actium dat dit door derden kan worden afgehaald, geen belang meer hebben. De door Actium gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst per 24 februari 2011 heeft de kantonrechter afgewezen, onder overweging dat zulks niet met terugwerkende kracht kan geschieden en de overeenkomst door de opzegging reeds per 1 juni 2010 is geëindigd. De vordering tot betaling van achterstallige huur ad € 237,93 werd toegewezen op de grond dat [appellanten] deze hadden erkend, de opruimkosten ad € 518,52 (inclusief BTW), achtte de kantonrechter, bij gebreke van een voldoende consistente betwisting daartegen, terecht in rekening gebracht. [appellanten] werden zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten verwezen.

Bespreking van de grieven

3 De overlast

3.1 De grieven I tot en met III richten zich - kort gezegd - tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] c.s aan omwonenden en derden ernstige overlast hebben toegebracht zodat Actium hen kon dwingen de woning te verlaten.

3.2 Voor zover [appellanten] zich erover hebben beklaagd dat de kantonrechter het in kort geding gegeven voorlopig oordeel klakkeloos heeft overgenomen, berust zulks op een verkeerde lezing van het bestreden vonnis. Immers de kantonrechter heeft op dit punt (in rechtsoverweging 5.3 van het bestreden vonnis) wel degelijk een eigen oordeel geveld. Dat zij daarbij verwijst naar overwegingen uit eerdere procedures en die tot de hare maakt, brengt nog niet mee dat hier geen sprake is van een eigen duiding.

3.3 Het hof stelt voorop dat de misdragingen waar [appellanten] van worden beticht, zoals hiervoor onder randnummer 1.2 opgesomd, indien zij komen vast te staan, voldoende grond op leveren voor een gedwongen ontruiming.

[appellanten] hebben aangevoerd dat de kantonrechter niet kon oordelen dat zij zich aan dit gedrag schuldig hebben gemaakt omdat Actium het bewijs daarvoor niet heeft geleverd, althans dat zij op zijn minst in de gelegenheid moeten worden gesteld om tegenbewijs te leveren.

Aan de basis van de vordering van [appellanten] ligt de stelling dat zij als huurders recht hebben op woongenot (hetgeen hun is ontzegd). Actium heeft dit gepareerd met de stelling dat de ontruiming terecht was; dit is een bevrijdend verweer. Op zichzelf is het standpunt van [appellanten] dat Actium dient te stellen en, bij voldoende verweer, te bewijzen dat de ontruiming terecht was, dus juist. De vraag of hier sprake is van voldoende onderbouwd verweer wordt door het hof evenwel ontkennend beantwoord.

3.4 Het hof overweegt daartoe als volgt.

Bij de stukken bevindt zich een stortvloed van getuigenissen van hinderlijk, bedreigend en bizar gedrag. Deze zijn niet alleen afkomstig van de door [appellanten] als kwelgeest ervaren buurman [buurman], maar van een brede kring van buurtbewoners alsook van relatieve buitenstaanders zoals een schilder, politiemensen en medewerkers van gemeente en GGZ. De getuigenissen zijn voor een belangrijk deel onder ede ten overstaan van een notaris herhaald. Aldus doen de stukken kond van een indrukwekkende reeks incidenten, die merendeels uit eigen wetenschap en vaak met precieze vermelding van datum en tijd werden opgetekend. Gelet op deze stukken mocht van [appellanten] een solide onderbouwing van hun standpunt dat hen geen blaam treft worden verwacht. [appellanten] hebben volstaan met de stelling het slachtoffer van een buurthetze te zijn geworden, onder overlegging van twee verklaringen van buren die niet verder strekken dan dat dezen zelf geen hinder van [appellanten] hebben ervaren, een verklaring waarin is opgetekend dat [appellanten] erg "op zichzelf waren” en dat de schrijver er verder niet over kan oordelen, alsmede een verklaring waarin een medebewoner aangeeft het verweten gedrag nimmer te hebben waargenomen. Deze verklaringen zijn, mede bezien in het licht van de overmacht van aanwijzingen voor het tegendeel, niet toereikend om het standpunt van [appellanten] te schragen. Voor het overige bestaat de door [appellanten] ingebrachte onderbouwing uit een aanzienlijke en ongesorteerde hoeveelheid zelfgeschreven brieven en zelfgemaakte foto's, waarmee zij hun beklag doen over gedragingen van anderen, hetgeen evenmin een weerlegging van de aan hun adres gemaakte verwijten oplevert. Het – door Actium niet weersproken – gegeven dat [appellanten] zelf ook agressie en hinder van buurtbewoners hebben ervaren, doet aan hun eigen misdragingen en daarmee aan hun tekortschieten ten opzichte van Actium niet af. Het hof merkt daarbij nog op dat met eventueel grensoverschrijdend gedrag van buren de misdragingen van [appellant] tegenover niet-buurtgenoten (waar het dossier vele voorbeelden van bevat) niet zijn verklaard.

3.5 Aldus hebben [appellanten] hun verweer dat hen geen schending van goed huurderschap kan worden aangewreven onvoldoende onderbouwd. Dit geldt naar het oordeel van het hof ook als de aangifte van mevrouw [betrokkene], waar [appellanten] in hun tweede grief op doelen, wordt weggedacht: ook zonder die aangifte is de veelheid van bronnen en de opsomming van concrete incidenten zodanig dat van [appellanten] daar een beter weerwoord op mocht worden verlangd.

3.6 [appellanten] hebben nog aangevoerd dat Actium hun op enig moment vervangende woonruimte heeft aangeboden (welk aanbod door hen is afgeslagen). Hun betoog dat Actium daarmee heeft onderschreven dat hun geen verwijt te maken valt, treft geen doel: immers niet valt in te zien waarom een verhuurder in een poging om de rust in een buurt te doen weerkeren niet vóór alles zou proberen om (juist) de agressor tot vertrek te bewegen. Overigens volgt uit dit aanbod van Actium dat zij, anders dan [appellanten] beweren, wel degelijk activiteiten heeft ontplooid om de situatie te beteugelen.

3.7 Gelet op het voorgaande staat ook in de onderhavige (bodem)procedure vast dat [appellanten] ernstige overlast aan omwonenden en derden hebben veroorzaakt en wordt aan bewijslevering te dier zake niet toegekomen.

Actium kan dan ook niet worden verweten dat zij de ontruimings¬procedure in gang heeft gezet en evenmin dat zij, na daarvoor een titel te hebben verkregen, [appellanten] heeft gedwongen de woning te verlaten. Hun vordering tot vergoeding van schade wegens onrechtmatig handelen stuit hier op af. Nu hun vertrek op hun eigen wanprestatie, en niet op de geplande renovatie, moet worden teruggevoerd, is toekenning van een vergoeding van verhuis- en herinrichtings¬kosten op de voet van art. 7: 275 BW evenmin aan de orde. De grieven I tot en met III falen.

4 Het duivenhok

4.1 Met grief IV komen [appellanten] op tegen het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van hun vordering tot afgifte van hun duivenhok. Actium heeft, niet alleen in eerste aanleg maar ook in hoger beroep, aangegeven dat [appellanten] het duivenhok door derden mogen laten ophalen. [appellanten] stellen zich op het standpunt dat daarmee onvoldoende aan hun vordering tegemoet wordt gekomen: zij vorderen afgifte aan hen persoonlijk en wensen het duivenhok dus eigenhandig af te halen.

4.2 Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt is dat een huurder het gehuurde bij het einde van de huur oplevert in dezelfde staat waarin hij het bij aanvang van de huur heeft aanvaard. Dit volgt uit art. 7:224 BW en wordt in de in casu toepasselijke huurvoorwaarden nog eens bevestigd. [appellanten] dienden het duivenhok bij hun ontruiming van het gehuurde dus mee te nemen. Het gegeven dat hun vertrek onvrijwillig en/of op korte termijn plaatsvond doet daaraan niet af: zij hadden zich hangende de ontruimingsprocedure op een voor hen tegenvallende afloop kunnen prepareren.

4.3 Door het duivenhok niet tijdig af te voeren hebben [appellanten] zelf veroorzaakt dat hun eigendom zich op een plaats bevindt die zij niet zonder toestemming van Actium kunnen betreden. Niet in geschil is dat in de buurt ten tijde van het vertrek van [appellanten] een agressieve sfeer heerste. Uit de gedingstukken rijst het beeld op van een explosieve situatie, waarin buren doorlopend voor elkaar op de loer liggen en elkaar fotograferen, geprepareerd op grensoverschrijdend gedrag en met de intentie om daar op te reageren. De stelling van Actium dat het verschijnen van [appellanten] wederom tot problemen zal leiden, is mede gelet op dat beeld door [appellanten] niet genoegzaam betwist. Het hof is van oordeel dat het belang van Actium bij een leefbare buurt het belang van [appellanten] om het hok zelf op te kunnen halen overtreft. Het hof laat dan nog daar dat [appellanten] hun belang daarbij ook onvoldoende hebben toegelicht: hun niet nader geadstrueerde stelling dat hen dit op kosten zal komen te staan is daartoe niet toereikend.

4.4 De conclusie is dat van Actium in de gegeven omstandigheden niet kan worden verlangd dat zij [appellanten] in het gehuurde toelaat en dat zij aan haar verplichting tot afgifte van het duivenhok tegenover [appellanten] heeft voldaan door hen in de gelegenheid te stellen het door derden te laten afhalen. Dat betekent dat grief IV faalt.

5 De opruim- en herstelkosten

5.1 Met grief V vechten [appellanten] de toewijzing van Actiums (oorspronkelijk) reconventionele vordering tot betaling van € 518,52 in verband met opruim- en herstelkosten aan.

5.2 Actium heeft gesteld dat zij de kosten heeft moeten maken doordat zij na het vertrek van [appellanten] met inschakeling van derden nog huisraad en afval uit het gehuurde heeft moeten verwijderen. [appellanten] hebben deze stelling, die met de door Actium in het geding gebrachte gespecificeerde nota’s (waarvan de inhoud onder 1.4 is weergegeven) voldoende werd onderbouwd, naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd betwist. [appellanten] stellen het gehuurde voldoende leeg en opgeruimd te hebben achtergelaten. Zij voeren daartoe aan dat alleen al uit de omstandigheid dat zij zelf afval hebben afgevoerd aannemelijk wordt dat zij getracht hebben om de woning op correcte wijze te ontruimen. Dat laatste moge zo zijn, maar dat betekent nog niet dat zij daarin ook zijn geslaagd. Anders gezegd: het gegeven dat [appellanten] tot twee keer toe (grof)vuil hebben weggebracht levert geen voldoende weerspreking op van de stelling dat Actium

(daarnaast) nog het nodige af heeft moeten laten voeren. Gelet op de datum waarop een en ander bij Actium in rekening werd gebracht (te weten kort na hun vertrek) en de eigen stelling van [appellanten] dat zij de laatste huurders van de woning waren, wordt hun bewering dat niet onaannemelijk is dat het afval eerst na hun vertrek op het perceel werd verzameld gepasseerd. Het hof betrekt verder bij zijn oordeel ook het gegeven dat met het achterlaten van het duivenhok vaststaat dat het leegruimen van het gehuurde door hen niet werd voltooid.

5.3 [appellanten] hebben nog aangevoerd dat Actium de kosten zonder goede reden heeft gemaakt, aangezien de woning toch zou worden gesloopt. Dit standpunt treft geen doel, nu Actium al in eerste aanleg onbetwist heeft aangegeven dat de woning onmogelijk kon worden gesloopt met huisraad en andere spullen erin.

Dat betekent dat ook de vijfde grief faalt.

6 Resterende geschilpunten

Nu, zoals uit het voorgaande volgt, de kantonrechter [appellanten] zowel in conventie als in reconventie terecht in het ongelijk heeft gesteld, kunnen ook de op het aantasten van de proceskostenveroordeling en het dictum gerichte grievenVI en VII niet slagen.

7 Slotsom

De grieven falen en het bestreden vonnis van de kantonrechter te Assen

d.d. 15 maart 2011 zal worden bekrachtigd.

[appellanten] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: 1,5 punten, tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, des dat een betalend de ander in zoverre zal zijn gekweten, in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Actium begroot op € 284,- aan verschotten en op € 576,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

Aldus gewezen door mr. H. de Hek, voorzitter, en mrs. L. Groefsema en A.M. Koene en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 16 oktober 2012 in bijzijn van de griffier.