Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX6198

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
200.081.843/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring en verwerking van het recht op het vorderen van kinderalimentatie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Burgerlijk Wetboek Boek 1 402
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 324
Burgerlijk Wetboek Boek 3 325
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 130
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 283
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 362
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2012/176 met annotatie van P.A. den Hollander
RFR 2012/123

Uitspraak

Beschikking d.d. 2 augustus 2012

Zaaknummer: 200.081.843

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.G. Blankestijn, kantoorhoudende te Almelo,

tegen

[de vrouw] en [de zoon],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw respectievelijk de zoon dan wel [de zoon],

advocaat mr. H.M.A. Breuls, kantoorhoudende te Nieuw-Amsterdam,

alsmede (voor zover het betreft de periode vanaf 19 maart 2011)

[de dochter],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de dochter dan wel [de dochter],

advocaat mr. H.M.A. Breuls, kantoorhoudende te Nieuw-Amsterdam.

Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Assen van 10 november 2010 (zaaknummer 79397 / FA RK 10-1101), waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 8 februari 2011, heeft de man verzocht die beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende toe te wijzen het verzoek van de man om de beschikking van de rechtbank van 20 september 1994 (het hof leest: 10 oktober 1994) aldus te wijzigen dat de daarbij vastgestelde onderhoudsbijdragen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [de zoon] en [de dochter] met ingang van 1 april 2009 op nihil worden gesteld en voorts te verklaren voor recht dat:

- primair de vrouw haar rechten op vordering van de achterstallige alimentatie heeft verwerkt tot 1 april 2009;

- subsidiair de vordering van de vrouw tot betaling van de alimentatie vanaf 1 september 1994 tot 26 februari 2004 is verjaard.

Bij akte, binnengekomen bij het hof op 12 mei 2011, heeft de man zijn verzoek (petitum) aangepast en verzocht de voormelde beschikking van de rechtbank van 10 november 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende toe te wijzen het verzoek van de man om de beschikking van de rechtbank van (het hof leest:) 10 oktober 1994 aldus te wijzigen dat de daarbij vastgestelde onderhoudsbijdragen ter zake van de door de man te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] en [de dochter] op nihil worden gesteld, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag,

- primair met ingang van 9 februari 2004;

- subsidiair met ingang van 1 april 2009;

en voorts voor recht te verklaren dat:

- primair de vrouw haar rechten op vordering van de achterstallige alimentatie heeft verwerkt tot 9 februari 2009;

- subsidiair de vordering van de vrouw tot betaling van de alimentatie vanaf

1 september 1994 tot 9 februari 2004 is verjaard.

Bij verweerschrift tevens inhoudende incidenteel appel, binnengekomen op de griffie op 23 juni 2011, hebben de vrouw en [de zoon] verzocht om, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. het beroep van de man af te wijzen;

2. de verklaring voor recht ten aanzien van de (het hof leest:) rechtsverwerking af

te wijzen;

3. de beschikking van de rechtbank Assen van 10 november 2010 te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de man met ingang van 23 april 2010 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] aan de vrouw € 75,08 per maand dient te betalen en voor zover is bepaald dat de man met ingang van 23 april 2010 aan [de zoon] in de kosten van levensonderhoud en studie per maand € 75,08 dient te betalen en, opnieuw rechtdoende,

4. de bestreden beschikking te wijzigen in die zin dat de onderhoudsbijdrage voor de kinderen met ingang van 23 april 2010 wordt gesteld op € 250,- bruto per kind per maand, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht;

5. de man te veroordelen in de kosten van het geding in alle instanties, advocaatkosten daaronder begrepen, alsmede hem te veroordelen in de nakosten.

Bij afzonderlijk verweerschrift tevens inhoudende incidenteel appel, eveneens binnengekomen op de griffie op 23 juni 2011, heeft [de dochter] verzocht om, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. het beroep van de man af te wijzen voor zover de dochter hierin verweerster is, derhalve vanaf de periode vanaf 19 maart 2011;

2. de beschikking van de rechtbank Assen van 10 november 2010 te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de man met ingang van 23 april 2010 en dus doorlopend na 19 maart 2011 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] aan de vrouw € 75,08 per maand dient te betalen en,

3. opnieuw rechtdoende, de beschikking van de rechtbank Assen d.d. 10 November 2011 te wijzigen in die zin dat de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter met ingang van 23 april 2010 wordt vastgesteld op minimaal € 250,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling vanaf 19 maart 2011 rechtstreeks aan de dochter te voldoen, althans een dusdanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie van het hof op 8 september 2011, heeft de man de verzoeken in incidenteel appel van de vrouw, [de zoon] en [de dochter] bestreden en geconcludeerd tot afwijzing ervan, alsmede tot afwijzing van de verzochte kostenveroordeling.

Nadere stukken

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de brief met bijlagen van mr. Blankestijn van 4 april 2011, de brief met bijlage van mr. Breuls van 25 juli 2011 en de brief met bijlagen van mr. Blankestijn van 11 januari 2012. Op verzoek van het hof heeft mr. Blankestijn bij brief van 13 januari 2012 voorts nog enige ontbrekende stukken toegezonden.

Ter zitting van 17 januari 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. A.C.N. Scharenborg (kantoorgenote van mr. Blankestijn) en de vrouw en de jongmeerderjarigen ([de dochter] en [de zoon]), bijgestaan door mr. Breuls. Mr. Breuls heeft zich met toestemming van partijen doen vergezellen van de stagiaire mr. Y. Schippers. De advocaten hebben pleitnotities overgelegd.

De beoordeling

Geweigerde stukken

1. Het hof geen kennisgenomen van de brief van mr. Breuls van 4 januari 2012, met uitzondering van de daarbij gevoegde bijlagen, omdat de inhoud van de brief moet worden aangemerkt als extra schriftelijke ronde en door het hof daartoe geen gelegenheid is geboden, noch daarin zonder voorafgaande rechterlijke beslissing bij wet of procesreglement is voorzien. Het hof heeft wel kennisgenomen van de brief van mr. Blankestijn van 11 januari 2012, ondanks het bezwaar van mr. Breuls daartegen, omdat mr. Blankestijn in die brief (noodzakelijkerwijze) heeft gereageerd op de brief van 4 januari 2012 en de reactie zich heeft beperkt tot het maken van bezwaar tegen de 'extra schriftelijke ronde'. De bij de brief van 11 januari 2012 gevoegde stukken zijn eveneens geaccepteerd nu die stukken zijn ingediend in reactie op de brief van mr. Blankenstijn van 11 januari 2012 en voorts eenvoudig te doorgronden zijn.

Feiten en achtergronden, zakelijk weergegeven

2. Partijen zijn voormalige echtelieden. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren: op [geboortedatum] in de gemeente [X] [de zoon] en op [geboortedatum] in de gemeente Hoogeveen [de dochter].

3. Bij beschikking van de rechtbank Assen van 20 september 1994 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 27 oktober 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

4. [de zoon] en [de dochter] hebben sinds de scheiding hun hoofdverblijf bij de vrouw.

5. Bij beschikking van de rechtbank Assen van 10 oktober 1994 is de door de man verschuldigde kinderbijdrage voor [de zoon] en [de dochter] vastgesteld op fl. 325,- (€ 147,48) per kind per maand met ingang van 1 september 1994.

6. Bij vonnis in kort geding van de president van de rechtbank Assen van 12 december 1995 is de onderhoudsverplichting van de man jegens [de zoon] en [de dochter] opgeschort daar de vrouw weigerde een opgelegde voorlopige omgangsregeling na te komen. Deze opschorting verviel bij beschikking van dit hof van 28 april 1999. Nadien is door de man geen bijdrage meer geleverd in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen.

7. Beide partijen zijn na de scheiding opnieuw gehuwd. Uit het huwelijk van de man en zijn echtgenote zijn drie, thans nog minderjarige, kinderen geboren.

8. De vrouw heeft middels een brief van deurwaarder Tijhuis aan de man van 26 februari 2009 aanspraak gemaakt op achterstallige kinderalimentatie. Ter zitting van het hof is bevestigd - hetgeen ook al bleek uit een door de vrouw bij verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel appel, overgelegde mail/brief van haar aan de man van 4 december 2010 (productie 5) - dat de vrouw dat op aandringen van [de zoon] en [de dochter] heeft gedaan en uit onvrede over de gang van zaken rondom de afwikkeling van de scheiding en de omgang. Na de nodige correspondentie tussen partijen en met de advocaat van de man heeft de vrouw korte tijd later middels een brief van deurwaarder Tijhuis aan de man zelf (d.d. 10 maart 2009), in kopie verzonden aan zijn advocaat, laten weten af te zien van verdere rechtsmaatregelen.

9. De man heeft bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van de rechtbank op 23 april 2010, verzocht om de bij beschikking van 10 oktober 1994 vastgestelde onderhoudsbijdragen voor [de zoon] en [de dochter] op nihil te stellen per 1 april 2009.

10. De vrouw en [de zoon] hebben bij afzonderlijke verweerschriften die tevens een zelfstandig verzoek inhouden, binnengekomen ter griffie van de rechtbank op 19 juli 2010, verzocht het verzoek van de man af te wijzen en te bepalen dat de door de man te betalen onderhoudsbijdragen voor [de zoon] en [de dochter] worden gewijzigd aldus dat deze per 1 april 2005 worden gesteld op € 250,- per maand dan wel op een door de rechtbank te bepalen bedrag.

11. De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 30 september 2010 en vervolgens omtrent de haar voorgelegde verzoeken bij de hier bestreden beschikking van 10 november 2010 aldus beslist, onder wijziging van haar eerdere beschikking van 10 oktober 1994 en onder afwijzing van het meer of anders verzochte, dat de man met ingang van 23 april 2010 een bedrag van

€ 75,08 per kind per maand dient te betalen als onderhoudsbijdrage voor [de zoon] en [de dochter].

De geschilpunten

12. De geschilpunten tussen partijen in hoger beroep betreffen in het bijzonder de volgende punten:

- de toelaatbaarheid van de aanpassing van het verzoek;

- het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van rechtsverwerking;

- de behoefte van [de zoon] en [de dochter];

- de draagkracht van de man op het punt van zijn inkomen en woonlasten.

De overwegingen van het hof

De aanpassing van het verzoek

13. De man heeft zijn verzoek aangepast als hiervoor omschreven bij het procesverloop. Kort gezegd verzoekt de man thans nihilstelling van de onderhoudsbijdragen per 9 februari 2004 in plaats van per 1 april 2009, alsmede een verklaring voor recht dat de vrouw, primair, haar rechten op vordering van achterstallige alimentatie heeft verwerkt tot 9 februari 2009, in plaats van 1 april 2009 en, subsidiair, haar vordering tot betaling van alimentatie vanaf 1 september 1994 tot 9 februari 2004, in plaats van tot 26 februari 2004, is verjaard. Op grond van artikel 283 Rv, gelezen in verbinding met artikel 130 Rv, welke artikelen zijn geschreven voor de procedure in eerste aanleg en in artikel 362 Rv van overeenkomstige toepassing zijn verklaard voor de procedure in hoger beroep, is de man bevoegd om zijn verzoeken te vermeerderen. Van strijd met de goede procesorde is het hof niet gebleken. Dat de rechtbank in eerste aanleg zich niet heeft uitgelaten en niet heeft kunnen uitlaten over voor het eerst in hoger beroep gewijzigde verzoeken, is een gevolg dat door de wetgever onder ogen is gezien en dat aan de bevoegdheid tot aanpassing van een verzoek niet in de weg staat. Het verweer ter zitting tegen de aanpassing van de verzoeken, slaagt dus niet.

14. Het hof zal hierna eerst de verzochte verklaring voor recht behandelen, meer in het bijzonder het beroep op verjaring en rechtsverwerking dat de man heeft gedaan.

De verzochte verklaring voor recht

De verjaring

15. De man heeft (subsidiair) verzocht om voor recht te verklaren dat de vordering van de vrouw tot betaling van de kinderalimentatie vanaf 1 september 1994 tot 9 februari 2004 is verjaard. Nu de vrouw de verjaring van de vordering heeft erkend voor de periode tot 9 februari 2004 in haar verweerschrift/incidenteel appel, komt het verzoek van de man in zoverre voor toewijzing in aanmerking.

De rechtsverwerking

16. De man heeft voorts (primair) verzocht om voor recht te verklaren dat de vrouw haar rechten op vordering van achterstallige kinderalimentatie heeft verwerkt voor wat betreft de periode tot 9 februari 2009 en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

17. De man wijst er in het beroepschrift onder meer op dat de vrouw eerst na veertien jaren, in februari/maart 2009, weer aanspraak heeft gemaakt op betaling van achterstallige kinderalimentatie en dat zij daar op 17 maart 2009 via de brief van deurwaarder Tijhuis namens de vrouw aan de man van 10 maart 2009 weer van af heeft gezien. Hierop komt de vrouw vervolgens, deels, terug bij brief van het LBIO aan de man van 6 november 2009, waarin het LBIO de achterstand in alimentatie berekent met ingang van 1 april 2009, maar ook in haar verweerschriften (in eerste aanleg en in hoger beroep) wordt aangegeven dat de vrouw heeft afgezien van de vordering op de man. De man wijst er daarnaast op dat sprake is van een periode van ruim veertien jaar waarin de vrouw heeft nagelaten de alimentatie te innen door executiemaatregelen te treffen. Zelfs nadat de man in 2007 contact had gezocht met zijn dochter heeft de vrouw geen actie tot inning ondernomen. Alleen al op grond daarvan kan rechtsverwerking worden aangenomen. Daarnaast dient bij de beoordeling van rechtsverwerking rekening te worden gehouden met de financiële positie van de man, die onredelijk zal worden benadeeld en verzwaard indien de vrouw haar aanspraken alsnog, na al die jaren, geldend zou kunnen maken.

De man betwist voorts in zijn akte tot wijziging van eis dat hij lange tijd niet te traceren was voor de vrouw, zoals door de vrouw is gesteld. Hij heeft tot 2002 constant ingeschreven gestaan in de gemeentelijke basisadministratie en hij heeft zijn nieuwe adres in Duitsland aan de laatste Nederlandse gemeente, [X], doorgegeven. Ook wijst de man er in zijn akte tot wijziging van eis op dat de vrouw in haar mail aan deurwaarder Tijhuis van 10 maart 2009 (die vooraf is gegaan aan de mail van de man van 10 maart 2009) heeft aangegeven dat ze wilde stoppen met het treffen van rechtsmaatregelen. Naar het oordeel van de man was de brief van de advocaat van de man aan de vrouw van 30 juni 2009, waarin om een schriftelijke bevestiging van het afzien door de vrouw van het vorderen van alimentatie werd verzocht, enkel en alleen bedoeld ter verkrijging van rechtszekerheid en kan daaruit niet worden afgeleid dat aan de zijde van de man nog onduidelijkheid bestond over de aard van de brief van de deurwaarder van 10 maart 2009. Bij het verweerschrift tegen het incidenteel appel heeft de man ten slotte een brief gevoegd gedateerd 21 mei 1999, waaruit volgens hem blijkt dat de vrouw jegens hem ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van kinderalimentatie. De man is van mening dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij daar jaren later op terug komt.

18. De vrouw (alsmede [de zoon] en [de dochter]) betwist dat sprake is van rechtsverwerking. Zij wijst onder meer op de overwegingen van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo in het vonnis van 19 april 2011 (118644 / KG ZA 11-45), in de procedure naar aanleiding van het door de vrouw gelegd beslag ter inning van de kinderalimentatie. De reden dat de vrouw eerst in februari 2009 heeft getracht achterstallige kinderalimentatie te innen, heeft volgens de vrouw te maken met het feit dat de man niet te traceren was. Enkel tijdsverloop is volgens de vrouw niet voldoende voor rechtsverwerking. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de man erop mocht vertrouwen dat de vrouw haar aanspraken niet meer geldend zou maken is volgens haar niet gebleken. De vrouw ontkent voorts onder meer dat zij de door de man overgelegde brief van 21 mei 1999 heeft geschreven.

19. Het hof overweegt dat van rechtsverwerking in beginsel slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Hiervoor is meer nodig, namelijk een gedraging van de schuldeiser, die onder omstandigheden ook in een nalaten kan bestaan. Deze gedraging of dat nalaten dient bij de schuldenaar een zodanig vertrouwen te hebben opgewekt of zijn positie zodanig onredelijk te hebben verzwaard, dat de schuldeiser in redelijkheid geen beroep meer kan doen op dat ingeroepen recht.

20. In het onderhavige geval is naar het oordeel van het hof aan laatstgenoemd criterium voor het aannemen van rechtsverwerking voldaan. Uit de stukken die door partijen zijn overgelegd, waaronder met name de door de vrouw overgelegde brief aan de man van 4 december 2010 en uit hetgeen ter zitting is aangevoerd blijkt het volgende. Het jarenlang "stilzitten" van de vrouw ten aanzien van de inning van de alimentatie ten behoeve van de kinderen was een keuze van haar, die nauw samenhing met het feit dat er al die jaren ook geen contact was tussen de man enerzijds en de kinderen en de vrouw anderzijds, welk contact door de vrouw ook geenszins werd gewenst. Nadat de man in 2007 op zijn initiatief (althans dat van zijn partner) in contact was gekomen met [de dochter], en nadat dit contactherstel vervolgens weer was mislukt, hebben de kinderen richting de vrouw hun ongenoegen kenbaar gemaakt over het feit dat de man geen financiële bijdrage voor hen leverde. Met name op instigatie van de kinderen, op grond van het voorgaande, heeft de vrouw vervolgens de man alsnog aangesproken op zijn betalingsverplichting jegens de kinderen via deurwaarder Tijhuis in februari 2009 en heeft zij daaraan, op advies van deskundigen, ook terugwerkende kracht gekoppeld, te weten vanaf, uiteindelijk, 9 februari 2004. Bij brief van 17 maart 2009 heeft deurwaarder Tijhuis de man laten weten dat de vrouw afziet van verdere rechtsmaatregelen. Na daartoe strekkende verzoeken van de advocaat van de man heeft de vrouw bij e-mail van 1 juli 2009 toegelicht dat zij hiermee formeel niet heeft afgezien van enig recht op alimentatie. Vervolgens heeft de vrouw de man opnieuw aangesproken op zijn betalingsverplichting in oktober 2009, toen bleek dat [de zoon] er in het kader van zijn studietoelage op stuitte dat de IB-groep ervan uit ging dat de man wel een bijdrage (die door de rechtbank was opgelegd in 1994) aan hem betaalde, ondanks dat hij die niet ontving, en dat dat hem verhinderde om een voor hem afdoende aanvullende studiefinanciering te verkrijgen. Uiteindelijk is dat weer reden geweest voor de vrouw om alsnog het LBIO in te schakelen.

21. Het feit dat de vrouw jarenlang - tot februari/maart 2009 - geen aanspraak heeft gemaakt op (achterstallige) alimentatie, ook niet nadat de schorsing van de in geding zijnde onderhoudsverplichting was komen te vervallen door de beschikking van het hof van 18 april 1999 en evenmin nadat de man in 2009 weer in contact was gekomen met zijn dochter, hetgeen bekend was bij de vrouw, past bij de situatie zoals hiervoor weergegeven, te weten dat de vrouw al die jaren ook niet voornemens is geweest alimentatie ten behoeve van de kinderen te innen. Eerst in februari/maart 2009 heeft de vrouw derhalve alsnog, op aandringen van de kinderen, een poging tot inning van alimentatie via de deurwaarder ondernomen, maar daar heeft zij korte tijd later weer uitdrukkelijk via de brief van de deurwaarder aan de vrouw van 17 maart 2009 en derhalve op voor de man kenbare wijze van afgezien. In haar brief van 10 december 2010 aan de man geeft zij ook aan dat dat voor haar als definitief gold. Het vorenstaande is, in onderling verband beschouwd, voor het hof reeds voldoende om te concluderen tot rechtsverwerking aan de zijde van de vrouw.

De man heeft daarnaast nog een brief overgelegd aan hem gericht gedateerd 21 mei 1999, ondertekend en tevens met vermelding van de naam "[de vrouw]", waarin onder meer het volgende is vermeld:

"Na de beslissingen van de meervoudige familiekamer in het gerechtshof van Leeuwarden , Word jou ontzegd omgang te hebben met de kinderen (..) Aangezien ik niet de rest van mijn leven en ook maar de rest van het leven van de kinderen door jou achtervolgt wil worden door deurwaarders en advokaten, wil ik dat jij dit bedrag als alimentatie betaling ziet voor mij naar de kinderen toe voor de aankomende jaren , [Q] en ik zullen de kosten voor de kinderen met plezier dragen , Zeker nu we weten dat jij de rest van je leven zonder de kinderen gaat doorbrengen , Dit geeft ons meer plezier dan enige alimentatie van jou kant , Ik wil je dan ook dringend verzoeken voor nu en in de toekomst ons met rust te laten,zoals wij dat ook bij jou doen , wij hebben geen zin meer in weer eindeloze procedures omtrent nog maar iets wat met jou te maken heeft , Met andere woorden LAAT ONS MET RUST!!! [Q] en ik hebben het al jaren zonder alimentatie gekunt en dat zullen wij de aankomende jaren ook doen , Wij berusten ons in het feit dat we geen alimentatie vragen voor de aankomende tijd (..).

22. De inhoud van die brief, bezien in het licht van de situatie van destijds zoals die uit de stukken blijkt - die gekenmerkt wordt door hoogoplopende spanningen tussen partijen rondom de omgang tussen de man en de kinderen -, bevestigt de reeds op basis van de hiervoor genoemde andere feiten en omstandigheden gebaseerde conclusie dat sprake is van rechtsverwerking en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw thans alsnog aanspraak maakt op alimentatie. Voor zover de vrouw de echtheid van de voormelde brief heeft betwist, ziet het hof in hetgeen de vrouw in verband daarmee heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de echtheid van de brief en ondertekening door de vrouw. De vrouw heeft in dit verband haar stelling dat de brief niet van haar hand is, mede gelet op hetgeen daarop door de man aan toelichting is verschaft, onvoldoende onderbouwd en overigens ook geen bewijsaanbod ter zake van haar betwisting van de echtheid van die brief gedaan. Dat de brief taalfouten bevat is naar het oordeel van het hof op zichzelf geen aanwijzing dat de brief niet door de vrouw is geschreven. Overigens, voor de conclusie dat sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van de vrouw is voormelde brief voor het hof niet van doorslaggevende betekenis.

23. Hoewel rechtsverwerking in beginsel naar zijn aard definitief is, kan dat naar het oordeel van het hof bij (kinder)alimentatie anders liggen, nu daarbij maandelijks een nieuwe betalingsverplichting ontstaat. In dit geval heeft de man zijn beroep op rechtsverwerking beperkt tot de periode tot 9 februari 2009. Gelet op het bovenoverwogene acht het hof het juist om voor recht te verklaren dat de vrouw haar rechten met betrekking tot een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] en [de dochter] heeft verwerkt tot 9 februari 2009.

Wijziging van de onderhoudsbijdragen ten behoeve van [de zoon] en [de dochter]

24. Het hof zal hierna ingaan op de verzoeken van partijen om de bij beschikking van de rechtbank Assen van 20 september 1994 vastgestelde onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van [de zoon] en [de dochter] te wijzigen. Het hof neemt hiertoe in aanmerking dat niet gebleken is van een beletsel om de wijzigingsverzoeken, die zijn gegrond op de stelling dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), inhoudelijk te beoordelen. In dit verband is tussen partijen op zichzelf niet in geschil - en het hof sluit zich daarbij aan - dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van 10 oktober 1994 waarvan wijziging is verzocht, gelegen in onder meer de gezinssituaties van partijen, die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigt.

25. Het hof zal hierna de behoefte van [de zoon] en [de dochter] vaststellen. Vervolgens zal het hof de draagkracht van de onderhoudsplichtigen vaststellen, in het licht van de stukken en hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, en is de verdeling van de behoefte van de jongmeerderjarigen over de onderhoudsplichtigen aan de orde. Vast staat in dit verband dat zowel de man als de vrouw en haar echtgenoot onderhoudsplichtig zijn.

De behoefte van [de zoon] en [de dochter]

26. Het hof zal bij het vaststellen van de behoefte van [de zoon] en [de dochter] onderscheid maken tussen hun behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, derhalve betrekking hebbende op de periode dat zij nog minderjarig zijn, en hun behoefte aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, derhalve betrekking hebbende op de periode vanaf hun (jong)meerderjarigheid.

27. De vrouw heeft ter zitting van de rechtbank gesteld dat de behoefte van [de dochter], die op dat moment nog minderjarig was, € 357,- per maand bedroeg. De rechtbank is bij gebreke van betwisting door de man uitgegaan van deze behoefte. Het hof constateert dat de man ook in hoger beroep geen bezwaren heeft geuit tegen de hoogte van deze behoefte, met dien verstande dat hij van mening is dat deze behoefte uitsluitend geldt gedurende de periode dat [de dochter] nog minderjarig is. Nu niet gebleken is van een wijziging van standpunt aan de zijde van de vrouw, zal het hof uitgaan van een behoefte van [de dochter] aan een bijdrage in de kosten van haar verzorging en opvoeding van € 357,- per maand.

28. Het hof constateert dat de behoefte van [de zoon] gedurende zijn minderjarigheid logischerwijs in de bestreden beschikking niet aan de orde is gekomen. Een standpunt van partijen hieromtrent heeft het hof noch uit de stukken in eerste aanleg, noch uit de stukken in hoger beroep kunnen afleiden. Nu gesteld noch gebleken is dat de behoefte van [de zoon] aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding afwijkt van die van [de dochter], zal het hof ervan uitgaan dat [de zoon]'s behoefte eveneens € 357,- per maand bedraagt.

29. De man heeft in hoger beroep de behoefte van [de zoon] en [de dochter] voor de periode na hun (jong)meerderjarigheid wel ter discussie gesteld. De man berekent de behoefte van [de zoon] op maximaal € 227,- per maand bestaande uit ziektekosten (€ 154,06), collegegeld (€ 85,92), studiemateriaal (€ 25,-) en kosten van levensonderhoud (€ 100,-), verminderd met de studiefinanciering ad € 75,39 en zorgtoeslag van € 62,-. De man stelt dat [de zoon] daarnaast nog andere behoefteverminderende inkomsten heeft. Hij leidt dat af uit de hoogte van de zorgtoeslag en uit een bericht van [de zoon] op Twitter, zodat geen sprake is van behoeftigheid. De man berekent de behoefte van [de dochter] op € 204,01 per maand, bestaande uit ziektekosten (€ 127,96), collegegeld (€ 85,92), studiemateriaal

(€ 35,32) en kosten van levensonderhoud (€ 100,-), verminderd met de studiefinanciering ad € 75,39 en de zorgtoeslag € 70,-. Daarnaast heeft ook [de dochter] volgens de man nog andere inkomsten nu zij op Twitter heeft aangegeven dat zij werkt.

30. Het hof zal bij de bepaling van de behoefte van [de zoon] en [de dochter] als jongmeerderjarigen, bij gebrek aan andersluidende uitputtende gegevens, aansluiten bij de zogenoemde WSF-norm (Wet Studiefinanciering 2000) zoals die geldt voor een thuiswonende MBO-student. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de niet in geschil zijnde lasten en toeslagen. Vast staat in dit verband dat [de zoon] en [de dochter] beide een MBO-opleiding volgen en thuiswonend zijn. De WSF-norm (2010) voor een thuiswonende MBO student bestaat uit een basisbeurs van circa € 75,35, een aanvullende beurs van circa € 306,50 en de mogelijkheid van een lening van circa € 164,21. In totaal betreft het dus een bedrag van ongeveer € 546,- per maand. Hierop dient de zorgtoeslag in mindering te worden gebracht. Voor [de zoon] resteert dan een behoefte van € 484,- en voor [de dochter] resteert na aftrek van haar zorgtoeslag een behoefte van circa € 476,-.

31. Voor zover de man heeft aangevoerd dat [de zoon] en [de dochter] niet behoeftig zijn omdat zij met hun bijbaan in eigen behoefte kunnen voorzien, dan wel zouden kunnen voorzien, overweegt het hof dat de onderhoudsverplichting van de ouder(s) ten opzichte van hun jongmeerderjarige kinderen geldt ongeacht hun behoeftigheid (artikel 1:392 lid 2 BW). Onder omstandigheden kan op grond van de redelijkheid en billijkheid rekening worden gehouden met substantiële eigen inkomsten uit arbeid van de jongmeerderjarigen, echter in het onderhavige geval is van een reden hiertoe niet althans onvoldoende gebleken.

32. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de behoefte van de jongmeerderjarigen niet te hoog heeft vastgesteld. Nu de jongmeerderjarigen niet hebben geklaagd dat de behoefte te laag is vastgesteld door de rechtbank, zal het hof uitgaan van de door de rechtbank bepaalde behoefte, namelijk voor [de zoon] € 331,- per maand en voor [de dochter] € 357,- per maand.

De draagkracht van partijen

33. Gelet op het in rechtsoverweging 63 van deze beschikking opgenomen oordeel over de ingangsdatum van de wijziging, zal het hof de draagkracht van partijen vaststellen ingang van 1 april 2009. Nu de man op 14 april 2010 in dienst is getreden bij [B.V. Y], als gevolg waarvan zijn draagkracht is gewijzigd, zal het hof onderscheid maken tussen de periode vanaf de ingangsdatum tot 14 april 2010 (periode I) en de periode vanaf 14 april 2010 (periode II).

De draagkracht van de vrouw en haar echtgenoot

34. Het hof is van oordeel dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw en haar echtgenoot in periode I dient te worden uitgegaan van de financiële gegevens over het jaar 2009.

35. De vrouw heeft bij brief van 15 september 2010 draagkrachtberekeningen van haarzelf en haar echtgenoot aan de rechtbank overgelegd, welke berekeningen de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen voor de draagkrachtvergelijking. Uit de bij deze berekeningen gevoegde bijlagen, waaronder de jaaropgaven van de vrouw en haar echtgenoot over 2009, leidt het hof af dat de vrouw de financiële gegevens over 2009 tot uitgangspunt heeft genomen bij vorenbedoelde draagkrachtberekeningen. Het hof zal daarom, nu noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep is gebleken van bezwaren hiertegen van de zijde van de man, voor de berekening van de draagkracht van de vrouw en haar echtgenoot in periode I aansluiten bij de door de rechtbank gehanteerde draagkrachtberekeningen, met dien verstande dat het hof de tarieven 2009-I zal hanteren.

36. Nu daartegen geen grief is gericht, zal het hof ook ten aanzien van periode II de door de rechtbank gehanteerde draagkrachtberekeningen van de vrouw en haar echtgenoot, met tarieven 2010-I, hanteren.

37. Uit de aan deze beschikking aangehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekening blijkt dat de vrouw in periode I een beschikbare draagkracht heeft van € 552,- per maand (70% van de totale beschikbare draagkracht). Voor haar echtgenoot ([Q]) is dat in periode I een bedrag van € 526,- per maand. In totaal hebben de vrouw en [Q] in periode I dus een beschikbare draagkracht van € 1.078,- per maand.

38. Ten aanzien van periode II volgt uit de aan deze beschikking aangehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekening dat de vrouw een beschikbare draagkracht heeft van € 547,- per maand (70% van de totale beschikbare draagkracht). Voor haar echtgenoot is dat in periode II een bedrag van € 524,- per maand. In totaal hebben de vrouw en [Q] in periode II dus een beschikbare draagkracht van € 1.071,- per maand.

De draagkracht van de man

39. Het hof constateert dat de rechtbank de door de man bij brief van 20 september 2010 overgelegde draagkrachtberekening tot uitgangspunt heeft genomen bij de berekening van de draagkracht van de man. Het hof neemt de draagkrachtberekening van de rechtbank in eerste aanleg over voor zover het de niet bestreden posten betreft en voor zover hierna niet anders is beslist.

* Het inkomen

40. Naar het hof begrijpt heeft de man in zijn draagkrachtberekening zijn inkomen over 2010 berekend aan de hand van de overgelegde salarisstroken uit 2010. De rechtbank is gemotiveerd afgeweken van dit door de man berekende inkomen, en heeft een iets hoger inkomen berekend aan de hand van de overgelegde salarisstroken uit 2010. Nu tegen deze vaststelling geen grieven zijn gericht, zal het hof dit door de rechtbank gehanteerde inkomen tot uitgangspunt nemen bij de berekening van de draagkracht van de man in periode II.

41. Het hof is van oordeel dat voor de berekening van de draagkracht van de man in periode I dient te worden uitgegaan van de financiële gegevens over het jaar 2009.

42. Alvorens de man zijn definitieve draagkrachtberekening bij brief van 20 september 2010 aan de rechtbank heeft overgelegd, had hij bij zijn inleidend verzoekschrift reeds een draagkrachtberekening overgelegd, waarin hij zijn inkomen had becijferd aan de hand van de inkomensgegevens over 2009. De vrouw heeft in de toelichting op de bij haar verweerschrift overgelegde berekening van de draagkracht van de man op deze berekening van de man gereageerd en in dit kader opgemerkt dat het inkomen over 2009 waar de man vanuit wenst te gaan € 500,- lager is dan het inkomen zoals dat blijkt uit zijn jaaropgave. Hier heeft zij evenwel geen consequenties aan verbonden, nu zij in haar berekening van de draagkracht van de man eveneens dit door de man opgevoerde inkomen heeft opgenomen. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat partijen het erover eens zijn dat het inkomen van de man in 2009 € 32.501,- bedroeg, inclusief vakantietoeslag en vergoeding inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Het hof zal dit inkomen dan ook als uitgangspunt nemen voor de berekening van de draagkracht van de man in periode I.

43. Voor zover de jongmeerderjarigen (en de vrouw) hebben aangevoerd dat door de man inkomen wordt verworven uit paardenhandel of anderszins (bloemenhandel), zal het hof daaraan voorbij gaan nu zelfs geen begin van bewijs daarvan is aangeleverd. Het enkele feit dat de man enkele paarden te koop heeft aangeboden op marktplaats betekent niet dat de activiteiten het hobbymatige karakter overstijgen. Van andere inkomsten is evenmin gebleken.

De woonlasten

44. De tweede en derde grief van de man in het principaal appel hebben betrekking op de door de rechtbank in aanmerking genomen woonlasten van de man. De rechtbank heeft de helft van de woonlasten van de man in aanmerking genomen in de draagkrachtberekening onder de overweging dat de man niet heeft aangetoond dat zijn echtgenote niet de helft van de woonlasten voor haar rekening kan nemen. Uit de overgelegde stukken blijkt volgens de rechtbank dat de man twee hypotheken heeft, te weten een hypotheek van € 192.000,- en een hypotheek van € 125.000,- op welke hypotheken per maand aan rente wordt betaald een bedrag van respectievelijk € 816,- en € 531,25. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met een (aan de tweede hypotheek gekoppelde) premie levensverzekering van € 225,05 per maand. Voorts is de rechtbank uitgegaan van het door de man gestelde eigenwoningforfait van € 1.512,-.

45. De man heeft gesteld dat zijn echtgenote arbeidsongeschikt is en verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar de verklaringen van [dokter 1 en dokter 2], en dat om die reden niet van haar kan worden gevergd bij te dragen in de woonlasten. De man vindt het onbegrijpelijk dat de rechtbank oordeelt dat zijn echtgenote wel in haar levensonderhoud kan voorzien ondanks dat aangenomen wordt dat zij arbeidsongeschikt is. Zijn echtgenote heeft in Duitsland geen recht op een uitkering, aldus de man.

46. De jongmeerderjarigen (en de vrouw) hebben aangevoerd dat de man zijn stellingen aangaande het inkomen dan wel de verdiencapaciteit van zijn echtgenote, onvoldoende heeft onderbouwd.

47. Naar het oordeel van het hof heeft de man in ieder geval voldoende aannemelijk gemaakt dat in redelijkheid niet van zijn echtgenote kan worden verlangd om een bijdrage in de woonlasten te leveren. Het hof neemt in aanmerking dat zij de zorg heeft voor drie minderjarige kinderen. Voorts blijkt uit de overgelegde medische verklaringen dat de echtgenote van de man serieuze medische beperkingen heeft die haar verhinderen om substantiële werkzaamheden te verrichten. Gelet op de stukken en toelichting van de man acht het hof voorts aannemelijk dat de echtgenote van de man geen uitkering heeft. Dit betekent dat het hof een correctie zal maken op de draagkrachtberekening van de rechtbank op het punt van de woonlasten in die zin dat het hof rekening zal houden met de gehele woonlasten, echter binnen de norm voor een redelijke woonlast. Het hof zal voorts het 'forfait overige eigenaarslasten' weglaten uit de draagkrachtberekening nu ervan uit wordt gegaan dat de heer [R], die op hetzelfde adres als de man staat ingeschreven, tenminste die kosten voor zijn rekening kan nemen, mede gelet op hetgeen daaromtrent is vermeld in de akte overgelegd bij brief van

11 januari 2012.

Ziektekosten

48. Het hof zal in periode I uitgaan van een premie basisverzekering van € 94,- per maand, zoals opgenomen in de draagkrachtberekening van de man gebaseerd op de financiële gegevens over 2009. Voorts zal het hof rekening houden met het door de man in die draagkrachtberekening opgevoerde verplichte eigen risico van € 14,- per maand. Hoewel de man in vorenbedoelde draagkrachtberekening geen zorgtoeslag heeft opgenomen, gaat het hof er vanuit dat hij ook in 2009 al zorgtoeslag ontving, dit gelet op het feit dat de man in 2009 een lager inkomen genoot dan in 2010.

Toepasselijke bijstandsnorm en verdeling van de beschikbare draagkrachtruimte

49. Het hof zal voorts bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen uitgaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, zoals gebruikelijk in zaken als de onderhavige. De beschikbare draagkracht van de man dient te worden verdeeld over vijf kinderen.

50. Voor het overige ziet het hof geen aanleiding voor correcties op de draagkrachtberekening van de rechtbank in eerste aanleg, met dien verstande dat het hof in de berekening voor periode I de tarieven 2009-I zal hanteren. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de aan deze beschikking aangehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekeningen.

51. Uit deze berekeningen volgt dat de man in periode I een totale draagkrachtruimte heeft van € 474,- per maand. Van die draagkrachtruimte is 70%, derhalve € 332,- per maand beschikbaar voor kinderalimentatie. Daarvan is 2/5 deel beschikbaar voor [de zoon] en [de dochter] ofwel € 133,- in totaal voor beide jongmeerderjarigen.

52. Voorts volgt uit deze berekeningen dat de man in periode II een totale draagkrachtruimte heeft van € 676,- per maand. Van die draagkrachtruimte is 70%, derhalve € 473,- per maand beschikbaar voor kinderalimentatie. Daarvan is 2/5 deel beschikbaar voor [de zoon] en [de dochter] ofwel € 189,- in totaal voor beide jongmeerderjarigen.

Draagkrachtvergelijking

53. Het hof stelt voorop dat niet is gegriefd tegen de wijze waarop de rechtbank de onderlinge draagkracht van alle onderhoudsplichtigen heeft vergeleken. In beginsel dienen de onderhoudsplichtigen naar rato van hun draagkracht te voorzien in de behoefte van [de zoon] en [de dochter]. Aan de hand van de hiervoor berekende draagkracht van partijen zal zowel voor de periode tot hun (jong)meerderjarigheid als voor de periode vanaf hun (jong)meerderjarigheid worden vastgesteld in welke mate door ieder van partijen in de behoefte van [de zoon] en [de dochter] behoort te worden voorzien. Het aandeel van partijen in de kosten van verzorging en opvoeding/levensonderhoud en studie wordt berekend door de draagkracht van de betreffende (stief)ouder te delen door de totale draagkrachtruimte van partijen gezamenlijk en vervolgens te vermenigvuldigen met de behoefte van [de zoon] en [de dochter].

54. De totale ten behoeve van [de zoon] en [de dochter] beschikbare draagkracht van de man enerzijds en de vrouw en haar echtgenoot anderzijds bedraagt in periode I € 1.211,- per maand, waarvan het aandeel van de man € 133,- bedraagt en het aandeel van de vrouw en haar echtgenoot € 1.078,-.

55. De totale ten behoeve van [de zoon] en [de dochter] beschikbare draagkracht van de man enerzijds en de vrouw en haar echtgenoot anderzijds bedraagt in periode II € 1.260,- per maand, waarvan het aandeel van de man € 189,- bedraagt en het aandeel van de vrouw en haar partner € 1.071,-.

De bijdrage ten behoeve van [de zoon]

56. Zoals hiervoor is gebleken bedraagt de behoefte van [de zoon] in een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, derhalve betrekking hebbende op de periode dat hij nog minderjarig is, € 357,- per maand. Het hof berekent het aandeel van de man in deze behoefte op afgerond € 39,- per maand (€ 133,- / € 1.211,- x € 357,- =

€ 39,20).

57. De behoefte van [de zoon] in een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie bedraagt zoals hiervoor is gebleken € 331,- per maand. Het hof berekent het aandeel van de man in deze behoefte voor de periode tot 14 april 2010 op afgerond € 36,- per maand (€ 133,- / € 1.211,- x € 331,- = 36,35). Voor de periode vanaf 14 april 2010 berekent het hof het aandeel van de man in deze behoefte op afgerond € 50,- per maand (€ 189,- / € 1.260,- x € 331,- = € 49,65 per maand).

De bijdrage ten behoeve van [de dochter]

58. Zoals hiervoor is gebleken bedraagt de behoefte van [de dochter] in een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, derhalve betrekking hebbende op de periode dat zij nog minderjarig is, € 357,- per maand. Het hof berekent het aandeel van de man in deze behoefte voor de periode tot 14 april 2010 op afgerond € 39,- per maand (€ 133,- / € 1.211,- x € 357,- = € 39,20). Voor de periode vanaf 14 april 2010 berekent het hof het aandeel van de man in [de dochter]'s behoefte, die - zoals hiervoor overwogen ook na het bereiken door haar van de (jong)meerderjarige leeftijd € 357,- bedraagt - op € 54,- per maand (€ 189,- / € 1.260,- x € 357,-).

* De ingangsdatum

59. Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de door de man ten behoeve van [de zoon] en [de dochter] verschuldigde bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding dient te worden gewijzigd.

60. Het hof stelt voorop dat een eventuele wijziging van deze bijdrage, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 22, niet eerder kan ingaan dan op 9 februari 2009.

61. De man stelt zich op het standpunt dat een wijziging van de onderhoudsbijdrage dient in te gaan per 1 april 2009. De vrouw, [de zoon] en [de dochter] hebben verzocht de wijziging van de onderhoudsbijdrage - in hun optiek een verhoging - in te laten gaan per 23 april 2010.

62. Het hof stelt voorop dat de rechter bij het bepalen van de ingangsdatum van een wijziging op grond van artikel 1:402 BW een ruime discretionaire bevoegdheid heeft. Volgens vaste rechtspraak dient de rechter in het algemeen behoedzaam gebruik te maken van die bevoegdheid waar het gaat om een wijziging over een periode in het verleden, gelet op de mogelijk ingrijpende financiële gevolgen daarvan.

63. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval geen grond is voor een behoedzaam gebruik van de bevoegdheid om de wijziging te laten ingaan op een vóór de uitspraak gelegen datum. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat indien de bijdrage, zoals te doen gebruikelijk, wordt gewijzigd met ingang van de datum van het inleidend verzoek hiertoe, in casu met ingang van 23 april 2010, de man over de periode gelegen tussen 9 februari 2009 en 23 april 2010 de op grond van de beschikking van de rechtbank Assen van 10 oktober 1994 verschuldigde onderhoudsbijdrage zou moeten voldoen. Nu deze bijdrage de hiervoor berekende draagkracht van de man overstijgt, acht het hof het onder de gegeven omstandigheden, waarbij de vrouw jarenlang geen aanspraak heeft gemaakt op (achterstallige) alimentatiebetalingen, gerechtvaardigd om de onderhoudsbijdrage te wijzigen met terugwerkende kracht. Nu de man heeft verzocht de wijziging in te laten gaan per 1 april 2009, sluit het hof zich hierbij aan.

De slotsom

64. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en het hof opnieuw zal beslissen als volgt.

Proceskosten

65. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt in zaken als de onderhavige dat de proceskosten aldus worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten van het geding draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Assen van 10 november 2010 waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

verklaart voor recht dat de vordering van de vrouw op de man tot betaling van kinderalimentatie ten behoeve van [de zoon] en [de dochter] voornoemd, over de periode tot 9 februari 2004 is verjaard en voorts dat de vrouw haar rechten op vordering van kinderalimentatie ten behoeve van [de zoon] en [de dochter] heeft verwerkt voor de periode tot 9 februari 2009;

bepaalt, onder wijziging van de beschikking van de rechtbank Assen van 10 oktober 1994, dat de man aan de vrouw met ingang van 1 april 2009 tot 27 september 2009 een bedrag van € 39,- per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon];

bepaalt, onder wijziging van de beschikking van de rechtbank Assen van 10 oktober 1994, dat de man met ingang van 27 september 2009 tot 14 april 2010 aan de jongmeerderjarige [de zoon] voornoemd een bedrag van € 36,- per maand en met ingang van 14 april 2010 een bedrag van € 50,- per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, telkens bij vooruitbetaling voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken;

bepaalt, onder wijziging van de beschikking van de rechtbank Assen van 10 oktober 1994, dat de man aan de vrouw met ingang van 1 april 2009 tot 14 april 2010 een bedrag van € 39,- per maand en met ingang van 14 april 2010 tot 19 maart 2011 een bedrag van € 54,- per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter];

bepaalt onder wijziging van de beschikking van de rechtbank Assen van 10 oktober 1994 dat de man met ingang van 19 maart 2011 aan de jongmeerderjarige [de dochter] voornoemd een bedrag van € 54,- per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, telkens bij vooruitbetaling voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten van het geding draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, voorzitter, M.P. den Hollander en D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 2 augustus 2012 in bijzijn van de griffier.