Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX6184

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
200.069.898/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen zijn in de arbeidsovereenkomst een concurrentiebeding met boeteclausule overeengekomen. In de vaststellingsovereenkomst ter gelegenheid van het einde van de arbeidsovereenkomst hebben partijen nadere afspraken over het concurrentie- en relatiebeding gemaakt. Nu daar in iedere verwijzing naar de boeteclausule ontbreekt komt werkgever na overtreding relatiebeding door werknemer, geen beroep op boeteclausule toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0794

Uitspraak

Arrest d.d. 28 augustus 2012

Zaaknummer 200.069.898/01

(zaaknummer rechtbank: 457273 / CV 09-8830)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: [appellante]

advocaat: mr. S. Mangal, kantoorhoudende te Almere,

die heeft gepleit,

tegen

Interwerk B.V.,

gevestigd te Zutphen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: Interwerk,

advocaat: mr. S. Karagan, kantoorhoudende te Apeldoorn,

die heeft gepleit.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 7 april 2010 door de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 25 juni 2010 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Interwerk tegen de zitting van 13 juli 2010.

[appellante] heeft van grieven gediend en producties in het geding gebracht. De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"(...) bij arrest te vernietigen het (...) op 7 april 2010 tussen partijen gewezen vonnis (...) voorzover appellante daarbij in het ongelijk werd gesteld, en opnieuw rechtdoende - en uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat - de vordering van appellante in hoger beroep toe te wijzen vermeerderd met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties."

Bij memorie van antwoord (met producties) is door Interwerk verweer gevoerd met als conclusie:

"Appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, dan wel dit af te wijzen onder bekrachtiging van het vonnis van (...) 7 april 2010, met veroordeling van appellante in de kosten van de procedure, de kosten in eerste instantie daaronder uitdrukkelijk begrepen."

Partijen hebben hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnotities door hun advocaten. [appellante] heeft ten pleidooie bij akte producties (F en G) in het geding gebracht.

Ten slotte hebben partijen gevraagd arrest te wijzen op het pleitdossier. In het door [appellante] overgelegde procesdossier ontbreekt het kort geding vonnis van de voorzieningenrechter te Lelystad van 15 april 2009 (prod. 1 bij de inleidende dagvaarding). Uit hetgeen hierna volgt, zal blijken dat het niet nodig is dat het hof partijen verzoekt dit stuk alsnog in het geding te brengen. Bij de door [appellante] in eerste aanleg op 16 september 2009 in persoon ingediende conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, ontbreekt productie 5. Dit betreft het mondeling verweer van [appellante] in de kort gedingprocedure die tot laatstgenoemd vonnis heeft geleid. Deze pleitnota bevindt zich echter wel bij de stukken als productie 1 bij de door mr. M.H. Horst namens [appellante] op 2 september 2009 ingediende conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie. Het hof zal daar acht op slaan.

De grieven

[appellante] heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

de feiten

1 Tegen de weergave van de vaststaande feiten door de kantonrechter in het vonnis van 7 april 2010 zijn geen grieven opgeworpen, zodat het hof van deze feiten zal uitgaan. Deze feiten komen, samen met hetgeen overigens over de feiten is komen vast te staan, op het volgende neer.

1.1 Interwerk drijft een onderneming die zich onder meer bezighoudt met de detachering van tijdelijk personeel. [appellante] is op 1 augustus 2006 in dienst getreden bij Interwerk in de functie van senior financieel consulent op basis van een dienstverband voor onbepaalde tijd.

1.2 In de door partijen op 29 juni 2006 ondertekende arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

"(...)

2.5 Bij beëindiging van het contract is een concurrentiebeding van toepassing, zoals genoemd in de bij dit contract behorende Algemene Arbeidsvoorwaarden Interwerk. Bij overtreding van dit beding geldt een boete zoals genoemd in de bij deze overeenkomst behorende Arbeidsvoorwaarden. (...)

De Algemene Arbeidsvoorwaarden Medewerkers Interwerk, welke bijlage bij de arbeidsovereenkomst door [appellante] per pagina is geparafeerd, luiden onder meer als volgt:

"Artikel 23 Concurrentiebeding en nevenactiviteiten

23.1 Het is de medewerker niet toegestaan, zonder schriftelijke toestemming van Interwerk, gedurende de arbeidsovereenkomst en na het einde hiervan, gedurende een tijdvak van 12 maanden, in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan dat van de werkgever te vestigen, drijven, mede drijven of doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, als ook financieel in welke vorm dan ook bij een dergelijke zaak enig belang te hebben, noch daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, al dan niet in dienstbetrekking, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, noch daarin aandeel te hebben.

23.2 Het is de medewerker niet toegestaan na afloop van de arbeidsovereenkomst gedurende een tijdvak van 12 maanden, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Interwerk, werkzaamheden te verrichten voor klanten van Interwerk, waar hij/zij in deze periode voor Interwerk gedetacheerd is geweest of in het kader van de functie van betrokken medewerker zaken mee heeft gedaan.

23.3 (...)

23.4 Niet nakoming van het bepaalde in artikel 23 onder 1, 2 en 3 heeft tot gevolg dat per gebeurtenis een direct opeisbare boete van maximaal € 11.000,00 per gebeurtenis en tevens € 450,00 per dag dat hij in overtreding is, verschuldigd is aan Interwerk, onverminderd het recht van Interwerk om volledige schadevergoeding te vragen."

1.3 Laatstelijk (vanaf 1 januari 2007) vervulde [appellante] de functie van business unit manager middelen. In de hiertoe door Interwerk opgestelde arbeidsovereenkomst (gedateerd 27 december 2006) is onder meer opgenomen dat een concurrentie¬beding van toepassing is zoals genoemd in de Algemene Arbeidsvoorwaarden Medewerkers Interwerk. Art. 2.5 van deze arbeidsovereenkomst luidt verder:

"Dit houdt in dat gedurende één jaar na beëindiging van het contract geen werkzaamheden voor klanten respectievelijk concurrenten mogen worden verricht, zonder schriftelijke toestemming van Interwerk. (...) Bij overtreding van dit beding geldt een boete zoals genoemd in de bij deze overeenkomst behorende Arbeidsvoorwaarden. (...)"

In art. 8 van de arbeidsovereenkomst van 27 december 2006 is bepaald dat "de in bezit zijnde Algemene Arbeidsvoorwaarden medewerkers Interwerk BV" van toepassing zijn. Deze arbeidsovereenkomst is door [appellante] niet ondertekend en/of geparafeerd, maar partijen hebben wel gedurende circa anderhalf jaar uitvoering gegeven aan de arbeidsovereenkomst van 27 december 2006.

1.4 [appellante] heeft via Interwerk onder meer gewerkt voor de gemeente Kampen, zowel in 2006 als in 2007.

1.5 Op enig moment zijn Interwerk en [appellante] gebrouilleerd geraakt en hebben vervolgens onderhandeld over beëindiging van het dienstverband. De onderhandelingen zijn begeleid door een mediator van de Arbo Unie. [appellante] heeft tijdens die onderhandelingen regelmatig (in ieder geval per e-mail) contact gehad met haar advocaat en ook Interwerk heeft zich ter zake laten adviseren door haar advocaat. Op 29 april 2008 is een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Voor zover relevant houdt de vaststellingsovereenkomst het volgende in: "(...)

? Per 1 juli 2008 ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van wederzijds goedvinden.

? Met een uitkering van 4,5 maandsalarissen, berekend conform de kantonrechtersformule, waarbij factor C = 1.

? (...)

? Exclusief uitbetaling van vakantiedagen.

? Opbouw vakantiegeld 2008 wordt uitbetaald.

? Concurrentiebeding is niet van toepassing.

? Relatiebeding is wel van toepassing, voor de duur van 1 jaar, voor de navolgende klanten:

- Gemeente Kampen

- Gemeente Heerhugowaard

- Gemeente Dronten

- Gemeente Raalte

(...)

? Partijen verlenen elkaar na voldoening over en weer finale kwijting."

1.6 De gemeente Kampen heeft [appellante] benaderd voor tijdelijke werkzaamheden op de afdeling financiën. Nadat zij door [appellante] op het relatiebeding is gewezen, heeft de gemeente Kampen Interwerk hierover benaderd. Vervolgens heeft [appellante] bij brief van 26 november 2008 schriftelijke toestemming aan Interwerk gevraagd om tijdelijke werkzaamheden voor de gemeente Kampen te verrichten. In haar reactie heeft Interwerk erop gewezen dat zij in de onder¬hande¬lingen die hebben geleid tot de vaststellingsovereenkomst van 29 april 2008, heeft aangeboden om het concurrentiebeding én het relatiebeding te laten vervallen, mits er geen kantonrechtersformule op de ontbinding zou worden toegepast. Interwerk schrijft verder dat zij, gelet op de voorgeschiedenis, bereid is om het relatiebeding te laten vervallen onder voorwaarde dat [appellante] drie bruto maandsalarissen plus vakantiegeld betaalt. Na repliek van [appellante], die één bruto maandsalaris aanbood, heeft Interwerk haar voorwaarde verlaagd tot tweeëneenhalf maandsalaris plus vakantiegeld. Ook dit aanbod is door [appellante] niet aanvaard, waarop Interwerk bij brief van 12 december 2008 de gevraagde toestemming heeft geweigerd.

1.7 [appellante] is begin 2009 begonnen met werkzaamheden voor de gemeente Kampen.

1.8 De voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, heeft [appellante] bij vonnis in kort geding van 15 april 2009 verboden om na betekening van het vonnis werkzaamheden te verrichten voor de gemeente Kampen voor de resterende duur van de looptijd van het relatiebeding op straffe van verbeurte van een dwangsom. Na betekening van dit vonnis heeft [appellante] haar werkzaamheden voor de gemeente Kampen per 21 april 2009 gestaakt.

het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2 Interwerk heeft in conventie drie verklaringen voor recht gevorderd:

(1) dat de vaststellingsovereenkomst van 29 april 2008 voor [appellante] een verbod inhoudt op het verrichten van werkzaamheden voor de gemeente Kampen,

(2) dat het in art. 23.4 van de Algemene Arbeidsvoorwaarden Medewerkers Interwerk opgenomen boetebeding van toepassing is, en

(3) dat [appellante] het hiervoor onder (1) bedoelde relatiebeding heeft overtreden.

Verder heeft Interwerk gevorderd dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van de gefixeerde boete van € 11.000,- althans een in goede justitie te betalen ander bedrag plus een boete van € 23.850,- althans een in goede justitie te betalen ander bedrag in verband met de periode dat het relatiebeding door [appellante] is overtreden, één en ander vermeerderd met de wettelijke rente.

2.1 [appellante] heeft in reconventie gevorderd dat Interwerk wegens wanprestatie wordt veroordeeld tot betaling van een voorlopig op € 34.165,- (incl. btw) vast te stellen bedrag aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede tot terugbetaling van de door [appellante] geleden/gemaakte kosten als gevolg van de uitspraak in kort geding.

2.2 Interwerk en [appellante] hebben over en weer verweer gevoerd tegen de vorderingen.

2.3 In het bestreden vonnis van 7 april 2010 heeft de kantonrechter in conventie de door Interwerk gevorderde verklaringen voor recht toegewezen en [appellante] veroordeeld tot betaling van de gefixeerde boete van € 11.000,- plus een (door de kantonrechter gematigde) boete van € 11.925,- ter zake van het aantal dagen dat de overtreding van het relatiebeding heeft geduurd, één en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2009 tot de dag der algehele voldoening. De reconventionele vordering van [appellante] is door de kantonrechter afgewezen en [appellante] is in de proceskosten verwezen, zowel in conventie als in reconventie.

met betrekking tot de grieven

3 Grief I bestrijdt het oordeel van de kantonrechter dat de vaststellingsover¬eenkomst van 29 april 2008 voor [appellante] een verbod inhoudt om voor de gemeente Kampen te werken.

3.1 Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof voorop dat de vaststellingsovereen¬komst bepaald niet uitblinkt in helderheid. Wat op grond van de tekst wél duidelijk is, is dat er enkel een relatiebeding is afgesproken dat is beperkt tot vier klanten van Interwerk. Wat hier precies met de term "relatiebeding" wordt bedoeld, wordt niet duidelijk. Elke verwijzing naar de tot dat moment tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst en/of de Algemene Arbeidsvoorwaarden Medewerkers Interwerk ontbreekt. Voor de uitleg van het in de vaststellings¬overeenkomst overeengekomen relatiebeding komt het echter niet enkel aan op een taalkundige uitleg van de bewoordingen van die overeenkomst, maar (ook) op de zin die partijen aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.2 Interwerk stelt - samengevat - dat met [appellante] de onderhandelingen in het mediationtraject er uiteindelijk toe hebben geleid dat is overeengekomen dat [appellante] geen werkzaamheden zou mogen verrichten voor vier met name genoemde klanten van Interwerk, waaronder de gemeente Kampen.

[appellante] stelt -samengevat - dat het relatiebeding, gelet op de tekst van de vaststellings¬overeenkomst en gegeven hetgeen is besproken tijdens het mediationtraject, voor haar niet meer inhield dan een verbod om gedurende één jaar de vier in de vaststellingsovereenkomst genoemde gemeentes zelf actief te benaderen.

3.3 Tussen partijen is niet in geschil dat zij in het kader van de in rechtsoverweging (r.o.) 1.5 genoemde mediation hebben onderhandeld over de voorwaarden waaronder tot beëindiging van het dienstverband kon worden gekomen, welke onderhandelingen hebben geleid tot meergenoemde vaststellingsovereenkomst van 29 april 2008. Uit een schriftelijk verslag van 1 april 2008 van de mediator, de heer Theo van Winkel, dat door Interwerk in het geding is gebracht en waarvan de (juistheid van de) inhoud door [appellante] niet is betwist, blijkt dat partijen het na twee gesprekken eens waren over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2008, waarbij door Interwerk een vergoeding van 4,5 maandsalarissen zal worden betaald, en dat er geen concurrentiebeding zal gelden. Interwerk stelt zich op dat moment op het standpunt dat er wel een relatiebeding van toepassing zal zijn, waarbij het mogen werken voor een klant in Heerhugowaard bespreekbaar is. [appellante] is van mening dat geen relatiebeding moet worden afgesproken, waarbij "het bespreekbaar is dit relatiebeding te handhaven en een regio-indeling toe te passen". Wat er van deze weergave (door de mediator) van dit voorlopige standpunt van [appellante] verder ook zij, duidelijk wordt hieruit naar het oordeel van het hof dat over de invulling van het relatiebeding nadrukkelijk is gesproken, waarbij door Interwerk in ieder geval is aangegeven dat zij het relatiebeding beschouwt in relatie tot "het mogen werken voor een klant". Dat [appellante] dit ook zo heeft begrepen, blijkt uit het feit dat zij (volgens haar eigen stellingen) tot drie keer toe door de gemeente Kampen is benaderd en evenzovele malen de gemeente Kampen heeft afgehouden onder verwijzing naar haar relatiebeding met Interwerk. Ook uit haar verzoek van 26 november 2008 aan Interwerk (r.o. 1.6), waarin zij zonder enig voorbehoud Interwerk vraagt om schriftelijke toestemming, blijkt dat [appellante] ervan doordrongen is dat het relatiebeding inhoudt dat zij niet voor de gemeente Kampen mag werken. In de gedingstukken zijn geen aanwijzingen te vinden voor de uitleg van het relatiebeding die [appellante] ingang wil doen vinden. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellante] de onderbouwde stellingen van Interwerk onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat bewijslevering niet aan de orde is.

3.4 De grief faalt.

4 Met grief II en de daarop gegeven toelichting komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het boetebeding van art. 23.4 van de Algemene Arbeidsvoorwaarden Medewerkers Interwerk op [appellante] van toepassing is.

4.1 Interwerk stelt - samengevat - dat uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst blijkt dat enkel het concurrentiebeding zoals neergelegd in art. 23.1 van de Algemene Arbeidsvoorwaarden Medewerkers Interwerk buiten werking is gesteld, en dat dit artikel 23 voor het overige van kracht is gebleven, dus inclusief het boetebeding van art. 23.4.

[appellante] stelt - samengevat - dat in de vaststellingsovereenkomst, die volgens haar los moet worden gezien van de voorheen geldende arbeidsovereenkomst, niets is opgenomen dat op een boeteclausule lijkt en dat evenmin wordt verwezen naar de boeteclausule in de Algemene Arbeidsvoorwaarden Medewerkers Interwerk.

4.2 Het hof stelt vast dat in de vaststellingsovereenkomst niet met zoveel woorden een boetebeding is opgenomen. Ook hier geldt echter dat het niet enkel op een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst aankomt, maar (ook) op de zin die partijen aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Meer algemeen geformuleerd zijn bij de uitleg alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van belang.

4.3 De stellingen van Interwerk komen er op neer dat de vaststellingsovereenkomst slechts een bekrachtiging inhoudt van het tussen partijen reeds geldende relatiebeding met de daaraan gekoppelde boeteclausule. Gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door [appellante] en bij gebreke van concrete aanknopingspunten in de tekst van de vaststellingsovereenkomst, zou voor de aannemelijkheid van Interwerks standpunt in de overgelegde stukken die betrekking hebben op het mediationtraject toch tenminste een aanwijzing te vinden moeten zijn dat ofwel over een boeteclausule is gesproken, dan wel dat is gesproken in termen van vervallen en/of handhaven van bestaande bedingen en/of clausules. De overgelegde stukken bevatten dergelijke aanwijzingen echter niet. Uit die stukken komt wel naar voren dat [appellante], mede op instigatie van haar advocaat, heeft aangedrongen op een (nadere) precisering van het in de vaststellingsovereenkomst op te nemen relatiebeding. Onduidelijk blijft of, en zo ja: in hoeverre, hieraan uitvoering is gegeven. Onder de gegeven omstandigheden, waarbij het hof meeweegt dat ook Interwerk zich door een advocaat heeft laten bijstaan, ziet het hof geen aanleiding om Interwerk tot bewijs van haar stellingen toe te laten, nog daargelaten dat zij in hoger beroep geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan. Het komt dan ook niet vast te staan dat Interwerk en [appellante] een boetebeding zijn overeengekomen in het kader van de vaststellingsovereenkomst.

4.4 Hieruit volgt dat de kantonrechter met zijn oordeel dat de werking van het boetebeding in de vaststellings¬overeenkomst niet is uitgezonderd zodat art. 23.4 van de Algemene Arbeidsvoor¬waarden Medewerkers Interwerk gelding heeft, miskent dat partijen uitvoerig hebben onderhandeld over de beëindiging van het dienstverband en - in afwijking van hetgeen voordien tussen hen gold - een nieuwe afspraak hebben gemaakt die kwalificeert als een beding als bedoeld in art. 7:653 lid 1 BW, evenwel zonder dat daarbij duidelijke afspraken zijn gemaakt over sancties op overtreding van het relatiebeding. Hieraan had eenvoudig kunnen worden voldaan door een voldoende duidelijke verwijzing naar de tot dat moment tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst en/of de Algemene Arbeidsvoorwaarden Medewerkers Interwerk, maar - zoals ook hiervoor is overwogen - ontbreekt een dergelijke verwijzing. Het hof volgt Interwerk niet in haar stelling dat het overeenkomen van een relatiebeding zonder een daaraan gekoppelde sanctie c.q. boeteclausule niet logisch is.

4.5 Het hof concludeert daarom dat de grief slaagt. De door Interwerk gevorderde verklaring voor recht dat het in art. 23.4 van de Algemene Arbeidsvoorwaarden Medewerkers Interwerk opgenomen boetebeding van toepassing is op het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen relatiebeding, kan derhalve niet worden toegewezen.

5 Dat zij het relatiebeding zou hebben overtreden, zoals de kantonrechter oordeelde, bestrijdt [appellante] met grief III.

5.1 Het staat vast dat [appellante] van begin 2009 tot 21 april 2009 voor de gemeente Kampen heeft gewerkt, terwijl op dat moment het relatiebeding, zoals overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst van 29 april 2008, nog van kracht was. Gegeven de uitleg die hiervoor onder 3.3 aan het relatiebeding is gegeven, kan het hof tot geen andere conclusie komen dan dat het relatiebeding door [appellante] is geschonden.

5.2 De grief faalt.

6 De grieven IV en V zijn gericht tegen de veroordeling door de kantonrechter tot betaling van de boetebedragen van € 11.000,- respectievelijk € 11.925,-.

6.1 Gelet op hetgeen hiervoor onder 4 t/m 4.2 is overwogen, slagen deze grieven en komen de vorderingen van Interwerk in zoverre niet voor toewijzing in aanmerking.

6.2 Nu Interwerk ten aanzien van beide boetebedragen subsidiair toewijzing van een in goede justitie ander te bepalen bedrag heeft gevorderd, maar de hoogte van deze bedragen tussen partijen geen onderwerp van debat is geweest, zal het hof de zaak naar de rol verwijzen teneinde Interwerk in de gelegenheid te stellen zich daarover nader uit te laten. [appellante] zal op de nadere conclusie van Interwerk mogen reageren.

7 Uit een oogpunt van proceseconomie zal het hof thans ook grief VI behandelen. Met deze grief komt [appellante] op tegen de afwijzing van haar reconventionele vordering.

7.1 Aan de vordering van [appellante] ligt de gedachte ten grondslag dat het op de weg van Interwerk als werkgever ligt om bij welk concurrentie- en/of relatiebeding dan ook geen enkele onduidelijkheid te laten bestaan omtrent reikwijdte en strekking daarvan. Omdat Interwerk het in de vaststellingsovereenkomst van 29 april 2008 opgenomen relatiebeding, dat volgens [appellante] onduidelijk en vaag is geformuleerd, heeft aangegrepen om het overgrote deel van de ontbindings¬vergoeding van [appellante] terug te vorderen, handelt Interwerk onrechtmatig jegens haar, aldus [appellante]. Als gevolg hiervan heeft zij aanzienlijke schade geleden, bestaande uit inkomensderving en proceskosten, welke schade zij in totaal becijfert op € 34.165,-.

7.2 Zoals hiervoor in 5.1 is geoordeeld, heeft [appellante] het relatiebeding geschonden. Interwerk stond dan ook volledig in haar recht om in kort geding te vorderen dat [appellante] deze overtreding zou staken. Van de omstandigheid dat zij bij de toewijzing van deze vordering door de voorzieningenrechter bij vonnis van

15 april 2009 (r.o. 1.8) tevens in de proceskosten is veroordeeld, kan [appellante] Interwerk dan ook geen verwijt maken. Anders dan [appellante] meent, kan niet worden gezegd dat zij haar werkzaamheden voor de gemeente Kampen onterecht heeft moeten beëindigen. Van inkomensschade die zij op Interwerk zou kunnen verhalen, is dan ook geen sprake.

7.3 Evenmin is er grond voor het oordeel dat Interwerk onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] door in de onderhandelingen over het verlenen van vrijstelling van het relatiebeding (r.o. 1.6) een deel van de door [appellante] bedongen ontbindings¬vergoeding terug te vragen. Dat zou anders geweest kunnen zijn indien Interwerk bewust misbruik zou hebben gemaakt van de situatie door [appellante] tegen te werpen dat zij anders een aanzienlijke boete zou verbeuren, terwijl Interwerk wist dat er geen boetebeding van kracht was. Nog afgezien van de omstandigheid dat zulks door [appellante] niet is gesteld, komt het woord 'boete' in het geheel niet voor in de correspondentie tussen [appellante] en Interwerk over de gevraagde toestemming om voor de gemeente Kampen te gaan werken en wordt ook niet gehint in die richting. Interwerk heeft slechts, zo blijkt uit die stukken, aan de orde gesteld dat vrijstelling van het relatiebeding een éénzijdige wijziging ten gunste van [appellante] van de op 29 april 2008 gemaakte 'package deal' zou betekenen, hetgeen voor Interwerk reden was om daar iets voor terug te vragen. Dit stond Interwerk geheel vrij, net zo goed als het [appellante] vrij stond dit aanbod niet te accepteren.

7.4 De grief faalt.

slotsom

7.5 Gelet op hetgeen hiervoor in r.o. 6.2. is overwogen, zal de zaak naar de rol worden verwezen opdat partijen zich over dat geschilpunt kunnen uitlaten. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

Het gerechtshof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 25 september 2012 teneinde Interwerk in de gelegenheid te stellen bij akte haar vordering nader te onderbouwen zoals hiervoor bedoeld onder 6.2.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. M.C.D. Boon-Niks, voorzitter, K.E. Mollema en K.H.A. Heenk en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 28 augustus 2012 in bijzijn van de griffier.