Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX6203

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
200.094.570/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van berusting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 9 augustus 2012

Zaaknummer 200.094.570

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats] ([land]),

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Weissink, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.M. Dreef, kantoorhoudende te Deventer.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 19 juli 2011 (zaaknummer 115531 / FA RK 10-112) heeft de rechtbank Groningen - voor zover hier van belang - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking van 7 september 2010 in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 2.778,-- netto per maand, te vermeerderen met fiscaal voordeel, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Bij eerdere beschikking van 21 december 2010 heeft de rechtbank Groningen de beslissing in de zaak aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte nader uit te laten.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 27 september 2011, heeft de man verzocht de beschikkingen van 21 december 2010 en 19 juli 2011 te vernietigen voor zover deze beschikkingen betrekking hebben op de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in haar levensonderhoud en opnieuw beslissende (naar het hof leest: primair) de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot vaststelling van partneralimentatie althans dit verzoek alsnog af te wijzen, en subsidiair de partneralimentatie vast te stellen op een zodanig lager bedrag dan € 2.778,-- netto per maand als het hof in goede justitie redelijk zal achten met limitering van de onderhoudsbijdrage tot twee jaren na de datum van ontbinding van het geregistreerd partnerschap.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 25 november 2011, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze verzoeken af te wijzen.

Tevens heeft de vrouw bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikkingen van 21 december 2010 en - naar het hof begrijpt - 19 juli 2011 te vernietigen, althans voor wat betreft de genomen beslissingen ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud en opnieuw beslissende de man te veroordelen aan de vrouw terzake de kosten van haar levensonderhoud uit te keren € 6.006,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans die bijdrage vast te stellen op een zodanig hoger bedrag dan € 2.778,-- als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 17 januari 2012, heeft de man het verzoek in het incidenteel beroep bestreden en verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit appel ongegrond te verklaren.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 8 februari 2012 met bijlagen van mr. Weissink.

Ter zitting van 22 maart 2012 is de zaak behandeld. De man is - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen. Mr. Weissink heeft ter zitting voor hem het woord gevoerd. De vrouw is verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

Mr. Weissink heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie.

De pleitnotitie van mr. Dreef is door het hof geweigerd, nu deze niet voldeed aan de vereisten zoals gesteld in het procesreglement.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn op 5 november 2002 een geregistreerd partnerschap aangegaan, zij hebben daarbij geen partnerschapsvoorwaarden opgemaakt. Uit dit partnerschap zijn geen (minderjarige) kinderen geboren. Partijen zijn in mei 2007 feitelijk uit elkaar gegaan.

2. In haar inleidend verzoek van 13 januari 2010, heeft de vrouw - voor zover hier van belang - verzocht het geregistreerd partnerschap te ontbinden en te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 8.333,33 bruto per maand. De man heeft een verweerschrift ingediend, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek.

3. Bij beschikking van 7 september 2010 heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 21 december 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4. Bij (tussen)beschikking van 21 december 2010 heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw nu en in de nabije toekomst niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dat zij daarom behoeftig is te achten. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist zoals hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Het principaal appel van de man en het incidenteel appel van de vrouw richten zich tegen deze beschikkingen.

De ontvankelijkheid van het principaal appel van de man

5. De vrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de man in zijn hoger beroep niet kan worden ontvangen, omdat hij de rechtbank - bij aktes van 8 maart 2011 en 29 maart 2011 - uitdrukkelijk heeft verzocht om de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vast te stellen conform de behoefte van de vrouw. Er is volgens de vrouw sprake van berusting ten aanzien van haar behoeftigheid, zodat dit aan de door de man geformuleerde grieven ten aanzien van de behoeftigheid van de vrouw in de weg staat.

6. Voor zover de vrouw daarmee bedoeld heeft te stellen dat er sprake is van (processuele) afstand van recht, overweegt het hof als volgt.

7. Als uitgangspunt geldt dat partijen in hoger beroep gelegenheid hebben tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen bij de procesvoering in eerste aanleg is gedaan en nagelaten. Daar komt bij dat een vastgestelde onderhoudsbijdrage te allen tijde kan worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden dan wel wanneer deze tot stand is gekomen op grond van onjuiste en onvolledige gegevens.

8. Op zichzelf is niet uitgesloten dat het hof in hoger beroep aan processueel gedrag in eerste aanleg de slotsom verbindt dat een procespartij het recht verloren heeft voor het eerst in hoger beroep een bepaald standpunt in te nemen, zij het dat het hof daarmee terughoudend dient te zijn in verband met de hiervoor genoemde strekking van het hoger beroep en de genoemde wijzigingsmogelijkheid.

9. Het hof is van oordeel dat er in het onderhavige geval geen aanleiding is voor het aanvaarden van een uitzondering op voornoemd uitgangspunt. Niet gebleken is dat er sprake is van (processuele) afstand van recht, omdat de (proces)houding van de man in eerste aanleg niet ondubbelzinnig duidt op het prijsgeven van het recht om de behoeftigheid van de vrouw aan de orde te stellen. Evenmin is sprake van rechtsverwerking aan de zijde van de man, aangezien onvoldoende is gesteld of gebleken dat hij zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Het hof is tot slot van oordeel dat geen sprake is van strijd met een goede procesorde, nu gesteld noch gebleken is dat de positie van de vrouw in hoger beroep onredelijk is benadeeld of verzwaard door het eerst in hoger beroep nader inhoudelijk de behoeftigheid van de vrouw aan de orde te stellen.

10. In het geval de vrouw bedoeld heeft te stellen dat de man in de uitspraak van de rechter heeft berust, overweegt het hof als volgt.

11. Er is sprake van berusting in een rechtelijke uitspraak - als bedoeld in artikel 334 Rv - indien men aan de wederpartij de wil te kennen geeft om zich bij die uitspraak neer te leggen en aldus afstand doet van het recht om daartegen een rechtsmiddel in te stellen (HR 19 februari 1999, NJ 1999/367). Uit vaste jurisprudentie blijkt dat van berusting slechts sprake kan zijn ingeval de in het ongelijk gestelde partij na de uitspraak ten opzichte van de wederpartij een houding heeft aangenomen waaruit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt dat hij zich bij de uitspraak neerlegt. De rechter dient zich terughoudend op te stellen bij het aannemen van berusting in verband met de ingrijpende gevolgen die daaraan verbonden zijn. Er mag geen twijfel bestaan over de bedoeling dat in de uitspraak wordt berust.

12. Het hof is van oordeel dat ook van berusting in voornoemde zin geen sprake is. De man heeft ter zitting in eerste aanleg weliswaar gesteld dat een bijdrage vastgesteld kan worden overeenkomstig de behoefte van de vrouw, doch hiermee heeft de man niet de wil te kennen gegeven dat hij zich bij de - nadien gegeven - uitspraak zou neerleggen. De man is ruim binnen de beroepstermijn in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Het staat de man vrij om in hoger beroep een andere stelling in te nemen dan hij in eerste aanleg heeft gedaan.

13. De man is derhalve naar het oordeel van het hof ontvankelijk in zijn principaal appel.

De ingangsdatum

14. De ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud staat in hoger beroep niet ter discussie, zodat het hof - evenals de rechtbank - zal uitgaan van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand, te weten: 21 december 2010.

De geschilpunten

15. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de behoefte van de vrouw;

- de behoeftigheid van de vrouw;

- het verzoek tot limitering van de onderhoudsverplichting.

De behoefte van de vrouw

16. Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de behoefte van de vrouw dient te worden gesteld.

17. Het hof acht het redelijk om - zoals door de vrouw verzocht - bij de vaststelling van haar behoefte aansluiting te zoeken bij de 'huishoudgeldovereenkomst'. Op grond van deze 'huishoudgeldovereenkomst' diende de man aan de vrouw een bedrag van € 4.000,-- per maand te voldoen. Nu dit een bedrag is dat de man ten tijde van het geregistreerd partnerschap aan de vrouw betaalde, gaat het hof ervan uit dat het een nettobedrag betreft. Er is naar het oordeel van het hof geen aanleiding te veronderstellen dat de behoefte van de vrouw lager is dan voornoemd bedrag van € 4.000,-- per maand. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de Belastingdienst er niet mee akkoord is gegaan dat de man aan zichzelf slechts een salaris uitkeerde van € 90.000,-- per jaar. Volgens de Belastingdienst diende vanuit de B.V. aan de man met terugwerkende kracht minimaal een salaris van € 250.000,-- per jaar te worden uitgekeerd. In de aangiften IB van 2006 en 2007 is daarom een inkomen uit arbeid opgenomen van € 257.941,-- in 2006 en € 257.943,-- in 2007. De accountant van de man heeft weliswaar verklaard dat er slechts een bedrag van € 90.000,-- aan salaris aan de man is uitgekeerd en de rest in rekening-courant is geboekt, doch volgens de vrouw bestond het besteedbaar inkomen van partijen destijds, naast het salaris van de man, tevens uit privé opnamen uit de holding van de man. Dit is door de man onvoldoende weersproken.

18. Gelet op het vorenstaande is het, naar het oordeel van het hof, alleszins redelijk om uit te gaan van een netto behoefte van de vrouw van € 4.000,-- per maand, hetgeen neerkomt op een bruto behoefte van € 6.773,33 per maand.

De behoeftigheid van de vrouw

19. Partijen zijn daarnaast verdeeld over het antwoord op de vraag in hoeverre de vrouw in staat moet worden geacht om in haar behoefte te kunnen voorzien.

20. De man is van mening dat de vrouw in staat moet worden geacht om, in elk geval gedeeltelijk, in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Volgens de man heeft de vrouw tijdens hun geregistreerd partnerschap zelf de keuze gemaakt niet meer te werken zodat het geregistreerd partnerschap voor haar geen belemmerende factor heeft gevormd voor haar kansen op de arbeidsmarkt. Hij stelt dat de vrouw in de vier jaren dat zij feitelijk uiteen zijn, voldoende gelegenheid heeft gehad zich om- of bij te scholen en een betaalde baan te vinden. De vrouw heeft naar de mening van de man onvoldoende inspanningen geleverd om een betaalde baan te vinden.

21. De vrouw betwist de stellingen van de man. De vrouw stelt dat zij weliswaar een HBO-V opleiding heeft afgerond maar dat zij vanwege ernstige allergieën niet in de gezondheidszorg werkzaam kan zijn. Zij heeft, naar eigen zeggen, ook geen relevante werkervaring op dit gebied. Gedurende het geregistreerd partnerschap heeft zich naar de mening van de vrouw een 'traditioneel rolpatroon' ontsponnen, inhoudende dat de vrouw daarin vooral werd belast met het huishouden teneinde de man de tijd en ruimte te bieden zich volledig op zijn carrière te richten. Daarnaast heeft de vrouw - blijkens haar verklaring ter zitting - langere tijd voor haar zwakbegaafde moeder gezorgd. Zij stelt ook erg veel last te hebben gehad van de relatiebreuk tussen partijen, waardoor zij psychisch niet in staat is (geweest) arbeid te verrichten. De vrouw wil zich thans nader ontwikkelen in de geestelijke gezondheidszorg en is doende VWO-certificaten te behalen zodat zij medio 2012 mee kan dingen naar een plaats als zij-instromer voor de studie Geneeskunde. Daarnaast verricht zij, naar eigen zeggen, - om werkervaring op te doen - vrijwilligerswerk en heeft zij zich ingeschreven bij diverse uitzendbureaus.

22. Het hof is van oordeel dat het van de vrouw, gelet op haar geschiedenis, leeftijd, opleiding en geringe werkervaring niet verwacht mag worden dat zij direct volledig inzetbaar is. Doch, nu de vrouw gesteld heeft dat het voor haar begin 2008 duidelijk werd dat partijen niet gezamenlijk verder zouden gaan en de ingangsdatum van de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw op 21 december 2010 (te weten: de datum van inschrijving van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand) is bepaald, mag naar het oordeel van het hof wel van de vrouw worden verwacht dat zij vanaf die datum in een gedeelte van haar behoefte zal kunnen voorzien door betaalde arbeid te verrichten. Hoewel de vrouw stelt dat het haar vanwege haar allergieën en psychische gesteldheid niet is gelukt een betaalde baan te vinden, heeft zij dit niet met stukken onderbouwd, terwijl dit naar het oordeel van het hof - gelet op de betwisting door de man - wel op haar weg had gelegen. Ook haar stelling dat zij staat ingeschreven bij diverse uitzendbureaus, heeft de vrouw niet met stukken onderbouwd zodat zij eveneens onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij inspanningen heeft verricht om betaalde arbeid te vinden.

23. Het hof zal derhalve uitgaan van een netto verdiencapaciteit van de vrouw van € 1.500,-- per maand, derhalve een bruto verdiencapaciteit van € 1.863,33 per maand. De behoeftigheid van de vrouw komt daarmee op een bedrag van € 2.500,-- netto per maand (€ 4.000,-- minus € 1.500,--). Na brutering - de vrouw dient immers inkomstenbelasting te betalen over de door haar te ontvangen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud - bedraagt de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud € 4.910,-- per maand.

De bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw

24. De draagkracht van de man staat in hoger beroep niet ter discussie. Het hof gaat er - nu het tegendeel niet is gebleken - vanuit dat de man voldoende draagkracht heeft om met ingang van 21 december 2010 een bijdrage van € 4.910,-- per maand in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. Het hof zal derhalve dienovereenkomstig bepalen.

Het verzoek tot limitering van de onderhoudsverplichting

25. De man heeft het hof verzocht de onderhoudsverplichting te limiteren tot twee jaar na datum van ontbinding van het geregistreerd partnerschap, derhalve tot 21 december 2012. Ter zitting heeft hij deze periode (subsidiair) beperkt tot maximaal vijf jaar, omdat het geregistreerd partnerschap feitelijk niet langer heeft geduurd dan vijf jaar.

26. Het hof merkt het verzoek van de man aan als een verzoek bedoeld in artikel 1:157 lid 3 BW. De rechter kan op grond van dit artikel op verzoek van een van de partijen de uitkering tot levensonderhoud toekennen onder vaststelling van een termijn, al dan niet in de vorm van een geleidelijke vermindering tot nihil.

27. Een beslissing om een termijn vast te stellen doet, behoudens de mogelijkheden tot wijziging van artikel 1:401 lid 2 en lid 4 BW, het recht op levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde definitief eindigen. Er worden dan ook hoge eisen gesteld aan degene die een verzoek doet tot limitering van de onderhoudsverplichting. In het algemeen is vaststelling van de onderhoudsverplichting voor een bepaalde termijn redelijk, indien met voldoende zekerheid en op stabiele gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de alimentatie bepaalde termijn op voor haar passende wijze in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

28. Het hof is van oordeel dat de man niet aan zijn stelplicht in dit kader heeft voldaan. Aangezien, naar het oordeel van het hof, niet aannemelijk is geworden dat de vrouw - gelet op haar leeftijd, opleiding en geringe werkervaring - op (korte) termijn volledig in haar behoefte zal kunnen voorzien, zal het hof het verzoek van de man tot limitering van zijn onderhoudsverplichting ten opzichte van de vrouw, afwijzen. Analoge toepassing van artikel 1:157 lid 6 BW is evenmin aan de orde, nu het geregistreerd partnerschap langer dan vijf jaren heeft geduurd.

Slotsom

29. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover het de partneralimentatie betreft;

en opnieuw beslissende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 21 december 2010 op € 4.910,-- per maand;

bepaalt dat deze bijdrage, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte voor zover het de partneralimentatie betreft.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, voorzitter, A.W. Beversluis en I.A. Vermeulen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 augustus 2012 in bijzijn van de griffier.