Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX6622

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
BK 11/00090 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of in het onderhavige jaar de aanpassingskosten van € 25.385 als buitengewone uitgaven in aftrek kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2105
V-N 2012/63.9 met annotatie van Redactie
V-N 2013/32.17 met annotatie van Redactie
FutD 2012-2252
NTFR 2012/2591 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 11/00090

uitspraakdatum: 4 september 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de Inspecteur van de Belastingdienst Noord (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van rechtbank Leeuwarden van 10 februari 2011, nummer AWB 08/2876, in het geding tussen

X te Z (hierna: belanghebbende)

en de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.875 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.701. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 693.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de heffingsrentebeschikking. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de aanslag IB/PVV verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.095 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.701 en gelast dat de Inspecteur de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig vermindert, alsmede heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht.

1.4. De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.

1.5. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2012 te Leeuwarden. Namens de Inspecteur is verschenen A. Voorts is belanghebbende verschenen alsmede haar gemachtigde B, en haar echtgenoot C. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.8. Op de zitting is gelijktijdig het hoger beroep van C in de zaak met het nummer 11/00092 behandeld.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is geboren op 19 oktober 1953 en is gehuwd met C, geboren op 19 december 1954 (hierna: de echtgenoot).

2.2 Belanghebbende is rolstoelafhankelijk sinds zij op 6 maart 2002 acuut hevige pijn in haar rug en linkerbeen kreeg. Na een operatie op 28 maart 2002 verminderde de pijn, maar deze bleef onderin haar rug aanwezig en belanghebbende heeft dientengevolge functiebeperkingen in haar beweging. Belanghebbende is in haar dagelijks leven afhankelijk van een rolstoel.

2.3 De revalidatiearts van D, centrum voor revalidatie te L, heeft de toenmalige huisarts van belanghebbende bij brieven van 25 maart 2003 en 9 mei 2003 op de hoogte gesteld van de verslaglegging, welke onder meer inhoudt de anamnese, het niveau van functioneren, lichamelijk onderzoek en aanvullende informatie. In deze brieven wordt over belanghebbendes functioneren onder meer vermeld:

“(…) Huidig niveau van functioneren

Somatisch: patiënte vermeldt nog pijnklachten te krijgen in de handen, bij het lopen met krukken. Met name de vingergewrichten voelen stijf en soms dikker aan.

ADL: linkshandig. Kan zelf tot stand komen met steun van 2 elleboogkrukken. Losstaan lukt niet, wel met 2 krukken. Lopen maximaal 40 meter met 2 krukken.

Maatschappelijk: gehuwd, echtgenoot is beperkt door hartklachten (WPW). Twee kinderen, waarvan 1 dochter thuiswonend en 1 zoon uitwonend. Vrijstaande woning met slaapkamer en badkamer beneden. Aanpassingen in de vorm van verhoogde toiletten, bredere deuren, afwezigheid van drempels en patiënte gebruikt een tuinstoeltje in de douche. Patiënte heeft een eigen rolstoel via WVG. (…)

Conclusie:

Een 49-jarige vrouw met een blanco voorgeschiedenis. In maart 2002 acute hevige pijn in de rug, met uitstraling in het linkerbeen, waarvoor operatie in verband met foramenstenose volgde. Sindsdien functiestoornis en gevoelsstoornis in het linkerbeen, waarvoor uiteindelijk geen neurologische of orthopedische verklaring. Ook nu bij lichamelijk onderzoek geen evidente neurologische afwijkingen, behoudens enig reflexverschil, met name ook afwezigheid van atrofie (…)”

2.4 Tot 6 december 2003 woonden belanghebbende en haar echtgenoot in een koopwoning op het adres a-straat 7 te M. Op genoemde datum zijn zij verhuisd naar een koopwoning aan de b-straat 27 te M. Op 9 juli 2004 zijn zij verhuisd naar een koopwoning op het adres c-straat 15 te Z (hierna: de woning).

2.5 Belanghebbende en haar echtgenoot hebben de woning op 3 mei 2004 gekocht voor het bedrag € 652.500 vrij op naam. Na aankoop hebben zij aan de woning onderhouds- en verbouwingswerkzaamheden laten verrichten. Tevens hebben woningaanpassingen plaats gevonden in verband met de beperkingen van belanghebbende, zoals het rolstoeltoegankelijk maken van de woning.

2.6 Bij brief van 14 september 2004 hebben drie artsen verbonden aan D, te weten de revalidatiepsycholoog, de pijnrevalidatiearts en de revalidatiearts, de huidige huisarts van belanghebbende, E, geïnformeerd over haar beperkingen, waarbij is verwezen naar de onder 2.3 genoemde correspondentie en de daar aangehaalde informatie is herhaald.

2.7 Huisarts E heeft op 12 januari 2008 de volgende verklaring afgegeven:

“(…)Geachte heer/mevrouw,

[Belanghebbende] is rolstoelafhankelijk i.v.m. een functie- en gevoelsstoornis van haar Li been.Zij is in 2004 naar Z verhuisd .Op medisch advies is de woning aangepast.De ruimten zijn rolstoeltoegankelijk gemaakt en er zijn aanpassingen in haar huis aangebracht zodanig dat ze een goede en zelfstandige ADL kan behouden.Aanpassingen van dagmaat deuren, aanpassingen toilet en badkamer. Natte ruimte , keuken , bed en lichtknoppen aangepast qua hoogte en een traplift.

Gaarne bereid tot nadere toelichting

(…)”

2.8 In aanvulling op deze verklaring heeft E bij brief van 22 februari 2008 verklaard:

“(…) Geachte heer / mevrouw,

Toelichting op de brief van 12/01/2008

Gedurende de opname in D zijn er adviezen door de revalidatie arts en de ergotherapeut gegeven t.a.v. huiselijke aanpassingen .De lichtknoppen zijn dus op rolstoelhoogte aangebracht. Het voeteneinde van het bed is elektrisch verstelbaar om het vocht ’s nachts te laten afvloeien want door het zitten in de rolstoel hoopt het zich daar op.

Met vriendelijke groeten,

(…)”

2.9 Tussen partijen is niet in geschil dat aan de woning in de periode 2004 – 2005 een aantal aanpassingen zijn verricht om de woning rolstoeltoegankelijk en dat van de totale verbouwingskosten in het jaar 2004 een bedrag van € 25.385 aan de bedoelde aanpassingen kan worden toegerekend.

2.10 Tussen partijen is in hoger beroep, naar partijen desgevraagd ter zitting van het Hof hebben verklaard, niet in geschil dat deze aanpassingen noodzakelijk waren teneinde de woning rolstoeltoegankelijk te maken. Tussen partijen is evenmin in geschil dat deze aanpassingen van de woning niet hebben geleid tot een waardevermeerdering van de woning van meer dan 10% van de op belanghebbende drukkende aanpassingskosten.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of in het onderhavige jaar de aanpassingskosten van € 25.385 als buitengewone uitgaven in aftrek kunnen komen.

3.2. De Inspecteur stelt dat geen bedrag in aftrek kan komen, omdat de aanpassingen niet hebben plaatsgevonden op medisch voorschrift als bedoeld in artikel 20a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (tekst 2004; hierna: UB IB 2001). Belanghebbende is de tegengestelde mening toegedaan en stelt dat de aanpassingen wel op medisch voorschrift hebben plaatsgevonden en dat de uitleg die de Inspecteur aan de het UB IB 2001 verbindt geen grond vindt in de feiten en in de wet.

3.3. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan door de Inspecteur ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.4. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 6.17, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (tekst 2004; hierna: de Wet) juncto artikel 20a, aanhef en onderdeel a, UB IB 2001, worden tot de andere hulpmiddelen, als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, van de Wet, gerekend: "aanpassingen van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan, die vanwege een functiebeperking op medisch voorschrift zijn aangebracht ten behoeve van een persoon als bedoeld in artikel 6.16, onderdelen a en g, van de Wet, voorzover de aanpassingen niet leiden tot een waardevermeerdering van de woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan welke uitgaat boven tien procent van de op de belastingplichtige drukkende aanpassingskosten”.

4.2. De Inspecteur betwist in hoger beroep dat de onderhavige woningaanpassingen op medisch voorschrift als bedoeld in artikel 20a van het UB IB 2001 hebben plaatsgehad. De Inspecteur heeft zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat de onder 2.7 genoemde verklaring van de huisarts E naar de letter voldoende concreet is om als “medisch voorschrift” in de zin van voormeld artikel te gelden, nu hierin is aangegeven welke woningaanpassingen zijn verricht. Indien een dergelijke verklaring zou zijn afgegeven voorafgaand aan de in 2004 verrichte aanpassingen, zou deze volgens de Inspecteur wel als medisch voorschrift als bedoeld in artikel 20a van het UB IB 2001 kunnen gelden. Nu een aldus luidend voorafgaand aan de hiervoor bedoelde woningaanpassingen gegeven verklaring ontbreekt, is, aldus de Inspecteur, niet voldaan aan de eis dat de aanpassingen zijn aangebracht op medisch voorschrift.

4.3. Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat de tekst van de verklaring van de huisarts E duidt op een medisch voorschrift als bedoeld in artikel 20a van het UB IB 2001. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur deze enkele verklaring echter ten onrechte op zich zelf staand beoordeeld, zonder de overige medische verklaringen daarbij te betrekken. De verklaring had naar het oordeel van het Hof dienen te worden bezien in samenhang met de door de revalidatieartsen in 2003 verstrekte informatie (aangehaald onder 2.3). Deze informatie, tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd, leidt tot het oordeel dat sprake is geweest van een aan belanghebbende voorafgaand aan de woningaanpassingen gegeven medisch voorschrift dat aanpassingen aan de woning teneinde de woning voor belanghebbende rolstoeltoegankelijk te maken indiceert. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de desbetreffende aanpassingen op basis van dit medische voorschrift, in vorenbedoelde zin, zijn uitgevoerd, en evenmin in geschil is dat de waardevermeerdering daarvan niet uitgaat boven 10 procent van de op belanghebbende drukkende aanpassingskosten, oordeelt het Hof dat is voldaan aan de voorwaarden die artikel 20a van het UBIB 2001 stelt voor aftrek. Het gelijk is aan belanghebbende.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 2 punten ??1 wegingsfactor 1 ? € 437= € 874 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Wegens samenhang met zaak nr. 11/00092 zal aan de onderhavige zaak een bedrag van € 437 worden toegerekend.

6. Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 437;

- bepaalt dat van de Staat op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 454

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Polak, voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 4 september 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (E. Polak)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 september 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.