Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX6247

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
200.100.311/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moet de wettelijke indexering op het maandelijks door de man aan de vrouw te betalen bedrag worden toegepast? In dit geval niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 31 juli 2012

Zaaknummer 200.100.311/01

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.H. Punt-Koopmans, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.C. Mollema, kantoorhoudende te Grou.

Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 2 november 2011 (zaaknummer: 111488 / FA RK 11-568) heeft de rechtbank Leeuwarden bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2010 maandelijks aan de vrouw een bedrag van € 263,97 bruto dient te voldoen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 12 januari 2012, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 2 november 2011 te vernietigen en het verzoek van de vrouw, ten aanzien van de indexering, zoals gedaan in eerste aanleg, toe te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 16 februari 2012, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht de vrouw in al haar grieven/verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze als niet of onvoldoende gegrond af te wijzen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 2 april 2012 met bijlage van mr. Punt-Koopmans.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de minderjarigen [Kind 1] en [Kind 2] hun mening niet kenbaar gemaakt.

Ter zitting van 18 juni 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door mr. Punt-Koopmans, en de man, bijgestaan door mr. Mollema.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn op 16 december 1983 in de gemeente Workum met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk tussen partijen zijn dertien kinderen geboren, waarvan [Kind 1], [Kind 2], [Kind 3], [Kind 4], [Kind 5] en [Kind 6] nog minderjarig zijn. Deze kinderen hebben allen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Partijen zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.

2. Partijen hebben op 12 maart 2008 een echtscheidingsconvenant ondertekend en hebben tevens een ouderschapsplan vastgesteld dat bij dit convenant hoort.

Bij beschikking van 7 mei 2008 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

3. Bij inleidend verzoekschrift van 31 maart 2011 heeft de man de rechtbank verzocht het ouderschapsplan aan te vullen. De vrouw heeft zich hiertegen verweerd en heeft tevens een zelfstandig verzoek gedaan tot nakoming van het echtscheidingsconvent betreffende de alimentatie.

4. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder het kopje "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissing, voor zover deze ziet op wettelijke indexering, is het hoger beroep van de vrouw gericht.

De geschilpunten

5. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de wettelijke indexering.

De wettelijke indexering

6. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen twee convenanten aangaande de ontbinding van het huwelijk hebben gesloten.

Uit het eerste convenant, dat door partijen op 12 maart 2008 is ondertekend, blijkt dat partijen hebben afgesproken dat de man de alimentatie die hij met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk aan de vrouw is verschuldigd afkoopt door storting van een afkoopsom ten bedrage van € 51.500,-- bruto in een daartoe aan te kopen alimentatiepolis. Gedurende 12 jaar zal hieruit aan de vrouw een maandelijkse alimentatie worden uitgekeerd van € 434,47 bruto per maand, aldus het convenant. In het tweede convenant, ondertekend door partijen op 2 juli 2008, staat omschreven dat de man de alimentatie die hij met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk aan de vrouw verschuldigd is, afkoopt door storting van een afkoopsom ten bedrage van € 21.000,-- bruto in een daartoe aan te kopen alimentatiepolis. Ingevolge dit tweede convenant zal uit de polis aan de vrouw gedurende 12 jaar een maandelijkse alimentatiebedrag worden uitgekeerd van € 181,97 bruto, een en ander gebaseerd op een offerte van Reaal Levens-verzekering NV (verder te noemen: Reaal). Het tweede convenant is voor het overige gelijk aan het eerste convenant. Tussen partijen is niet in geschil dat het in een alimentatiepolis te storten bedrag is aangepast, omdat de man niet meer dan € 21.000,-- kon lenen van de bank. Het hof leidt uit de hiervoor omschreven gang van zaken en hetgeen de man hierover ter zitting van het hof naar voren heeft gebracht af dat het tweede convenant het eerste vervangt.

7. Nu de man niet in staat was om het resterende bedrag van (€ 51.500,-- -€ 21.000,-- =) € 30.500,-- in een keer in een alimentatiepolis te storten, zijn partijen (mondeling) overeengekomen dat de man aanvullend maandelijks een bedrag van € 253,-- aan de vrouw zal voldoen, zodat het totaal door de vrouw te ontvangen bedrag in ieder geval hetzelfde zou zijn als in het eerste convenant was overeengekomen. Aangezien de (alimentatie)polis van Reaal echter een bedrag van € 170,50 per maand (in plaats van € 181,97) aan de vrouw uitkeert, is de man, overeenkomstig de gemaakte afspraken, gehouden om aanvullend nog een bedrag van € 263,97 aan de vrouw te voldoen, zoals ook in de beschikking van de rechtbank is bepaald. Door partijen zijn tegen dit onderdeel van de beslissing van de rechtbank geen grieven gericht. Volgens de vrouw betreft de maandelijkse betaling van € 263,97 echter alimentatie (en geen afkoopsom), zodat vanaf 1 januari 2010 over dit bedrag de wettelijke indexering dient te worden toegepast.

8. Uit de inhoud van het door partijen overeengekomen eerste convenant blijkt dat het de bedoeling van partijen is geweest dat de vrouw, verdeeld over een periode van twaalf jaren, een vast bedrag van de man zou ontvangen van in totaal € 51.500,--. Kijkend naar de alimentatiepolis die uiteindelijk slechts afgesloten kon worden voor het bedrag van € 21.000,--, wordt er ook rente uitgekeerd.

Het door de vrouw aangevoerde met betrekking tot de wettelijke indexering over het bedrag van € 263,97, welk bedrag de man aan de vrouw dient te voldoen om in combinatie met de lagere alimentatiepolis toch te komen aan het bedrag dat partijen in het eerste convenant hebben afgesproken, is mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende. Dat partijen er voor hebben gekozen om het overeengekomen door de man te betalen bedrag van € 51.500,-- in tweeën te splitsen, enkel en alleen in verband met het feit dat de man niet in staat was om het gehele bedrag in een keer te storten, maakt de bedoeling van partijen niet anders. De vrouw krijgt, wanneer beide maandelijkse bedragen die zij ontvangt bij elkaar op worden geteld, nog steeds hetzelfde bedrag als zij op grond van het eerste convenant zou hebben ontvangen.

9. Het hof is, gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, evenals de rechtbank, van oordeel dat geen indexering dient te worden toegepast op het maandelijks door de man aan de vrouw te betalen bedrag van € 263,97 bruto per maand.

Slotsom

10. De beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, voorzitter, I.A. Vermeulen en D.J. Buijs, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 31 juli 2012 in bijzijn van de griffier.