Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BY0522

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-10-2012
Datum publicatie
18-10-2012
Zaaknummer
200.082.447/01 200.082.453/01 200.082.471/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afdwingbaarheid uittreedregeling bij ontbreken van de nadere uitwerking daarvan in huishoudelijk reglement.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2013/8
JONDR 2013/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 16 oktober 2012

Zaaknummer 200.082.447/01 en 200.082.453/01 en 200.082.471/01

(zaaknummer rechtbank: HA ZA 09-887, HA ZA 09-874 en HA ZA 10-2)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak met zaaknummer 200.082.447/01 (hierna ook: zaak 447)

Drents Overijsselse Coöperatie Kaas B.A. h.o.d.n. D.O.C. Kaas,

gevestigd te Hoogeveen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: DOC,

advocaat: mr. E. van Asselt-Pronk, kantoorhoudende te Hoogeveen,

tegen

[geïntimeerden]

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. G.D. te Biesebeek, kantoorhoudende te Zwolle.

Alsmede in de zaak met zaaknummer 200.082.453/01 (hierna ook: zaak 453)

Drents Overijsselse Coöperatie Kaas B.A. h.o.d.n. D.O.C. Kaas,

zaakdoende te Hoogeveen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: DOC,

advocaat: mr. E. van Asselt-Pronk, kantoorhoudende te Hoogeveen,

tegen

[geïntimeerden]

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. G.D. te Biesebeek, kantoorhoudende te Zwolle.

Alsmede in de zaak met zaaknummer 200.082.471/01 (hierna ook: zaak 471):

Drents Overijsselse Coöperatie Kaas B.A. h.o.d.n. D.O.C. Kaas,

gevestigd te Hoogeveen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: DOC,

advocaat: mr. E. van Asselt-Pronk, kantoorhoudende te Hoogeveen,

tegen

[geïntimeerden]

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. G.D. te Biesebeek, kantoorhoudende te Zwolle.

In de zaak 447:

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 31 maart 2010 en 3 november 2010 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 3 februari 2011 is door DOC hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 3 november 2010 met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 22 februari 2011.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad het vonnis van de rechtbank Assen op 3 november 2010 tussen partijen gewezen onder rolnummer 76453/HA ZA 09-877 te vernietigen en (opnieuw) recht te doen:

I geïntimeerden niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans hen die

vorderingen te ontzeggen;

II geïntimeerden elk afzonderlijk te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het

in deze te wijzen arrest, aan appellante tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het

bedrag dat appellante uit hoofde van het bestreden vonnis aan elk van geïntimeerden

verschuldigd was, (te weten: hoofdsom en handelsrente) en aan hun advocaat heeft

voldaan, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de dag van

betaling door DOC tot de dag van terugbetaling door geïntimeerden;

III geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen aan DOC te betalen binnen acht dagen na

betekening van het in deze te wijzen arrest de volgens het gebruikelijk tarief te begroten

bijdrage in de proceskosten in hoger beroep alsmede in eerste aanleg, te vermeerderen met

de wettelijke rente over de terzake van deze kosten toegewezen bedragen vanaf de achtste

dag na de datum van betekening van het ten deze te wijzen arrest tot aan de dag der

algehele voldoening, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd;

IV geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen aan DOC te betalen binnen twee weken na het ten

deze te wijzen arrest de volgens het gebruikelijk tarief te begroten bijdrage in de nakosten,

te vermeerderen met de wettelijke rente over de terzake van deze kosten toegewezen

bedragen, vanaf de veertiende dag na de datum van het ten deze te wijzen arrest tot aan de

dag der algehele voldoening, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd;"

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, zulks uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis, waarvan beroep, te bekrachtigen, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, en zulks met veroordeling van DOC in de proceskosten van het hoger beroep."

Vervolgens hebben partijen hun zaak schriftelijk doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

In de zaak 453:

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 31 maart 2010 en 3 november 2010 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 3 februari 2011 is door DOC hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 3 november 2010 met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 22 februari 2011.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad het vonnis van de rechtbank Assen op 3 november 2010 tussen partijen gewezen onder rolnummer 76441/HA ZA 09-874 te vernietigen en (opnieuw) recht te doen:

I geïntimeerden niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans hen die

vorderingen te ontzeggen;

II geïntimeerden elk afzonderlijk te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het

in deze te wijzen arrest, aan appellante tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het

bedrag dat appellante uit hoofde van het bestreden vonnis aan elk van geïntimeerden

verschuldigd was, (te weten: hoofdsom en handelsrente) en aan hun advocaat heeft

voldaan, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de dag van

betaling door DOC tot de dag van terugbetaling door geïntimeerden;

III geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen aan DOC te betalen binnen acht dagen na

betekening van het in deze te wijzen arrest de volgens het gebruikelijk tarief te begroten

bijdrage in de proceskosten in hoger beroep alsmede in eerste aanleg, te vermeerderen met

de wettelijke rente over de terzake van deze kosten toegewezen bedragen vanaf de achtste

dag na de datum van betekening van het ten deze te wijzen arrest tot aan de dag der

algehele voldoening, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd;

IV geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen aan DOC te betalen binnen twee weken na het ten

deze te wijzen arrest de volgens het gebruikelijk tarief te begroten bijdrage in de nakosten,

te vermeerderen met de wettelijke rente over de terzake van deze kosten toegewezen

bedragen, vanaf de veertiende dag na de datum van het ten deze te wijzen arrest tot aan de

dag der algehele voldoening, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd;"

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, zulks uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis, waarvan beroep, te bekrachtigen, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, en zulks met veroordeling van DOC in de proceskosten van het hoger beroep."

Vervolgens hebben partijen hun zaak schriftelijk doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

In de zaak 471:

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 22 december 2009 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen en op 31 maart 2010 en 3 november 2010 door de rechtbank Assen, sector civiel.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 3 februari 2011 is door DOC hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 3 november 2010 met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 22 februari 2011.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad het vonnis van de rechtbank Assen op 3 november 2010 tussen partijen gewezen onder rolnummer 77206/HA ZA 10-2 te vernietigen en (opnieuw) recht te doen:

I geïntimeerden niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans hen die

vorderingen te ontzeggen;

II geïntimeerden elk afzonderlijk te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het

in deze te wijzen arrest, aan appellante tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het

bedrag dat appellante uit hoofde van het bestreden vonnis aan elk van geïntimeerden

verschuldigd was, (te weten: hoofdsom en handelsrente) en aan hun advocaat heeft

voldaan, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de dag van

betaling door DOC tot de dag van terugbetaling door geïntimeerden;

III geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen aan DOC te betalen binnen acht dagen na

betekening van het in deze te wijzen arrest de volgens het gebruikelijk tarief te begroten

bijdrage in de proceskosten in hoger beroep alsmede in eerste aanleg, te vermeerderen met

de wettelijke rente over de terzake van deze kosten toegewezen bedragen vanaf de achtste

dag na de datum van betekening van het ten deze te wijzen arrest tot aan de dag der

algehele voldoening, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd;

IV geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen aan DOC te betalen binnen twee weken na het ten

deze te wijzen arrest de volgens het gebruikelijk tarief te begroten bijdrage in de nakosten,

te vermeerderen met de wettelijke rente over de terzake van deze kosten toegewezen

bedragen, vanaf de veertiende dag na de datum van het ten deze te wijzen arrest tot aan de

dag der algehele voldoening, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd;"

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, zulks uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis, waarvan beroep, te bekrachtigen, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, en zulks met veroordeling van DOC in de proceskosten van het hoger beroep."

Vervolgens hebben partijen hun zaak schriftelijk doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De beoordeling in alle drie de zaken

Naamsaanduiding in de zaak 447

1. Het hof heeft hiervoor die maatschappen en vennootschappen die onder de namen "Maatschap x en y" en "V.O.F. x en y" deelnemen aan het rechtsverkeer weergegeven met een hoofdletter respectievelijk hoofdletters, en de maatschappen en vennootschappen die het woord "maatschap" of "vennootschap" zelf niet bezigen, aangeduid als de "maatschap x en y" of de "vennootschap x en y".

2. In haar memorie van grieven tevens akte tot rectificatie verzoekt DOC in de zaak 447 om rectificatie van de onjuiste partijaanduidingen onder 1, 3, 20, 21, 30, 31 en rectificatie van onjuiste staat of gewijzigde staat van partijen onder 4, 5, 7 en 13 van de inleidende dagvaarding. Daartoe stelt DOC dat het gaat om kennelijke verschrijvingen of vergissingen die zich lenen voor herstel.

3. Het hof is met DOC van oordeel dat rectificatie van foutieve tenaamstellingen in de appeldagvaarding in de memorie van grieven toelaatbaar is, voor zover het gaat om herstel van kleine vergissingen, waarbij nimmer onduidelijkheid heeft bestaan over de identiteit van de procespartij. Het verschil tussen de aanduiding de maatschap "Melkveebedrijf [X]" en "Maatschap [X]" is zeer klein. Van enige onduidelijkheid over wie daarmee is aangeduid is derhalve nooit sprake geweest. Dit geldt eveneens voor de aanduiding van de geïntimeerden onder 1, 3, 20, 29, en 30 alsmede die onder 4, 5, 7 en 13 in de kop van de appeldagvaarding waar het gaat om maatschappen die in de meeste gevallen als vennootschap onder firma opereren. Het hof heeft dan ook in de kop van dit arrest de benamingen van genoemde geïntimeerden aangepast.

4. Ten aanzien van de partijen genoemd onder 16, 22, 27, 34 en 36 van de inleidende dagvaarding stelt DOC dat deze niet bestaan. Ten aanzien van geïntimeerde sub 16 overweegt het hof dat deze op de inleidende dagvaarding is vermeld als de maatschap "[X] te Fleringen". Blijkens het thans overgelegde kamer van koophandel uittreksel gaat het om de maatschap "HBM [X] en EWGM [X]" te Haaksbergen, waarmee DOC in haar pleidooi zich akkoord heeft verklaard. Het hof heeft ook die aanduiding in de kop van dit arrest aangepast.

5. Ten aanzien van geïntimeerden, thans genoemd onder 22 en 26, is het hof niet gebleken van een foutieve aanduiding. DOC gebruikt blijkens haar facturen, overgelegd als productie 1 bij memorie van antwoord, dezelfde aanduiding.

6. Bij thans geïntimeerde sub 33 gaat het blijkens de overgelegde stukken om "[X]" en "[X]". Het hof heeft dit in de kop van dit arrest aangepast. Bij geïntimeerde sub 35 geldt dat het hof geen ongerechtigheden heeft aangetroffen.

7. Uit het voorgaande volgt dat grief I in zaak 447, die inhoudt dat de onder 16, 22, 27, 34 en 36 genoemde partijen door de rechtbank ten onrechte ontvankelijk zijn verklaard, ten onrechte is voorgedragen.

Naamsaanduiding in de zaak 453

8. In deze zaak geldt in algemene zin hetzelfde als het hof hiervoor bij zaak 447 heeft overwogen. Het hof heeft de namen van de geïntimeerden onder 10, 20, 22, 24, 25, 35, 36, 46, 49 en 51 aangepast alsmede de aanduiding van de hoedanigheid van partijen onder 5, 18, 31, 32, 39 en 58.

9. Ook in dit geval leidt grief I voor het overige niet vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

Ontvankelijkheid in de zaak 471

10. In de zaak 471 is sprake van subjectieve cumulatie van verschillende, voor afzonderlijke berechting vatbare rechtsvorderingen, die vanwege hun onderlinge samenhang in één procedure zijn samengevoegd. Voor de beoordeling of het vonnis van de rechtbank Assen van 3 november 2010 waarin de vorderingen van [geïntimeerden] tegen DOC zijn toegewezen, vatbaar is voor hoger beroep, mogen de vorderingen ingevolge artikel 332 leden 1 en 2 Rv niet bij elkaar worden opgeteld. Nu de vordering van [geïntimeerde] en

[geïntimeerde ] krachtens opgave van DOC € 1.535,- bedraagt (prod. 1 bij MvG), is DOC in haar beroep jegens [geïntimeerde] en [geïntimeerde ] niet ontvankelijk.

Vaststaande feiten in alle drie de zaken

11. De door de rechtbank in haar vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.2) vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Het hof zal die feiten, voor zover in hoger beroep van belang, hierna weergeven, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep tevens als vaststaand kunnen worden aangemerkt. In deze gevoegde zaken wordt van het volgende uitgegaan.

11.1 Geïntimeerden (hierna ook gezamenlijk: de melkveehouders) waren tot 1 januari 2008 lid van DOC.

11.2 In de destijds geldende statuten waren onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

(…)

Artikel 10

1. (..)

2. De opzegging moet voor wat B-leden betreft tenminste zes maanden, en voor de gewone leden ten minste drie maanden voor het einde van het boekjaar plaatsvinden. Het lidmaatschap eindigt dan met het eind van dat boekjaar. Wordt deze termijn niet in acht genomen, dan eindigt het lidmaatschap aan het einde van het boekjaar volgende op dat waarin de opzegging heeft plaatsgehad.

3. (…)

(…)

Artikel 12

1. Degene wiens lidmaatschap is geëindigd, casu quo diens rechtsopvolgers onder algemene titel, hebben van de coöperatie te vorderen de uitkering van zijn aandeel in de ledenrekening en van al de overige vorderingen die hij op de coöperatie mocht hebben. Deze vorderingen behoeven van de zijde van de coöperatie niet eerder vereffend te worden dan nadat de jaarrekening over het boekjaar waarin of waarmede het lidmaatschap eindigde door de algemene vergadering is vastgesteld.

2. (…) De directie heeft het recht met deze vordering te verrekenen al hetgeen het lid, wiens lidmaatschap eindigde, uit welken hoofde ook aan de coöperatie schuldig is of wordt. (…)

Artikel 13

1. Het gewone lid van wie het lidmaatschap, anders dan door overlijden van het lid-natuurlijke persoon, is geëindigd, is verplicht op eerste schriftelijke aanmaning van de directie een schadevergoedingsbedrag aan de coöperatie te betalen. De omvang van het te betalen bedrag zal door een door de directie aan te wijzen deskundige worden bepaald op het bedrag van de schade die de coöperatie ten gevolge van het uittreden van dat lid zal lijden, een en ander op basis van grondslagen die met inachtneming van relevante regelgeving casu quo jurisprudentie in het huishoudelijk reglement zullen worden vastgesteld met dien verstande dat de hoogte van dit bedrag maximaal vier procent (4 %) van het melkgeld dat het betreffende lid gemiddeld per jaar in de vijf voorafgaande boekjaren heeft ontvangen kan bedragen en dat indien een lid met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste een jaar opzegt, geen schadevergoeding kan worden gevorderd.

2. De directie is bevoegd, in de gevallen van beëindiging van het lidmaatschap doordat een lid niet meer voldoet aan een of meer vereisten door de statuten voor het lidmaatschap gesteld, een lid-rechtspersoon ophoudt te bestaan, alsmede in de overige gevallen van beëindiging van het lidmaatschap door opzegging namens de coöperatie door de directie het schadevergoedingsbedrag geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, indien het betrokken lid

- naar het uitsluitend oordeel van de directie - genoegzaam kan aantonen dat de beëindiging van het lidmaatschap niet is geschied, respectievelijk dat de gronden waarop tot opzegging door de directie werd besloten niet zijn opgeworpen met de bedoeling zich op deze wijze aan de lidmaatschapsverplichtingen te onttrekken.

(…)

Artikel 45

1. De ledenraad kan bij volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen een huishoudelijk reglement en andere reglementen vaststellen.

2. Het huishoudelijk reglement en de andere reglementen mogen niet in strijd zijn met de wet, ook waar die geen dwingend recht bevat, noch met de statuten

(…)".

11.3 Het huishoudelijk reglement bevatte in het jaar 2007 geen grondslagen voor het bepalen van de omvang van het te betalen bedrag als bedoeld in artikel 13 lid 1 van de statuten.

11.4 De melkveehouders hebben hun lidmaatschap, met inachtneming van de in artikel 10 lid 2 van de statuten opgenomen opzegtermijn van drie maanden, voor

1 oktober 2007 tegen 1 januari 2008 opgezegd.

11.5 Op de ledenraadvergadering van 25 oktober 2007 zijn de grondslagen voor de omvang van het te betalen bedrag als bedoeld in artikel 13 lid 1 van de statuten vastgesteld. De grondslagen zijn vervolgens opgenomen in een nieuw huishoudelijk reglement, dat per 1 januari 2008 in werking is getreden (hierna: huishoudelijk reglement 2008, prod. 4 bij inleidende dagvaarding).

11.6 Bij brief van 3 oktober 2007 heeft DOC de melkveehouders het volgende bericht:

(…)

De statuten van de coöperatie geven aan dat wanneer de opzegging binnen een termijn van 1 jaar voor het einde van het boekjaar wordt gedaan, er een vergoeding aan de coöperatie dient te worden betaald voor de schade die de coöperatie ten gevolge van het uittreden van het betreffende lid zal lijden. Zie hiervoor artikel 13 van de statuten. De maximale hoogte van deze vergoeding is hierin eveneens omschreven. We zullen voor 1 december a.s. de hoogte van dit bedrag vaststellen.

Indien met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste een jaar voor het einde van het boekjaar wordt opgezegd, kan geen schadevergoeding worden gevorderd.

Wij betreuren doch respecteren uw besluit tot opzegging van het lidmaatschap van DOC Kaas en zullen de komende maanden een en ander conform de statuten afwerken.

(…)".

11.7 Vervolgens heeft Ernst & Young Accountants (hierna: Ernst & Young) op verzoek van de directie van DOC berekeningen van de omvang van de schade gemaakt als bedoeld in artikel 13 lid 1 van de statuten. In de brief van Ernst & Young aan DOC Kaas B.A. van 29 november 2007 is het volgende opgenomen:

(…)

De externe deskundige dient vast te stellen of de schade als gevolg van de opzeggingen door de veehouders ten minste gelijk is aan 4% van het melkgeld dat de betreffende leden gemiddeld per jaar in de 5 voorafgaande boekjaren van de coöperatie hebben ontvangen. De schadevergoeding zal volgens artikel 7 van het huishoudelijk reglement worden gebaseerd op minder dekking vaste kosten, vermindering toevoeging aan de algemene reserve (winstderving), kosten bijkoop kaas c.q. melk, schade marktposities en overige relevante kosten.

Wij hebben de volgende uitgangspunten gehanteerd:

• Vaste kosten worden gedefinieerd als kosten die onafhankelijk zijn van de verwerkte hoeveelheid melk.

• De aangevoerde veehoudersmelk vermindert in 2008 als gevolg van de opzeggingen met ruim 100 miljoen kg.

• De vaste kosten zijn ontleend aan de jaarrekening van DOC Kaas B.A. over 2006. Deze jaarrekening hebben wij op 27 april 2007 voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring

• De vaste kosten voor 2007 en 2008 zijn minimaal gelijk aan 2006

• De verwachte hoeveelheid aangevoerde veehoudersmelk over 2007 is ontleend aan de door de directie opgestelde prognose.

Doordat in 2008 minder melk wordt aangevoerd dan wanneer bedoelde veehouders lid waren gebleven, moeten de vaste kosten door minder kilogrammen worden gedragen. Afname van de aangevoerde veehoudersmelk met ruim 100 miljoen kg leidt tot aanzienlijk minder dekking van vaste kosten. Dit bedrag overtreft de berekende schadevergoeding ruimschoots. De berekende schade is daarmee ten minste gelijk aan 4% van het melkgeld dat betreffende leden gemiddeld per jaar in de 5 voorafgaande boekjaren van de coöperatie hebben ontvangen. Hierbij is nog geen rekening gehouden met mogelijke schade uit hoofde van vermindering toevoeging aan de algemene reserve (winstderving), kosten bijkoop kaas c.q. melk, schade marktposities en overige relevante kosten

(…)".

11.8 Daarna heeft ieder van de melkveehouders een (ongedateerde) brief gekregen, waarmee hij op de hoogte is gebracht van de ten aanzien van hem berekende schadevergoeding, met daarbij een factuur, gedateerd op 30 november 2007, voor het bedrag van die schadevergoeding, met onder meer de volgende standaard toelichting:

"Geachte heer/mevrouw,

Zoals reeds aangekondigd in de brief waarin wij uw opzegging van het lidmaatschap van DOC kaas hebben bevestigd, brengen wij u hierbij op de hoogte van de berekende schadevergoeding die u aan DOC kaas dient te betalen a.g.v. uw opzegging. Deze berekende schadevergoeding is gebaseerd op 4% van het gemiddelde melkgeld over de afgelopen 5 jaar of indien van toepassing een kortere periode. De maanden november en december 2007 en de nabetaling over 2007 zijn ingeschat.

De schadevergoeding is berekend op € (…) (vrijgesteld van BTW).

Nadat de jaarcijfers van DOC kaas over 2007 zijn vastgesteld door de ledenraad zal de definitieve schadevergoeding worden bepaald. Het eventuele verschil tussen het bovengenoemde bedrag en de definitieve vaststelling van de schadevergoeding zal worden verrekend met de nabetaling van het melkgeld over 2007.

U wordt vriendelijk verzocht de bijgaande factuur m.b.t. de schadevergoeding voor 31 december 2007 te betalen. Indien het bedrag niet voor deze datum door DOC kaas is ontvangen zal het bedrag met de eerstvolgende melkgeldafrekening worden verrekend.

(…)".

11.9 De melkveehouders hebben bij brief van 19 december 2007 van

mr. G.D. te Biesebeek bezwaar gemaakt tegen de door DOC aangekondigde verrekening.

11.10 Ernst & Young heeft in haar brief aan DOC Kaas B.A. van 28 januari 2008 een nadere toelichting gegeven op de brief van 29 november 2007. In deze brief is het volgende opgenomen:

"(…)

In 2007 heeft een aantal veehouders het lidmaatschap van DOC Kaas opgezegd. Zoals u heeft gecommuniceerd vermindert de aangevoerde hoeveelheid melk met ingang van 2008 met ruim

100 miljoen kilogram, namelijk 119,2 miljoen kilogram. Dit is in oktober 2007 gecommuniceerd met de ledenraad van DOC Kaas.

In artikel 13 van de statuten van DOC kaas wordt bepaald dat een opzeggend lid een schadevergoedingsbedrag moet betalen aan de coöperatie. De hoogte van dit schadevergoedingsbedrag is maximaal 4% van het melkgeld dat het betreffende lid gemiddeld per jaar in de 5 voorafgaande boekjaren van de coöperatie heeft ontvangen. De bepaling van de schadevergoeding is in artikel 7 van het huishoudelijke reglement nader uitgewerkt. Dit artikel is in oktober 2007 door de Ledenraad van DOC Kaas goedgekeurd. Op grond van artikel 13 van de statuten en artikel 7 van het huishoudelijk reglement hebben wij als extern deskundige in uw opdracht een berekening gemaakt van de schade als gevolg van de opzeggingen door de veehouders.

Bij het opstellen van de berekening van de schade hebben wij de volgende uitgangspunten gehanteerd:

• De schadevergoeding wordt bepaald op basis van minder dekking vaste kosten als gevolg van de verminderde aanvoer melk.

• De in rekening gebrachte schadevergoeding bedraagt maximaal 4% van het melkgeld dat het betreffende lid gemiddeld per jaar in de 5 voorafgaande boekjaren van de coöperatie heeft ontvangen. Deze schadevergoeding bedraagt in totaal € 1.522.000.

• Vaste kosten worden gedefinieerd als kosten die onafhankelijk zijn van de verwerkte hoeveelheid melk.

• De aangevoerde veehoudersmelk vermindert in 2008 als gevolg van de opzeggingen met 119,2 miljoen kg.

• Eind 2007 heeft DOC Kaas nieuwe veehoudersmelk aangetrokken voor een verwacht totaal van 35 miljoen kg melk (17 miljoen ledenmelk en 18 miljoen leveranciersmelk). Daarnaast heeft DOC Kaas contracten afgesloten met derden voor de levering van 17,5 miljoen kg melk. Deze contracten eindigen op 31 maart 2008.

• In 2007 is 920,2 miljoen kg kaasmelk verwerkt. Deze hoeveelheid is ontleend aan de door de directie opgestelde productieoverzichten.

• De vaste kosten van DOC kaas over 2006 bedragen € 26,1 miljoen. Deze kosten zijn ontleend aan de jaarrekening over 2006 waarbij door ons op 27 april 2007 een goedkeurende accountantsverklaring is verstrekt.

• De verwachte vaste kosten voor 2007 bedragen € 32,9 miljoen. Deze kosten zijn ontleend aan de door de directie opgestelde voorlopige cijfers van DOC over 2007. Hierop heeft nog geen accountantscontrole plaatsgevonden.

Doordat in 2008 minder melk wordt aangevoerd dan wanneer bedoelde veehouders lid waren gebleven moeten de vaste kosten door minder kilogrammen worden gedragen. De vaste kosten per 100 kg kaasmelk voor 2007 kunnen op basis van bovenstaande uitgangspunten worden berekend op € 3,578 (zijnde de totale vaste kosten 2007 ad € 32,9 miljoen gedeeld door de verwerkte hoeveelheid kaasmelk van 920,2 miljoen kg, vermenigvuldigd met een factor 100 om op de kostendekking per 100 kg kaasmelk te komen). Afname van de aangevoerde veehoudersmelk c.q. kaasmelk met genoemde 119,2 miljoen kg leidt tot minder dekking van vaste kosten

ad. € 4.265.000 (zijnde 119,2 miljoen kg melk vermenigvuldigd met de vaste kosten per 100 kg kaasmelk ad € 3,578 gedeeld door factor 100). Op basis van deze gegevens is ons eerste schrijven gebaseerd.

Na onze eerste rapportage hebben de volgende ontwikkelingen plaatsgevonden: DOC Kaas heeft genoemde schade weten te beperken door het werven van nieuwe leden, leveranciers, en (kortlopende)contracten. Het totaal van leveranties bedraagt naar verwachting 52,5 miljoen kg melk (35 miljoen kg van leden en leveranties en 17,5 kg miljoen op contractbasis). Deze additioneel verkregen melk leidt tot een vaste kosten dekking van € 1.878.000 (zijnde 52,5 miljoen kg melk vermenigvuldigd met de vaste kosten per 100 kg kaasmelk ad € 3,578 gedeeld

door factor 100).

Het totaal aan minder gedekte vaste kosten bedraagt € 2.387.000 (zijnde € 4.265.00 minus

€ 1.878.000) en is daarmee ten minste gelijk aan 4% van het melkgeld dat betreffende leden gemiddeld per jaar in de 5 voorafgaande boekjaren van de coöperatie hebben ontvangen, zijnde

€ 1.522.000.

In bovenstaande opstelling is nog geen rekening gehouden met mogelijke schade uit hoofde van vermindering toevoeging aan de algemene reserve (winstderving), kosten bijkoop kaas c.q. melk, schade marktpositie en overige relevante kosten.

(…)

11.11 [geïntimeerden], [geïntimeerden] en [geïntimeerden] hebben ieder voor zich in kort geding de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen verzocht de door DOC toegepaste verrekening van de schadevergoeding met het melkgeld, ongedaan te maken. Bij vonnissen van 13 februari 2008 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de melkveehouders afgewezen. Van die vonnissen is geen hoger beroep ingesteld.

Aanleiding van het geschil en de beslissingen in eerste aanleg

12. De melkveehouders hebben DOC gedagvaard voor de rechtbank Assen en gevorderd DOC te veroordelen tot betaling aan hen van de bedragen als gespecificeerd in de dagvaardingen in eerste aanleg, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf 1 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening met veroordeling van DOC in de kosten van het geding. Aan hun vorderingen hebben de melkveehouders ten grondslag gelegd dat zij recht hebben op volledige betaling van de in 2007 geleverde melk. Volgens de melkveehouders is DOC niet gerechtigd tot verrekening van dit melkgeld omdat artikel 13 van de statuten geen uittreedregeling bevat. Die moest volgens de melkveehouders nog tot stand worden gebracht in het huishoudelijk reglement.

13. DOC heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 13 van de statuten een uittreedregeling bevat en dat eisers door hun toetreding zich gebonden hebben aan toepassing van die regeling en aldus bij uittreding zijn gehouden een schadevergoeding aan DOC te betalen. De schade is door Ernst & Young berekend krachtens de hiervoor onder 11.7 en 11.10 weergegeven uitgangspunten. Volgens DOC was zij op grond van de statuten gerechtigd om haar schade te verrekenen met het verschuldigde melkgeld.

14. De rechtbank heeft bij vonnis van 3 november 2010 de vorderingen van de melkveehouders toegewezen en DOC veroordeeld in de proceskosten. Ter uitvoering van dit door de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis heeft DOC op 13 november 2010 de in dit vonnis genoemde bedragen betaald op de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden van het kantoor van de advocaat van de melkveehouders.

Beoordeling van het hoger beroep

Verboden Koerswijziging?

15. DOC heeft haar stellingen in hoger beroep gewijzigd. De nieuwe primaire stelling van DOC houdt in dat het huishoudelijk reglement 2008, zoals dat in werking is getreden per 1 januari 2008, rechtstreeks van toepassing is op de afwikkeling van het lidmaatschap van de leden die per 1 januari 2008 hebben opgezegd (grief II). De melkveehouders voeren het verweer dat de koerswijziging gelet op de uitlatingen van DOC in eerste aanleg niet toelaatbaar is.

16. Het hof stelt voorop dat het hoger beroep er mede toe strekt partijen de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij in eerste aanleg hebben gedaan of nagelaten. In appel kan een ander standpunt worden ingenomen dan in eerste aanleg, zonder dat daarvoor een verklaring hoeft te worden gegeven. Het hof is met de melkveehouders van oordeel dat hier evenwel sprake is van een gedekt verweer als bedoeld in artikel 348 Rv nu DOC in eerste aanleg heeft erkend (zie paragraaf 15 van de op dit punt gelijkluidende conclusies van antwoord) dat het gewijzigde huishoudelijk reglement niet rechtstreeks op deze vertrekkende leden van toepassing is geweest. Op deze erkentenis kan DOC in hoger beroep niet terugkomen. Dit betekent dat de nieuwe grondslag waarop DOC haar verweer stoelt niet opgaat. Grief II treft geen doel. Het hof voegt daar nog aan toe dat het lidmaatschap van de melkveehouders eindigde op

31 december 2007 om 24.00 uur en het huishoudelijke reglement 2008 in werking is getreden op 1 januari 2008 om 0.00 uur. Er is ook geen sprake van een samenval van momenten, zoals DOC in de toelichting op grief VI heeft gesteld. Grief VI strandt om die reden.

De (overige)grieven

17. De overige grieven hebben, gezien de daarop gegeven toelichting, de kennelijke strekking het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen. De grieven komen, in de kern genomen, op tegen het oordeel van de rechtbank dat DOC geen verrekenbare tegenvordering op de melkveehouders heeft omdat de aan die tegenvordering ten grondslag gelegde schadevergoedingsverplichting niet volledig en voldoende duidelijk is geregeld in of krachtens de statuten. In de opvatting van DOC voldoet de uittreedregeling neergelegd in artikel 13 van de statuten aan de eisen van artikel 2:60 BW.

18. Tussen partijen is niet in geschil dat de in artikel 13 opgenomen verplichting om op eerste schriftelijke aanmaning van de directie een schadevergoeding aan de coöperatie te betalen, moet worden beschouwd als een voorwaarde bij uittreding als bedoeld in artikel 2:60 BW. Evenmin is in geschil dat de in artikel 13 opgenomen uittreedregeling, gelet op het doel en de strekking van DOC, als zodanig is geoorloofd. Vaststaat dat de in het geding zijnde regeling op het moment van toetreding van de melkveehouders in artikel 13 van de statuten was vastgelegd.

19. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is welke eisen aan de kenbaarheid van een dergelijke statutaire verplichting moeten worden gesteld.

20. DOC klaagt erover dat de rechtbank bij de beoordeling van die vraag is uitgegaan van een onjuist uitgangspunt. Volgens DOC hoeft de regeling in de statuten niet volledig uitgewerkt te zijn. DOC stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van artikel 2:27 lid 4 sub c BW, dat het voldoende is dat de leden min of meer weten welke verplichtingen voor hen uit de uittreedregeling voortvloeien.

21. De melkveehouders stellen zich op het standpunt dat artikel 2:60 BW vereist dat de uittreedvoorwaarden (en naar het hof begrijpt de daarin opgenomen verplichtingen) helder, transparant en niet voor meerdere uitleg vatbaar dienen te zijn zodat een aspirant-lid weet waaraan hij zich bindt op het moment dat hij lid wordt en hij een rechtens juiste en weloverwogen keuze kan maken op elk moment dat hij besluit het lidmaatschap te beëindigen.

22. Het hof stelt voorop dat artikel 2:60 BW niet bepaalt op welke wijze een verplichting tot betaling van een vergoeding bij uittreding, als de onderhavige, in de statuten moet worden vastgelegd. Voor het opleggen van een statutaire verplichting als bedoeld in artikel 2:60 BW geldt, op grond van artikel 2:34a in verband met artikel 2:27 lid 4 sub c, dat die verplichting uit de statuten (voldoende) kenbaar is. Voor deze kenbaarheid is het van belang dat tenminste de aard van de verplichting wordt vermeld.

23. Het hof is van oordeel dat de hier bedoelde schadevergoedingsverplichting uit de statuten van DOC voldoende kenbaar is. Uit artikel 13, eerste volzin is het immers direct duidelijk dat het gaat om een verplichting tot vergoeding van de schade die DOC lijdt tengevolge van de beëindiging van het lidmaatschap. Dat de grondslagen, op basis waarvan de deskundige de omvang van de schade dient te bepalen, niet in het huishoudelijk reglement van 2007 waren opgenomen, doet aan de kenbaarheid van die verplichting als zodanig niet af. Dat de verplichting voor de melkveehouders ook kenbaar was, wordt bevestigd doordat een aantal van hen hierover voorafgaand aan de opzegging contact heeft opgenomen met de rayonadviseur van DOC.

24. Een volgend geschilpunt betreft de vraag of de schadevergoedingsverplichting in artikel 13 van de statuten voldoende bepaalbaar is, in de zin dat het de leden voldoende houvast geeft ten aanzien van de omvang van hun schadevergoedingsverplichting.

25. Het hof beantwoordt ook deze vraag bevestigend. Artikel 13 bepaalt dat de uittreedvergoeding gelijk is aan de schade die de coöperatie lijdt ten gevolge van het uittreden van dat lid, met een bepaald maximum. Het hof is met DOC van oordeel dat de tekst van artikel 13 van de statuten de leden al voldoende duidelijkheid geeft, ook zonder dat de berekening van de schadecomponent nader is uitgewerkt. Zowel bij de toetreding van de melkveehouders tot DOC als bij de opzegging van het lidmaatschap in 2007, was het voor de melkveehouders zonder meer duidelijk dat ze bij de beëindiging van het lidmaatschap rekening dienden te houden met een schadevergoedingsplicht tot maximaal vier procent van het jaarlijkse melkgeld dat de betreffende melkveehouder gemiddeld in de vijf voorafgaande boekjaren van DOC heeft ontvangen.

26. De melkveehouders voeren het verweer dat DOC feitelijk aanspraak maakt op betaling van een forfaitair bedrag in plaats van een schadevergoeding en betogen dat deze vordering om die reden geen steun vindt in artikel 13 van de statuten.

27. Ook dit verweer strandt. Het hof is van oordeel, anders dan de melkveehouders klaarblijkelijk veronderstellen, dat de vordering van DOC niet strekt tot betaling van een forfaitair bedrag. De schade is door de deskundige vastgesteld door het verlies aan melk van de individuele melkveehouders bij elkaar op te tellen en dit verlies te relateren aan de vaste kosten van DOC die als gevolg van het verlies niet kunnen worden terugverdiend. Het resultaat van die berekening is dat de vaste kosten die niet kunnen worden terugverdiend aanmerkelijk meer bedragen dan vier procent van het totale melkgeld dat de onderhavige melkveehouders gemiddeld per jaar hebben ontvangen in de voorafgaande vijf boekjaren. Op basis van die conclusie heeft DOC vervolgens per melkveehouder berekend wat de schade is als het gevolg van diens vertrek door vier procent te nemen van het melkgeld dat die melkveehouder gemiddeld per jaar over de afgelopen vijf boekjaren heeft ontvangen. Aldus is de schadevergoeding op individuele basis vastgesteld. Het hof is van oordeel dat DOC op die wijze aan artikel 13 lid 1 van de statuten, bij gebreke van een nadere uitwerking in de het huishoudelijk reglement, een invulling heeft gegeven aan de uittreedregeling die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar moet worden geacht.

28. De melkveehouders stellen voorts nog dat artikel 13 van de statuten zo uitgelegd moet worden dat zij die korter lid waren van DOC dan de in artikel 13 genoemde vijf jaren, een lager percentage verschuldigd zijn. Volgens de stellingen van de melkveehouders zou iemand die twee jaar lid is, 2/5 van vier procent (derhalve 1,6 procent) van het gemiddelde melkgeld over zijn lidmaatschapsperiode verschuldigd zijn, iemand die vier jaar lid was 4/5 (derhalve 3,2 procent).

29. Het hof volgt deze uitleg niet. Ook bij twee jaar lidmaatschap is naar het oordeel van het hof de uittreedvergoeding maximaal vier procent van het gemiddelde jaarlijkse melkgeld, doch nu berekend over een referentieperiode van twee jaar omdat er eenvoudigweg niet meer jaren zijn. Voor zover deze uitleg in individuele gevallen tot onbillijkheden van overwegende aard mocht lijden, zijn er wellicht redenen voor aanpassing. Dergelijke individuele knelpunten zijn door de melkveehouders evenwel niet naar voren gebracht.

30. Het verweer van de melkveehouders dat artikel 13, omdat het is opgenomen in het hoofdstuk “ontzetting lidmaatschap”, alleen van toepassing is indien een lid uit het lidmaatschap wordt ontzet, slaagt evenmin. De tekst van artikel 13, in het bijzonder de laatste volzin, biedt geen steun voor deze opvatting, terwijl door de melkveehouders geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die nopen tot een andere uitleg van artikel 13.

31. De slotsom is dat de door DOC gestelde verplichting tot betaling van een schadevergoeding zijn grondslag heeft in artikel 13 van de statuten. Grieven III, IV, V, VII en IX zijn gegrond.

32. Het slagen van deze grieven III, IV, V, VII en IX impliceert dat de bestreden vonnissen waarvan beroep is ingesteld, geen stand kunnen houden. Dit betekent dat het hof, op grond van de devolutieve werking van het appel ook de in eerste aanleg gevoerde, niet prijsgegeven stellingen van de melkveehouders zal hebben te beoordelen. Het hof verwerpt in dat kader het betoog dat DOC, althans haar rayonadviseurs, het vertrouwen zouden hebben gewekt dat geen aanspraak zou worden gemaakt op de uittreedvergoeding. DOC heeft ontkend dat zodanige toezeggingen zijn gedaan, terwijl een concreet op deze stelling toegesneden bewijsaanbod zijdens de betrokken melkveehouders niet voorligt.

Schade

33. Het debat richt zich voorts op de berekening van de schade. Het spitst zich daarbij toe op de vraag of de door DOC gehanteerde uitgangspunten en cijfers juist zijn, in het bijzonder waar het gaat om de hoogte van de vaste kosten.

34. De schade dient ingevolge artikel 13 van de statuten door een deskundige te worden berekend. De statuten schrijven niet voor dat dit een geheel onafhankelijke deskundige dient te zijn, noch dat de desbetreffende uittredende melkveehouders iets te zeggen dienen te hebben over de keuze van de deskundige. Het hof is van oordeel dat de keuze van DOC om haar eigen externe accountant Ernst & Young de schade in eerste instantie te laten berekenen, op zich zelf niet in strijd met de statuten is, noch met enige andere rechtsregel, nu de betrokken melkveehouders niet aan deze schadeberekening zijn gebonden en zij deze in rechte desgewenst, volgens de normale bewijsregels, kunnen aanvechten.

35. Ernst & Young stellen in hun summier toegelichte rapport dat zij hebben aangesloten bij artikel 7 van het huishoudelijk reglement 2008. Het hof heeft hierover al overwogen dat het reglement als zodanig toepassing mist, doch dat betekent niet dat de daarin genoemde schadeberekeningsmethode geheel van onwaarde is. Waar de daarin genoemde schadeberekeningsmethode niet afwijkt van hetgeen gebruikelijk is bij het berekenen van de schade in soortgelijke gevallen, is geen reden om de schadeberekening door Ernst & Young alleen om de reden dat deze aansluit bij genoemd artikel 7, geheel terzijde te stellen. De melkveehouders hebben ook niet betoogd dat de door Ernst & Young toegepaste methode van schadeberekening zich niet met de wettelijke uitgangspunten verdraagt. Het hof constateert overigens dat Ernst & Young zich beperkt tot de belangrijkste schadecomponent, namelijk de gelijkblijvende vaste kosten die over minder kilogrammen (melk)bestanddelen kunnen worden uitgesmeerd. Daarbij heeft Ernst & Young rekening gehouden met de inspanningen van DOC om vervangende melkleveranciers aan te trekken, waardoor een gedeelte van de aanvankelijk voorzienbare schade weer is goedgemaakt, doch volgens Ernst & Young bedraagt de totale schade ook na deze vermindering nog altijd meer dan het maximum van vier procent van het gemiddelde melkgeld van de betrokken melkveebedrijven.

36. Het hof is van oordeel dat artikel 13 van de statuten DOC de mogelijkheid biedt om de schade te begroten - voor zover die nog niet is ingetreden - teneinde de uittreedvergoeding zo spoedig mogelijk te kunnen berekenen waarna - indien deze niet wordt aangevochten - de boeken wederzijds gesloten kunnen worden. Indien het opzeggende lid het niet eens is met de berekening van de uittreedvergoeding en de schade in de procedure opnieuw dient te worden vastgesteld, is er evenwel geen reden om van aannames uit te gaan indien de schadebedragen door het verloop van de tijd inmiddels concreet berekend kunnen worden.

37. Of Ernst & Young de schade op juiste wijze heeft berekend, is voor het hof en de melkveehouders onvoldoende toetsbaar, nu de onderliggende stukken waarop de accountants hun berekeningen hebben gebaseerd, ontbreken. Naar het oordeel van het hof ligt het op de weg van DOC om gegevens te verstrekken waaruit de juistheid blijkt van de in de brieven van Ernst & Young opgenomen berekeningen. De melkveehouders mogen daarop reageren, waarna het hof zal beslissen of nadere bewijslevering noodzakelijk is.

Slotsom

38. Het hof zal DOC opdragen een uitgebreid, met onderliggende bewijsstukken, gestaafd rapport van Ernst & Young in het geding te brengen waarin de schadeberekening van de (werkelijk)geleden schade inzichtelijk wordt gemaakt. De zaak wordt hiervoor verwezen naar de rol. Hierop mogen de melkveehouders bij akte reageren (waarbij zij, naar aanleiding van de eerst dan verschafte informatie ook nieuwe bezwaren ten aanzien van de schadeberekening naar voren mogen brengen). Vervolgens zal DOC bij antwoordakte nog op de bezwaren van de melkveehouders mogen reageren. Daarna zal het hof verder beslissen.

Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep;

In de zaak 200.082.471/01

- verklaart DOC niet ontvankelijk in haar appel voor zover ingesteld tegen [geïntimeerde] en [geïntimeerde ];

Voorts in de zaken 200.082.447/01, 200.082.453/01 en 200.082.471/01

- stelt DOC in de gelegenheid bij akte een uitgebreid, met onderliggende bewijsstukken, gestaafd rapport van Ernst & Young in het geding te brengen als bedoeld in rechtsoverweging 37;

- verwijst de zaak daartoe naar de rol van dinsdag 27 november 2012;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, B.J.H. Hofstee en

R.E. Weening en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 oktober 2012 in bijzijn van de griffier.