Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX7340

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
200.092.479/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sloop. Ontbreken van overleg met eigenaar belendend pand leidt niet tot toepassing omkeringsregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/448
JA 2012/196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 11 september 2012

Zaaknummer 200.092.479/01

(zaaknummer rechtbank: 140247 / HA ZA 07-1594)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel en geïntimeerde in incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.H. Broeksema, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel en appellant in incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.C.J. Freijters, kantoorhoudende te De Wijk.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 27 augustus 2008, 29 oktober 2008 en 6 april 2011 door de rechtbank Zwolle-Lelystad. In deze procedure heeft [geïntimeerde] naast [appellant] ook [Hei- en Waterwerken B.V.] gedagvaard.

Bij beslissing van 4 mei 2011 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad hoger beroep opengesteld van haar tussenvonnis van 6 april 2011.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 4 juli 2011 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis van 6 april 2011 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 6 september 2011 van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden.

Bij tussenarrest van 13 september 2011 is de zaak verwezen naar het gerechtshof Leeuwarden.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij producties in het geding zijn gebracht, luidt:

"Tot handhaving van het bij de appèldagvaarding gevorderde!"

Bij memorie van antwoord in principaal appel is door [geïntimeerde] verweer gevoerd; tevens heeft zij incidenteel appel ingesteld, met als conclusie:

"PRINCIPAAL APPEL

[appellant] in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen, en uitvoerbaar bij voorraad hem te veroordelen in de kosten van dit geding.

INCIDENTEEL APPEL

Het uw gerechtshof behage het vonnis van de rechtbank te Zwolle d.d. 6 april 2011 tussen [geïntimeerde] en [appellant] gewezen, onder verbetering van grond in stand te laten, in dier voege dat het bewijsvermoeden geldt op basis van de "omkeringsregel", en [appellant] te veroordelen in de kosten van het incidentele appel."

[appellant] heeft in het incidenteel appel geantwoord en daarbij volhard in zijn standpunten. Voorts heeft [appellant] een akte uitlating in principaal appel genomen, die evenwel neerkomt op een in appel niet toegestane conclusie van repliek. Het hof zal deze akte dan ook geheel buiten beschouwing laten.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

Daarbij heeft [geïntimeerde] zich ten onrechte beperkt tot de stukken die in appel zijn gewisseld.

[appellant] heeft evenmin een volledig dossier uit de eerste aanleg aan het hof ter hand gesteld. Enige bijlagen ontbreken daarin.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van genoemd vonnis van 6 april 2011 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Het hof zal die feiten, voor zover voor de beoordeling van dit hoger beroep relevant, hierna herhalen, aangevuld met enige feiten die tevens als vaststaand hebben te gelden.

1.1. [geïntimeerde] is sinds 1965 eigenaar van de woning [adres 1]. In 1991 heeft [geïntimeerde] deze woning laten afbreken en doen vervangen door een nieuwe woning.

1.2. [appellant] is sinds 2001 eigenaar van de naastgelegen woning aan [adres 2]. De afstand tussen de (zij)gevels van beide woningen bedraagt meer dan 10 meter.

1.3. [appellant] heeft op 4 februari 2004 een sloopvergunning voor zijn woning gevraagd bij de gemeente Zwartewaterland. In de aanvraag staat dat de woning over de hand zal worden gesloopt.

De gemeente Zwartewaterland heeft de sloopvergunning op 2 maart 2004 afgegeven, met als voorwaarde

"Het slopen en de werkzaamheden die daarmee in verband staan moeten gebeuren op veilige wijze, onder meer volgens de Arbo-wetgeving en zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en erven en terreinen (…) en hun gebruikers".

1.4. Op zaterdag 20 maart 2004 heeft [appellant] voormelde woning laten slopen, met behulp van vrienden/kennissen, onder wie [A.] die de beschikking had over een graafmachine/rupskraan van zijn werkgever, [Hei- en Waterwerken B.V.].

1.5. Bij brief van 22 maart 2004 heeft de verzekeraar van [geïntimeerde] [appellant] aansprakelijk gesteld voor volgens [geïntimeerde] ten gevolge van de sloopwerkzaamheden geleden schade aan zijn woning.

1.6. Op 5 april 2004 is namens [expertise- en taxatiebureau] een bezoek gebracht aan de woning van [geïntimeerde] en is de gestelde schade geïnspecteerd.

1.7. Bij brief van 15 april 2004 heeft [expertise- en taxatiebureau] aan de aansprakelijkheidsverzekeraar van [appellant] (Interpolis) bericht dat de schade mogelijk geclaimd dient te worden op de aansprakelijkheidsverzekering van de rupskraan. Interpolis heeft jegens [appellant] dekking van de schade afgewezen bij brief van 21 april 2004, stellende dat de schade is veroorzaakt door een motorvoertuig, namelijk de rupskraan.

1.8. Bij incidenteel vonnis d.d. 29 oktober 2008 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad [appellant] toestemming gegeven Interpolis in vrijwaring op te roepen.

1.9. Op 21 april 2004 heeft expertisebureau, taxatiebureau en bureau voor bouwkundige opnames [expertisebureau] in opdracht van [appellant] de conditie van de woning van [geïntimeerde] opgenomen.

1.10. [appellant] heeft [Bouwbedrijf] opdracht gegeven tot het cosmetisch wegwerken van de scheuren in de woning van [geïntimeerde], hetgeen in juli 2005 is uitgevoerd door [B.].

1.11. Bij brief van 25 april 2007 heeft [geïntimeerde] [appellant] medegedeeld dat de schade nog steeds niet naar tevredenheid is opgelost. Volgens [geïntimeerde] is de waarde van de woning verminderd.

1.12. Op 12 juni 2007 hebben makelaar/taxateur [makelaar/taxateur 1] en bouwkundige

[bouwkundige] in opdracht van [geïntimeerde] gerapporteerd over de schade aan de woning van [geïntimeerde]. Zij hebben de schade in de vorm van construktiescheuren begroot op € 75.000,-.

De beslissing in eerste aanleg en aanduiding van de grieven

2. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat

[appellant] (en [Hei- en Waterwerken B.V.]) onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld, en voorts vergoeding van de schade van € 75.000,- gevorderd, te vermeerderen met rente en de kosten van het rapport [makelaar/taxateur 1]/[bouwkundige], bij repliek aangevuld met een subsidiaire vordering tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat.

2.1. De rechtbank heeft bij vonnis van 6 april 2011 de vordering, voor zover ingesteld tegen [Hei- en Waterwerken B.V.] afgewezen.

2.2. Ten aanzien van [appellant] heeft de rechtbank het door hem gedane beroep op finale kwijting omdat de schade door [Bouwbedrijf] is hersteld afgewezen. Dit wordt aangevochten in principaal appel, door het hof aan te duiden als

Grief A. De rechtbank verwerpt vervolgens de stelling van [geïntimeerde] dat

[appellant] inbreuk heeft gemaakt op zijn eigendomsrecht. Volgens de rechtbank is zaaksbeschadiging eerst onrechtmatig indien het handelen waarvan de zaaksbeschadiging het gevolg is van strijd met de wet of met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Volgens de rechtbank dient degene die sloopwerkzaamheden gaat verrichten de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen teneinde schade aan de eigendommen van een ander te voorkomen. Een en ander is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Naast de voorzienbaarheid van de schade spelen onder een rol: het voeren van overleg met omwonenden, de mogelijkheid redelijke voorzorgmaatregelen te nemen ter voorkoming van schade en de bijzondere kwetsbaarheid van een buurperceel. [appellant] heeft voorafgaand aan de sloop geen overleg met [geïntimeerde] gevoerd, noch enig onderzoek naar de mogelijke schade en maatregelen ter voorkoming daarvan uigevoerd. Aldus heeft [appellant] onvoldoende zorgvuldigheid betracht bij de uitvoering van de sloopwerkzaamheden. Tegen dit oordeel richt zich de door het hof onderscheiden grief B in principaal appel. De rechtbank heeft het beroep van [geïntimeerde] tot toepassing van de omkeringsregel afgewezen. Tegen dat oordeel richt zich de grief in het incidenteel appel. Wel heeft de rechtbank een bewijsvermoeden aangenomen inhoudende dat voorshands, behoudens tegenbewijs, voldoende aannemelijk is dat de door [appellant] in maart 2004 uitgevoerde sloopwerkzaamheden de directe oorzaak of aanleiding is geweest voor de na de sloopwerkzaamheden geconstateerde scheurvorming aan de woning van [geïntimeerde]. Tegen dat oordeel richt zich de door het hof als grief C aangeduide grief in principaal appel.

2.3. De rechtbank heeft vervolgens [appellant] toegelaten tegenbewijs te leveren.

De beoordeling van de grieven

Finale kwijting

3. Ten aanzien van grief A, het in appel gehandhaafde verweer dat [geïntimeerde] finale kwijting zou hebben verleend aan [appellant] nadat [Bouwbedrijf] een aantal scheuren cosmetisch had hersteld, overweegt het hof als volgt.

In eerste aanleg heeft [appellant] in de conclusie van antwoord gesteld (punt 39):

"Het is juist dat [appellant] [Bouwbedrijf] opdracht heeft gegeven om de scheuren in de muren van de woning van [geïntimeerde] te herstellen, hetgeen inderdaad ook is gebeurd. Echter dat wil nog niet zeggen dat [appellant] de aansprakelijkheid daarmee heeft erkend. [appellant] zou na de bouw van zijn nieuwe woning buurman worden van [geïntimeerde] en wenste gewoon geen valse start met hem te maken door een uitvoerige discussie over het ontstaan van de schade en zijn aansprakelijkheid te voeren."

en vervolgens (punt 42)

" herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd op de wijze zoals die door [geïntimeerde] is aangegeven. Uiteraard had [appellant] nimmer ingestemd met deze reparatie indien [geïntimeerde] op dat moment had bericht dat hij ook de vermeede waardevermindering vergoed wenste te hebben Kortom: [geïntimeerde] heeft ingestemd met de wijze van schadeafwikkeling zodat er voor hem thans geen vordering meer resteert."

Het hof kan hierin, anders dan [appellant] in appel (punt 11 van de memorie van gieven) niet lezen dat hij in eerste aanleg heeft gesteld dat partijen finale kwijting hebben beoogd bij de uitvoering van deze herstelwerkzaamheden. Hoogstens volgt hieruit dat dit de idee van [appellant] was bij het aanbieden van het laten verrichten van deze werkzaamheden, doch dat dit ook de gedachte van [geïntimeerde] was, heeft [appellant] in eerste aanleg niet expliciet gesteld. Ook hetgeen hij daarover in appel nog toevoegt maakt niet dat sprake is van het verlenen van finale kwijting door [geïntimeerde]. Dat [geïntimeerde] [Bouwbedrijf] in staat heeft gesteld de scheuren cosmetisch te reparen is daarvoor onvoldoende. In appel is niet gesteld dat [geïntimeerde] aan [appellant] expliciet finale kwijting heeft aangeboden noch dat [appellant] zulks expliciet had gevraagd in ruil voor verrichten van de werkzaamheden door [Bouwbedrijf], laat staan dat een daarop toegesneden bewijsaanbod voor ligt.

4. De grief treft geen doel.

Het incidentele appel

5. Ten aanzien van de sloopwerkzaamheden geldt dat het [appellant] weliswaar als eigenaar vrijstond om zijn huis te slopen - nu hij ook over de daarvoor op grond van het publieke recht vereiste sloopvergunning beschikt - doch dat hij bij die sloopwerkzaamheden geen schade of onrechtmatige hinder aan derden mag toebrengen.

6. De bewijslast en - in het verlengde daarvan - het bewijsrisico dat sprake is van schade die ten gevolge van het slopen aan een eigendom van een derde is aangebracht berust in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 150 Rv bij die derde, in dit geval [geïntimeerde] die schadevergoeding vordert.

7. Bij het slopen is het voor de sloper aan te raden om een aantal voorzorgsmaatregelen te nemen, de omgeving in te lichten en de buurpanden op te nemen teneinde te zien op welke wijze het beste gesloopt kan worden en of al dan niet extra zorgvuldigheid is geboden. Als de sloopwerkzaamheden beginnen zonder dat deze voorzorgsmaatregelen zijn getroffen en indien aan de belendingen schade optreedt waarvan vast staat dat deze het gevolg is van de sloop, dan zal toerekening van de schade aan de sloper op grond van onrechtmatige daad in beginsel niet op problemen stuiten. Het is evenwel niet zo dat indien dergelijke voorzorgsmaatregelen wel zijn getroffen en er toch schade optreedt die in causaal verband met de sloopwerkzaamheden staat, toerekening achterwege dient te blijven en de schade voor rekening van de eigenaar van het belendende pand komt. Dit hangt af van de verdere omstandigheden.

8. De door de rechtbank en hiervoor opgesomde voorzorgsmaatregelen, zoals het inlichten van de omwonenden, zijn evenwel geen veiligheidsregels of regels die daarmee op één lijn gesteld kunnen worden, maar meer praktische aanwijzingen. Het gaat niet om een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar waaruit schade kan ontstaan (vgl. ook HR 7 mei 2004, LJN: AO2988 en HR 2 februari 2007, LJN: AZ4564).

9. Het hof verwerpt dan ook de incidentele grief die inhoudt dat reeds omdat geen voorafgaand overleg met [appellant] heeft plaats gevonden, de omkeringsregel zou moeten worden toegepast. De omkeringsregel is door de Hoge Raad in zijn eerdere rechtspraak omschreven als een bijzondere, uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende regel, die inhoudt dat een uitzondering dient te worden gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv in dier voege dat het bestaan van causaal verband – in de zin van condicio sine qua non-verband – tussen een onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst – waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt – dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Het voeren van overleg met de buren bij het slopen van een pand is evenwel niet een concrete norm in deze zin.

10. Voor zover [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellant] in strijd met de verleende sloopvergunning zou hebben gehandeld door machines in te zetten, overweegt het hof dat de sloopvergunning zoals die door de gemeente Zwartewaterland is verleend geen zodanig verbod bevat.

11. Het incidenteel appel treft geen doel.

Het rechterlijk vermoeden

12. De grieven B en C in principaal appel lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

13. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte ruimte heeft gelaten voor een rechterlijk vermoeden, terwijl zij de toepasselijkheid van de omkeringregel had uitgesloten, berust op de onjuiste gedachtegang dat de omkeringregel en een rechterlijk vermoeden met elkaar te vereenzelvigen zouden zijn. Ook los van de omkeringsregel kan de rechter tot het oordeel komen dat een bepaalde stelling op voorhand bewezen is, behoudens door de wederpartij te leveren tegenbewijs. Dit dient weer te worden onderscheiden van de omkering van de bewijslast op billijkheidsgronden. In dat laatste geval verschuift ook het bewijsrisico naar de partij die alsnog het bewijs opgedragen krijgt. Daarvan in dit geval - anders dan [appellant] heeft aangevoerd - geen sprake. Bij het rechterlijk vermoeden blijft het bewijsrisico rusten op die partij die dit overeenkomstig de normale regels heeft, in dit geval dus [geïntimeerde]. Het rechterlijk vermoeden is ook geen sterk bewijsmiddel. Reeds indien de partij die tegenbewijs mag leveren voldoende twijfel weet te zaaien over de houdbaarheid van dit vermoeden, is de rol van het vermoeden uitgespeeld en zal de partij, op wie het bewijsrisico rust, haar stellingen alsnog hebben te bewijzen.

14. De rechtbank heeft de omstandigheden dat [geïntimeerde] bij de sloopwerkzaamheden trillingen heeft gevoeld en direct na de sloopwerkzaamheden in 2004 scheurvorming heeft waargenomen redengevend geacht voor het bewijsvermoeden, zulks voorts afgezet tegen de omstandigheid dat bij sloopwerkzaamheden vaker belendingen worden beschadigd en dat geen overleg voorafgaande aan de sloop met [geïntimeerde] heeft plaatsgevonden. [appellant] heeft daartegen over gezet dat het pand van [geïntimeerde] slecht is gebouwd hetgeen de scheurvorming zou hebben veroorzaakt, doch deze stelling heeft hij tot op heden niet verder onderbouwd.

15. Het hof oordeelt dat op zich de motivering van de rechtbank het door haar gehanteerde rechterlijk vermoeden (net) kan dragen. Het voegt daaraan nog toe dat in het rapport van [expertisebureau] van 6 december 2007 nog staat vermeld (blad 2) "Ook gebreken die duidelijk het gevolg zijn van ouderdom en/of achterstallig onderhoud zijn niet altijd vermeld in dit rapport". Dit duidt er op dat de scheuren die in dit rapport zijn vermeld volgens [expertisebureau] dus (meestal) niet het gevolg zijn van ouderdom en/of achterstallig onderhoud.

16. Bij de conclusie van antwoord in het incident d.d. 30 januari 2008 is evenwel ook als productie 4 een brief van [expertisebureau] overgelegd van 18 december 2007. Daarin staat onder meer vermeld:

"Voor het beoordelen van aard, leeftijd en oorzaak van de thans door partij [geïntimeerde] gestelde gebreken dient nader onderzoek te worden gedaan. Daarbij kunnen behulpzaam zijn de inmiddels door u beschikbaar gestelde afdrukken van foto's van overige panden in de directe omgeving. Overigens zijn dan de digitale bestanden van deze foto's van belang. Daarnaast zal onderzoek nodig zijn naar de bouwaard en fundering van de woning van partij [geïntimeerde], alsmede onderzoek naar zelfstandige zettingaspecten, zoals deze zich, naar bekend is, in die omgeving op basis van bodemgesteldheid en overige plaatselijke omstandigheden voordoen, alsook daarnaast nader onderzoek naar aard en uitvoering van de gestelde sloopwerkzaamheden door of in opdracht van partij [appellant].

Hierbij dient tevens op grond van het in ogenschouw nemen van de plaatselijke situatie een eventuele ontwikkeling in de loop der tijd te worden beoordeeld. Pas dan en op basis daarvan kan een analyse worden gemaakt en meer concreet een uitspraak worden gedaan omtrent mogelijke causale verbanden tussen gestelde werkzaamheden en veronderstelde schadegevolgen. (…)

Indien een dergelijk onderzoek wordt verlangd door partij [appellant], dan wel gezamenlijke partijen, zien wij nadere instructies op dit punt graag tegemoet"

[appellant] heeft bij de memorie van grieven, onder bijvoeging van bewijsstukken, gesteld dat hij voorgesteld heeft een dergelijk onderzoek te entameren door [expertisebureau] (brief van 16 juli 2010) doch dat de advocaat van [geïntimeerde] heeft geweigerd om aan een dergelijk onderzoek medewerking te verlenen (email van 23 augustus 2010). Bij de memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de weigering om aan een zodanig onderzoek mee te werken gehandhaafd.

17. Het hof oordeelt dat de redenen die [geïntimeerde] opgeeft voor zijn weigering bepaald niet overtuigend voorkomen en het door [appellant] geponeerde beeld dat [geïntimeerde] wat te verbergen heeft, niet kunnen wegnemen. Dit kan reden zijn voor het hof het hiervoorgenoemde bewijsvermoeden te verlaten en terug te vallen op de gewone bewijsregel dat [geïntimeerde] het causaal verband tussen scheurvorming en sloopwerkzaamheden ten volle dient aan te tonen.

18. Doch ook indien [appellant] tot tegenbewijs wordt toegelaten, komt naar 's hofs oordeel veeleer een deskundigenbericht in beeld dan de getuigenverhoren die de rechtbank in het vooruitzicht heeft gesteld.

Comparitie van partijen

19. Mede gelet op het tijdsverloop, zowel sedert de uitvoering van de sloopwerkzaamheden in maart 2004 als sedert het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 21 november 2007 en de klaarblijkelijk geringe vorderingen die er sedertdien in de procedure zijn gemaakt, komt het het hof geraden voor een comparitie van partijen te gelasten, waarbij het hof met partijen wenst te bespreken of de voortgang van de procedure niet wordt bevorderd door eerst een deskundigenbericht in te winnen, waarna zonodig nog aanvullend getuigenverhoren kunnen plaatsvinden. Partijen dienen zich ter comparitie uit te laten over hun bereidheid om medewerking aan een deskundigenbericht te verlenen. Voorts kan aan de orde komen welke deskundige(n) daarvoor in aanmerking komt tegen welke kosten, en in welke instantie dat het uitbrengen van een deskundigenbericht het beste kan geschieden.

20. Ook zal het hof beproeven of een andere wijze van beslechting van het geschil tot de mogelijkheden behoort.

21. Het hof zal elke verdere beslissing aanhouden tot na de comparitie.

De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

beveelt een verschijning van partijen in persoon desgewenst vergezeld van de raadslieden tot het geven van inlichtingen en het beproeven van een schikking;

bepaalt dat deze verschijning van partijen zal worden gehouden in de tijdelijke locatie van het Paleis van Justitie te Leeuwarden aan de Tesselschadestraat 7, op een nog nader te bepalen dag en uur voor mr. J.H. Kuiper, hiertoe benoemd tot raadsheer commissaris;

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 9 oktober 2012 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en – zonodig – van hun raadslieden voor de periode van drie maanden na bovengenoemde rolzitting, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van de verschijning zal vaststellen;

verstaat, voor het geval één van partijen zich tijdens vorenbedoelde comparitie wenst te beroepen op de inhoud van schriftelijke bescheiden, dat deze bescheiden ter comparitie bij akte in het geding moeten worden gebracht, alsmede dat een kopie van die akte uiterlijk veertien dagen voor de datum van de comparitie moeten worden gezonden aan de griffie van het hof en aan de wederpartij;

verstaat dat de advocaat van [appellant] uiterlijk twee weken voor de verschijning zal plaatsvinden een kopie van het volledige procesdossier ter griffie van het hof doet bezorgen, bij gebreke waarvan de advocaat van [geïntimeerde] alsnog de gelegenheid heeft uiterlijk één week voor de vastgestelde datum een kopie van de processtukken over te leggen.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, M.E.L. Fikkers en

M.C.D. Boon-Niks en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 11 september 2012 in bijzijn van de griffier.