Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX6225

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
200.101.032/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling kosten minderjarige bij co-ouderschap.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 252
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 402
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 17 juli 2012

Zaaknummer 200.101.032

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. O.J.C. Toxopeus, kantoorhoudende te Veendam,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M. Hoekman-Haan, kantoorhoudende te Stadskanaal.

Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van 15 november 2011 van de rechtbank Groningen (zaaknummer 124516/FA RK 11-320) zoals bij partijen bekend.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 27 januari 2012, heeft de moeder verzocht de beschikking van 15 november 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende:

I. te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarige [het kind] (hierna: [het kind]), geboren op [geboortedatum] in de [gemeente X], bij haar is;

II. haar toestemming te verlenen om [het kind] op een basisschool in [plaats 2] te laten gaan;

III. te bepalen dat [het kind] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ieder weekend van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de vader zal verblijven alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

IV. te bepalen dat de vader gehouden zal zijn aan haar te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] een bedrag van € 300,- per maand.

Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 20 maart 2012, heeft de vader het verzoek bestreden en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van een brief van 31 januari 2012 van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) waarin wordt meegedeeld dat de raad in deze zaak geen onderzoek heeft verricht, een faxbericht van 9 februari 2012, een brief van 15 februari 2012 en een brief van 23 mei 2012 met bijlagen, van mr. Hoekman-Haan, een brief van 17 februari 2012 met een bijlage en een faxbericht van 23 mei 2012 met bijlagen, beide van mr. Toxopeus.

Ter zitting van 7 juni 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder en de vader en hun advocaten.

Mr. Toxopeus heeft mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar ter zitting van het hof overgelegde pleitnotitie.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Uit de - inmiddels verbroken - affectieve relatie tussen de moeder en de vader is de thans nog minderjarige [het kind] geboren. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over haar uit.

2. De ouders hebben hun zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [het kind] tot op heden zo verdeeld dat [het kind] steeds om en om een week bij de vader en bij de moeder verblijft. [het kind] staat ingeschreven op het adres van de vader.

3. Bij het bereiken van de schoolgaande leeftijd door [het kind] is tussen de ouders een geschil ontstaan over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

4. Bij verzoekschrift van 16 februari 2011 heeft de vader verzocht om het hoofdverblijf van [het kind] bij hem te bepalen en te bepalen dat tussen [het kind] en de moeder een zorgregeling zal gelden van één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend.

5. Bij verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, van 27 april 2011 heeft de moeder verzocht om het hoofdverblijf van [het kind] bij haar te bepalen en tevens te bepalen dat als zorgregeling tussen [het kind] en de vader zal gelden één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend, subsidiair dat ieder van de ouders [het kind] om en om een week bij zich heeft van zondagmiddag tot zondagmiddag.

6. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door de rechtbank heeft de vader zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij heeft verzocht om te bepalen dat [het kind] haar hoofdverblijf bij hem krijgt, dat [het kind] zal worden ingeschreven op een basisschool in [plaats 1] en dat een zorgregeling zal gelden waarbij [het kind] de ene week bij hem en de andere week bij de moeder verblijft.

7. Bij de bestreden beschikking is bepaald dat [het kind] haar hoofdverblijf bij de vader heeft, dat zij de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verblijft en is aan de vader vervangende toestemming verleend om [het kind] in te schrijven op een basisschool in [plaats 1]. De moeder is hiertegen in hoger beroep gekomen.

De geschilpunten

8. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- het hoofdverblijf en daarmee samenhangend de plaats waar [het kind] naar school dient te gaan;

- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

- de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind].

Het hoofdverblijf, de plaats waar [het kind] naar school dient te gaan en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

9. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat in de gegeven situatie het belang van [het kind] het meest is gediend met handhaving van de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat [het kind] de ene week bij haar vader en de andere week bij haar moeder verblijft en met vaststelling van haar hoofdverblijf bij de vader, waarbij [het kind] (onveranderd) in [plaats 1] naar school gaat. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank dienaangaande over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt daar aan toe dat in hoger beroep niet van andere feiten of omstandigheden is gebleken dan die in eerste aanleg reeds zijn meegewogen en welk oordeel het hof, zoals gezegd, overneemt.

De door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind]

10. De moeder heeft als (mede-)verzorgende ouder in haar beroepschrift verzocht om een bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] ter hoogte van € 300,- per maand. Ter zitting van het hof heeft zij bij haar verzoek gepersisteerd. De moeder heeft daarbij de behoefte van [het kind] gesteld op € 389,- per maand, hetgeen de vader niet, althans onvoldoende, heeft weersproken zodat het hof daar vanuit zal gaan.

11. De vader heeft tegen het verzoek van de moeder ingebracht dat hij reeds een groot deel van de kosten van [het kind] draagt en dat, zoals uit de door hem overgelegde draagkrachtberekening blijkt, er voor het overige geen ruimte is voor een aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van [het kind].

De verdeling van de kosten van [het kind]

12. [het kind] verblijft om en om een week bij de vader en bij de moeder. De kosten van [het kind] ter hoogte van € 389,- per maand worden daarom voor de helft aan elk van de beide ouders toegerekend, te weten € 194,50 per maand. Het hof overweegt voorts dat ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen in de kosten van hun kind.

De draagkracht van de vader

13. De door de vader in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening is - behoudens voor wat betreft het kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting - door de moeder niet, althans onvoldoende weersproken zodat het hof deze berekening als uitgangspunt zal nemen.

14. De vader heeft onweersproken gesteld dat hij de kosten van de kinderopvang betaalt. Uit de door de vader overgelegde stukken is gebleken dat deze kosten in 2012 (€ 391,59 minus € 333,58) € 58,- netto per maand bedragen.

15. Het hof zal een nieuwe draagkrachtberekening maken en daarbij het kindgebonden budget, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de netto kosten van de kinderopvang meenemen. Dit leidt tot de aan deze beschikking gehechte berekening (I). Daaruit blijkt dat de vader een draagkrachtruimte van € 589,- per maand heeft waarvan 70%, te weten € 412,- per maand, beschikbaar heeft ten behoeve van [het kind]. Aangezien de vader het kindgebonden budget ontvangt, kan hij geen aanspraak op fiscaal voordeel maken.

De draagkracht van de moeder

16. Van de zijde van de moeder zijn bij brief van 23 mei 2012 financiële gegevens overgelegd die door de vader niet, althans onvoldoende, zijn weersproken zodat het hof daar van uit zal gaan. Aangezien niet anders is gesteld of gebleken, hanteert het hof ter zake van het inkomen van de moeder de door haar overgelegde jaaropgaven over 2011. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de woonlasten, de premie zorgverzekering, huur- en zorgtoeslag en de aflossing op het flexibel krediet, zoals daarvan uit de door de moeder overgelegde stukken blijkt. Dit leidt tot de aan deze beschikking gehechte berekening (II). Daaruit blijkt dat de moeder een draagkrachtruimte van € 66,- per maand heeft waarvan 70%, te weten € 46,- per maand, beschikbaar is voor [het kind].

17. Uit de aan deze beschikking gehechte draagkrachtvergelijking (III) blijkt dat naar rato van de draagkracht van de ouders het aandeel van de vader in de behoefte van [het kind] € 350,- per maand bedraagt en dat het aandeel van de moeder € 39,- per maand bedraagt. De kosten van [het kind] die aan elk van beide ouders worden toegerekend bedragen € 194,50 per maand per ouder, zodat de vader in de behoefte van [het kind] aan de moeder (€ 39,- minus € 194,50) € 155,50 per maand dient te betalen. De vader kan, ook na aftrek van zijn aandeel in de behoefte van [het kind], dit bedrag aan de moeder betalen. Het hof zal aldus beslissen.

De slotsom

18. Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [het kind], geboren op

[geboortedatum] in de [gemeente X], met ingang van 27 januari 2012 op € 155,50 per maand;

bepaalt dat deze bijdrage, voor zover de termijnen niet reeds zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder moeten worden voldaan;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, M.P. den Hollander en I.A. Vermeulen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 juli 2012 in bijzijn van de griffier.