Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX6232

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
200.107.386/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 19 juli 2012

Zaaknummer: 200.107.386

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de moeder],

wonende op een geheim adres,

domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S.M. Wolff, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming regio Groningen en Drenthe,

kantoorhoudende te Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

Belanghebbenden:

Bureau Jeugdzorg Drenthe,

kantoorhoudende te Assen,

hierna te noemen: BJZ,

[de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, van de kinderrechter in de rechtbank Assen van 22 februari 2012 (zaaknummer 91234 / FA RK 12-354) is de minderjarige [het kind], geboren in de [gemeente X] op [geboortedatum] (verder te noemen: [het kind]), voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van BJZ en is voorts afgewezen het verzoek om machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind].

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 21 mei 2012, heeft de moeder het hof verzocht die beschikking (verder te noemen: de bestreden beschikking) te vernietigen voor zover het de ondertoezichtstelling van [het kind] betreft, dan wel die ondertoezichtstelling zo spoedig mogelijk te beëindigen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 18 juni 2012, heeft de raad het verzoek bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de brief met bijlage (proces-verbaal) van mr. Wolff van 26 juni 2012, maar niet van de brief van de vader van 4 juni 2012 omdat laatstgenoemde brief niet op de voorgeschreven wijze, namelijk door tussenkomst van een advocaat, is ingediend.

Het hof heeft de minderjarige [het kind] in de gelegenheid gesteld zijn mening over de zaak te geven en hem daartoe, nu hij had aangegeven van de gelegenheid gebruik te willen maken, uitgenodigd voor een gesprek met een raadsheer-commissaris (kinderverhoor) op 4 juli 2012. [het kind] is daarbij echter niet verschenen.

Ter zitting van het hof van 5 juli 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de advocaat van de moeder, namens de raad de heer [S] en namens BJZ de heer [Q] (gezinsvoogd) en mw. [R] (gedragswetenschapper).

De beoordeling

Feiten en achtergronden

1. [het kind], inmiddels bijna zestien jaar oud, is geboren uit het op 10 juli 1995 gesloten huwelijk tussen de vader en de moeder. Hij beschikt over bovengemiddelde cognitieve vaardigheden (TIQ 148). In de communicatie en het aangaan van contacten en relaties met anderen is hij beperkt: [het kind] denkt zwart/wit, is weinig flexibel en heeft moeite met het vertrouwen van derden. Ook zijn taalgebruik wordt door anderen niet altijd als passend ervaren. Bij [het kind] is een stoornis in het autistisch spectrum vastgesteld.

2. [het kind] is opgegroeid in een ondernemend gezin, waar zelfontplooiing door het vergaren van kennis en ontwikkeling onderdeel uitmaakte van het dagelijks leven. Tegelijkertijd zijn de kinderjaren onrustig geweest voor [het kind]. Zo is hij meermaals verhuisd (onder meer naar en in Turkije) en veelvuldig van school gewisseld. Een van de basisscholen waar [het kind] destijds op heeft gezeten heeft een keer een zorgmelding gedaan bij het AMK.

3. De moeder is bekend met psychische problemen (PTSS), waarbij zij grillig, explosief en onvoorspelbaar gedrag kan vertonen. Zij wordt met enige regelmaat opgenomen in een psychiatrische kliniek dan wel instelling voor geestelijke gezondheidszorg.

4. De vader heeft in 2009 het gezin verlaten. De breuk tussen de ouders van [het kind] is niet zonder slag of stoot gegaan en is voor alle betrokkenen een ingrijpende gebeurtenis geweest, voor [het kind] in het bijzonder. In januari 2010 heeft zich een geweldsincident voorgedaan waarbij de moeder de vader te lijf is gegaan. Daarna heeft de gezinsvoogd zich een keer genoodzaakt gezien om de vader te waarschuwen wegens doodsbedreigingen zijdens de moeder aan het adres van de vader, althans uitlatingen die door de gezinsvoogd als zodanig zijn opgevat. In april 2010 heeft [het kind] alle contacten met zijn vader - en met iedereen die contact met zijn vader had - verbroken.

5. [het kind] is door de kinderrechter op 14 februari 2011 voor het eerst onder toezicht gesteld van BJZ voor de duur van een jaar, derhalve tot 14 februari 2012.

6. Bij het onderhavig inleidend verzoekschrift van de raad, gedateerd 2 februari 2012 en binnengekomen bij de voormelde rechtbank op 7 februari 2012 - waarin onder meer is opgemerkt dat BJZ heeft verzuimd tijdig verlenging van de ondertoezichtstelling te vragen - heeft de raad de kinderrechter verzocht om [het kind] voor de duur van één jaar onder toezicht te stellen en tevens een machtiging tot uithuisplaatsing voor dag en nacht (voor drie dagen per week) te verlenen voor [het kind] voor de duur van de ondertoezichtstelling.

7. Bij de bestreden beschikking van 22 februari 2012 heeft de kinderrechter, na de zaak diezelfde dag te hebben behandeld ter terechtzitting (in bijzijn van [het kind], bijgestaan door mw. Cnoops, de advocaat van de moeder, de gezinsvoogd en de heer [S] namens de raad), op het verzoekschrift van de raad beslist als hiervoor weergegeven onder het kopje "Het geding in eerste aanleg".

De standpunten

8. De moeder heeft zich in haar beroepschrift op het standpunt gesteld dat onvoldoende grond voor ondertoezichtstelling van [het kind] bestaat. Ter zitting van het hof is dat standpunt door de advocaat van de moeder aldus kernachtig samengevat, dat de moeder op zichzelf de zorgen rondom [het kind] (deels) onderkent maar dat zij daarvoor een vangnet rondom zich heeft gecreëerd dat hulpverlening in een gedwongen kader onnodig en zelfs contraproductief maakt, nu [het kind] zich tegen de gezinsvoogd heeft gekeerd. De moeder ziet de problemen en bedreigingen en zoekt daarvoor oplossingen. In dat verband is onder meer opgemerkt dat [het kind], die bij de moeder woont en een goede band met haar heeft, drie dagen per week wordt begeleid door Gezinshulpverlening met Verblijf (GMV) en dat hij goed functioneert op school. De moeder betwist voorts dat zij [het kind] sterkt in zijn afkeer van zijn vader. Wel is het zo dat zij die gevoelens van [het kind] respecteert om te voorkomen dat [het kind] zich ook van haar afkeert.

9. De raad heeft de visie van de moeder in zijn verweerschrift en ter zitting van het hof gemotiveerd betwist en blijft van mening dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De raad wijst erop dat de moeder sterk de regie wil houden en bepalen, maar dat het voor de ontwikkeling van [het kind] juist goed is om meer los te komen van de moeder om zo een eigen identiteit te ontwikkelen. De raad heeft verder onder meer gewezen op recente ontwikkelingen sinds de bestreden beschikking, waaronder een suïcidepoging van de moeder en aansluitend een nieuwe (gedwongen) opname van de moeder in een psychiatrische kliniek op 14 juni 2012.

10. BJZ heeft zich ter zitting van het hof achter het standpunt van de raad geschaard en een toelichting gegeven op de contacten met [het kind], de moeder en de betrokken instanties.

De overwegingen van het hof

11. Ter beoordeling staat de ondertoezichtstelling van de minderjarige [het kind] met ingang van 22 februari 2012 voor de duur van een jaar. De raad heeft in dit verband geen incidenteel appel ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek om machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind].

12. Op grond van artikel 1:254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen indien deze zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. De maatregel kan zo nodig worden verlengd indien de gronden zich nog voordoen.

13. De ontwikkelingsbedreiging voor [het kind] is met name gelegen in zijn kwetsbaarheid en bijzondere opvoedingsbehoeften in combinatie met de beperkte beschikbaarheid van de moeder als gevolg van haar psychische klachten, alsmede in de verstoorde relatie(s) van [het kind] met personen die een belangrijke rol vervullen in zijn leven, zoals zijn vader en recentelijk ook zijn moeder.

14. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof ervan overtuigd dat de moeder een bijzondere band heeft met [het kind] en dat de moeder binnen de grenzen van haar mogelijkheden, haar best doet om tegemoet te komen aan de specifieke opvoedingsbehoeften van [het kind]. Door zijn stoornis heeft [het kind] echter een meer dan gemiddelde behoefte aan rust, continuïteit, voorspelbaarheid en duidelijkheid, hetgeen een specifieke aanpak vergt. Het hof moet in dat kader vaststellen dat ondanks de inspanningen van de moeder en ondanks het netwerk dat de moeder rondom zich heeft gecreëerd, zich ernstige gebeurtenissen hebben voorgedaan en blijven voordoen, die grote zorgen baren over de ontwikkeling van [het kind]. In het verleden is onder meer sprake geweest van veelvuldige verhuizingen, (gewelddadige) relatieproblemen tussen de ouders, herhaaldelijke opnames van de moeder in een psychiatrische instelling en een ernstig loyaliteitsconflict bij [het kind] dat uiteindelijk heeft geleid tot een volledig verbroken contact tussen [het kind] en zijn vader. Hieraan kan recentelijk de suïcidepoging van de moeder (dan wel schreeuw om hulp) en haar aansluitende gedwongen opname in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg op 14 juni 2012 aan worden toegevoegd. Ter zitting is overigens gebleken dat de moeder inmiddels weer thuis is, maar dit doet natuurlijk niets af aan de ernst van het voorval en de impact daarvan op [het kind].

15. Het moge voorts zo zijn dat de moeder [het kind] niet heeft aangemoedigd in zijn negatieve gevoelens jegens de vader, feit is dat tot op heden nog geen zicht bestaat op herstel van de contacten tussen [het kind] en de vader. In zoverre kan daarom niet worden gezegd dat dit aspect van de ontwikkelingsbedreiging van [het kind] zich niet meer voordoet. Daarbij komt dat ter zitting van het hof is gebleken dat [het kind] inmiddels ook het contact met de moeder heeft verbroken.

16. Het hof wijst er voorts op dat (het netwerk van) de moeder kennelijk niet heeft kunnen voorkomen - hoewel de lezingen over de gang van zaken uiteenlopen - dat [het kind] op afstand betrokken is geraakt bij de recente suïcidepoging van de moeder op 14 juni 2012 en althans daarvan op de hoogte is geraakt, al dan niet via derden. Het hoeft geen betoog dat dit schadelijk is voor [het kind].

17. De ingrijpende gebeurtenissen die zich in de loop der tijd hebben voorgedaan illustreren het gebrek aan stabiliteit in de gezinssituatie bij de moeder, de onvoorspelbaarheid van de moeder en het grillige gedrag. Dit maakt naar het oordeel van het hof dat hulpverlening in een vrijwillig kader geen reële optie is ter afwending van de hier bedoelde ontwikkelingsbedreiging. Het hof acht het daarom van belang dat de gezinsvoogd nauw betrokken blijft bij het gezin en blijft toezien op het welzijn en de ontwikkeling van [het kind].

18. Voor zover de moeder heeft aangevoerd dat de onderhavige maatregel contraproductief is omdat [het kind] zich tegen de gezinsvoogd heeft gekeerd kan het hof ook dat niet volgen. Nog daargelaten dat daaruit niet kan worden afgeleid dat [het kind] zich tegen BJZ als zodanig heeft gekeerd, is ter zitting gebleken dat [het kind] inmiddels uit eigen beweging weer contact heeft opgenomen met de gezinsvoogd en heeft verzocht om een uithuisplaatsing. Het hof heeft in dit verband de indruk dat de gezinsvoogd sensitief omgaat met de specifieke problematiek in de onderhavige zaak en dat hij zijn taak adequaat vervult.

De slotsom

19. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen, voor zover aan dit hoger beroep onderworpen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Assen van 22 februari 2012 voor zover aan dit hoger beroep onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, voorzitter, A.H. Garos en M.P. den Hollander en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 19 juli 2012 in bijzijn van de griffier.