Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX4509

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
200.098.116/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2011:BT1958, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Overgang van onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0758
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 14 augustus 2012

Zaaknummer 200.098.166/01

(zaaknummer rechtbank: 476156 / CV EXPL 10-17702)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

gevestigd te Tolkamer,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. J. Langerhuizen, kantoorhoudende te Zevenaar,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.A. Schmidt, kantoorhoudende te Zoetermeer.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 18 augustus 2011 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 14 november 2011 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 13 december 2011.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, die tevens de grieven bevat en waarbij producties zijn gevoegd, luidt:

"te vernietigen het vonnis waarvan beroep en gerekwireerde alsnog niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hem zijn vordering te ontzeggen en gerekwireerde te veroordelen om al hetgeen rekwirante ter uitvoering van het bestreden vonnis aan gerekwireerde heeft voldaan aan rekwirante terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling en gerekwireerde te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest, en voor het geval voldoening van de (na) kosten niet meer in de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad."

Daarna heeft [appellante] van eis geconcludeerd.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] in haar appèl niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat aan haar te ontzeggen c.q. af te wijzen en het vonnis waarvan beroep, zonodig onder aanvulling van gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft veertien grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. Tegen de door de kantonrechter in het bestreden vonnis onder 2. (2.1 tot en met 2.12) vastgestelde feiten is niet gegriefd, terwijl ook overigens niet van bezwaar tegen die feiten is gebleken. Samen met wat in hoger beroep tussen partijen als vaststaand heeft te gelden, komen die feiten op het volgende neer.

1.1 [geïntimeerde] is op 17 mei 1996 in dienst getreden bij een rechtsvoorgangster van [bedrijf X], gevestigd te Foxhol, in de functie van ijzerwerker afbouw.

1.2 [geïntimeerde] lijdt aan diabetes. In februari 2006 is [geïntimeerde] wegens hartklachten uitgevallen. Uit de door [geïntimeerde] bij conclusie van repliek overgelegde persoonskaart en het overzicht van spreekuurcontacten met de bedrijfsarts blijkt, dat hij op 14 november 2006 een bypassoperatie heeft ondergaan. Op het spreekuur van 21 februari 2007 is meegedeeld dat [geïntimeerde] vanaf 26 februari 2007 mocht starten voor 3 x 5 uur, "met lichtere klussen, niet gelijk veel klimmen en klauteren". Op 21 maart 2007 heeft de bedrijfsarts opgeschreven dat zijn vorige rapportage kennelijk niet is doorgekomen op de werkvloer, omdat de leidinggevende van [geïntimeerde] niet van diens beperkingen op de hoogte was. Het advies bleef onveranderd. Naar aanleiding van het spreekuur op 11 april 2007 heeft de bedrijfsarts als advies genoteerd:

"met ingang van 1604 55% herstel, elke dag tot aan lunchpauze. klimmen en klauteren nog beperkingen. gaarne er ook voor zorgen dat dit bij leidinggevende bekend is."

1.3 Het verslag van 16 mei 2007 vermeldt onder meer:

"Advies: (…) gaat goed: ip per 2105 100%

(…)

Volledig hervatten in eigen werk: nee

(…)

Beperkingen/mogelijkheden : miv 2105 100% inzetbaar

Indien mogelijk hem met het klimmen en klauteren nog wat ontzien."

Op de persoonskaart staat dat [geïntimeerde] op 21 mei 2007 hersteld is gemeld. De eerstvolgende ziekmelding nadien is op 5 september 2007 geweest.

1.4 [bedrijf X] heeft haar onderneming op de locatie Foxhol (hierna: de werf) verkocht en overgedragen per 13 augustus 2007, waarna de werf door [appellante] is geëxploiteerd.

1.5 Tussen o.a. [bedrijf X], [appellante], FNV Bondgenoten en CNV Bedrijvenbond zijn op 11 juni 2007 afspraken gemaakt over de gevolgen voor het personeel, waarover onder meer de Centrale Ondernemingsraad bij brief van 6 juli 2007 is geïnformeerd. De afspraak hield voor de productiemedewerkers op de werf, voor zover hier van belang, in dat [appellante] 51 werknemers zou overnemen. Drie op lijst 2B genoemde medewerkers zouden afvloeien in het kader van de WIA en de Ziektewet, en tot die tijd bij [bedrijf X] in dienst blijven. Drie andere werknemers, waaronder [geïntimeerde], stonden als "werknemers individuele gevallen" op lijst 2A. Deze werknemers bleven in dienst bij [bedrijf X] totdat een passende oplossing zou zijn gevonden.

1.6 In haar brief van 14 augustus 2007 aan [geïntimeerde] heeft [bedrijf X] geschreven:

"Hierbij bevestig ik u ons gesprek met de heer [betrokkene] van maandag 13 augustus j.l.

In dit gesprek heb ik u medegedeeld, dat u bij de overname van Foxhol aan [appellante] in Lobith niet meegaat.

In principe blijft u voorlopig in dienst bij [bedrijf X] waarbij gezocht zal worden naar een oplossing. Als wij een aantal alternatieven uitgewerkt hebben, zullen wij met u een afspraak maken om deze te bespreken. Mocht u zelf een andere baan vinden, dan zijn wij bereid een ontslagpremie te betalen."

1.7 [bedrijf X] heeft [geïntimeerde] tewerkgesteld op haar vestiging in Harlingen. Naar aanleiding daarvan schreef [geïntimeerde] op 3 september 2007 aan [bedrijf X]:

"Tijdens mijn vakantie (…) in juli 2007, is besloten mij niet te selecteren om in mijn huidige bedrijf en werkplaats te blijven werken. (…) Na mijn hartoperatie en 100% goedkeuring door de bedrijfsarts, kon ik weer aan het werk. (…) als een donderslag bij helder weer ben ik niet geselecteerd en moet ik naar Harlingen.

Voor het werk dáár, heb ik niet geleerd en heb ik geen ervaring. (…) Nu ook nog een werkplaats waar ik geen verstand van heb (klimmen en klauteren, tankpersen: dit mag ik niet van de bedrijfsarts). En als ik dit niet aankan, dreigt er ontslag."

1.8 Bij brief van 29 juni 2009 heeft [bedrijf X] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] opgezegd tegen 1 september 2009, nadat zij UWV Werkbedrijf om toestemming voor opzegging vanwege bedrijfseconomische redenen had verzocht en die toestemming had verkregen, ondanks het verweer van [geïntimeerde] dat hij in 2007 niet mocht overstappen naar [appellante], maar naar Harlingen moest alwaar nu ontslag werd aangevraagd.

1.9 Bij brieven van 25 september 2009 en 16 september 2010 aan [appellante] is namens [geïntimeerde] beroep gedaan op de gevolgen van overgang van de onderneming ex

art. 7:662 BW op [appellante]. Bij brieven van 25 september 2009 en 1 oktober 2009 is [bedrijf X] namens [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld wegens kennelijk onredelijk ontslag, mocht in rechte komen vast te staan dat [geïntimeerde] niet van rechtswege in dienst van [appellante] is gekomen.

1.10 [appellante] heeft zich erop beroepen dat [geïntimeerde] er in augustus 2007 mee heeft ingestemd bij [bedrijf X] in dienst te blijven. [bedrijf X] heeft aangegeven dat [geïntimeerde] ofwel van rechtswege in dienst is gekomen bij [appellante], ofwel rechtsgeldig door [bedrijf X] is ontslagen.

1.11 Na het vonnis, waarvan beroep, heeft [appellante] [geïntimeerde] opgeroepen om op

31 augustus 2011 te verschijnen. Diezelfde dag heeft [geïntimeerde] zich bij [appellante] ziek gemeld.

De vordering en beoordeling in eerste aanleg

2. [geïntimeerde] heeft bij dagvaarding van 14 oktober 2010 zowel [bedrijf X] als

[appellante] in rechte betrokken en onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat zijn arbeidsovereenkomst op grond van overgang van onderneming is overgegaan op [appellante], onder hoofdelijke veroordeling van beide gedaagden tot betaling van zijn loon c.a. vanaf 1 september 2009 met wettelijke verhoging en wettelijke rente, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.

3. De kantonrechter heeft verklaard voor recht als gevorderd. Voorts heeft hij [bedrijf X] en [appellante] hoofdelijk, en uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling ([bedrijf X] als schadevergoeding, [appellante] als salaris) van het gevorderde loon c.a. vanaf 1 september 2009 tot vier weken na betekening van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis, onder matiging van de wettelijke verhoging tot 10%. Voorts is [appellante] veroordeeld tot doorbetaling van het loon vanaf vier weken na betekening van het vonnis tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.

De procedure in appel

4. [appellante] is, los van [bedrijf X], van het vonnis in hoger beroep gekomen. In dit geval is met betrekking tot de, in eerste aanleg toegewezen, verklaring voor recht sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Wanneer, zoals hier, hoger beroep wordt ingesteld door slechts één van de partijen die in eerste aanleg aan dezelfde zijde stonden, dient de appelrechter met betrekking tot die processueel ondeelbare rechtsverhouding aan zijn uitspraak ook gelding te verlenen ten opzichte van de niet in hoger beroep gekomen partij. Dat vloeit voort uit de bevoegdheid van een in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij om gebruik te maken van de mogelijkheid tot een hogere voorziening, ongeacht de houding van haar mede-partij (Hoge Raad 3 mei 2002, LJN: AD9618). Indien het hof tot vernietiging van het bestreden vonnis komt, zal het dan ook bepalen dat het arrest voor wat betreft de verklaring voor recht ook ten aanzien van [bedrijf X] gelding heeft.

Bespreking van de grieven

5.1 Aan de grieven I en II ligt de stelling ten grondslag dat [geïntimeerde] ten tijde van de overgang van de werf op [appellante] geen deel meer uitmaakte van de over te dragen onderneming, omdat hij voor zijn eigen functie blijvend arbeidsongeschikt zou zijn. Dat blijkt volgens [appellante] uit de mededeling van de bedrijfsarts onder 1.3, waar staat dat geen sprake is van het volledig hervatten in eigen werk. Dat zulks juist is blijkt, aldus [appellante], bovendien uit [geïntimeerde]s eigen mededeling als onder 1.7 weergegeven.

5.2 De stelling houdt verband met de vraag of de arbeidsongeschiktheid voor de overeengekomen functie tot gevolg heeft dat de vereiste band tussen het overgenomen onderdeel van de onderneming en [geïntimeerde] is verbroken. Op grond van jurisprudentie heeft immers te gelden dat de toerekening van een werknemer aan een bepaald onderdeel niet langer gerechtvaardigd is indien de band is verbroken doordat de betrokken werknemer geschorst is (en daarmee van het project gehaald) zonder dat enig uitzicht op diens terugkeer op dat project bestaat (HR 11 februari 2005, LJN: AR4466). Doorslaggevend voor dit oordeel is geweest dat de verhindering om de opgedragen werkzaamheden te verrichten, in het in de jurisprudentie genoemde geval wegens schorsing, in beginsel niet van tijdelijke aard was. Deze lijn kan naar het oordeel van het hof worden doorgetrokken naar de problematiek van duurzame arbeidsongeschiktheid. Het voorgaande betekent dat de vraag zal moeten worden beantwoord of [geïntimeerde], gelet op de aard van zijn arbeidsongeschiktheid, ooit de overeengekomen werkzaamheden bij [bedrijf X] zou hebben kunnen hervatten.

Het hof is van oordeel dat een ontkennend antwoord niet kan worden gebaseerd op de feiten.

De bedrijfsarts heeft [geïntimeerde] toegestaan zijn eigen werk vanaf 26 februari 2007 geleidelijk op te pakken. Op 16 mei 2007 werkte hij nog niet volledig, maar dat mocht wel vanaf 21 mei 2007, de dag waarop [geïntimeerde] hersteld werd verklaard.

Daaraan doet niet af dat [geïntimeerde], zo mogelijk, nog enigszins ontzien moest worden ten aanzien van klim- en klauterpartijen. Het hof beschouwt derhalve de opmerking van de bedrijfsarts over het 'niet volledig hervatten' als een feitelijke constatering op het moment van het spreekuurcontact, en niet als een prognose voor de toekomst. Daarbij merkt het hof nog, geheel terzijde, op dat voor het oordeel dat een werknemer voor zijn eigen functie blijvend arbeidsongeschikt is in verband met zijn beperkingen, in het algemeen ook een arbeidsdeskundig onderzoek is vereist.

5.3 [appellante] beroept zich in punt 30 van haar appeldagvaarding wel op het bestaan van arbeidsdeskundige rapportage, maar zij heeft daaruit niet geciteerd en die rapportage evenmin overgelegd. Zij heeft zelfs niet aangeboden die rapportage alsnog over te leggen (nog daargelaten dat het hof een dergelijk aanbod in het algemeen, gelet op de twee-conclusieregel, niet honoreert, omdat dergelijke stukken al eerder in geding gebracht kunnen worden). Het hof is van oordeel dat [appellante] daarmee haar opvatting dat [geïntimeerde] blijvend ongeschikt was voor zijn eigen werk niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd. Het bestaan van dergelijke rapportage uit de periode (kort) voor 13 augustus 2007 is bovendien onwaarschijnlijk, gelet op de hiervoor geciteerde bevindingen van de bedrijfsarts.

Aldus kan niet worden volgehouden dat de band tussen [geïntimeerde] en de overgedragen werf is verbroken, zoals [appellante] heeft gesteld.

De grieven falen.

De eerste tussenconclusie luidt dat [geïntimeerde] in beginsel behoorde tot het werfpersoneel dat als gevolg van overgang van de onderneming bij [appellante] in dienst kwam.

6. De grieven III tot en met IX en grief XII bouwen voort op de, hiervoor reeds verworpen, stelling door -ervan uitgaande dat [geïntimeerde] niet tot het overgedragen gedeelte van de onderneming behoorde- te betogen dat [appellante] dan ook niet haar verplichting jegens [geïntimeerde] geschonden kan hebben om rekening te houden met zijn belangen en hem deugdelijk te informeren over de wijziging in zijn juridische positie, aangezien er volgens [appellante] geen sprake van een zodanige wijziging was.

Nu die vooronderstelling onjuist is, ontbreekt het fundament voor deze grieven.

Zij missen doel. De tweede tussenconclusie luidt dat door [appellante] niets is aangevoerd waaruit volgt dat met een goed over zijn rechtspositie geïnformeerde [geïntimeerde] de afspraak is gemaakt dat hij niet zou overgaan naar [appellante], maar bij [bedrijf X] in dienst zou blijven.

7. Met het voorgaande is het lot bezegeld van grief XI, die zich keert tegen de verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] op 13 augustus 2007 van rechtswege is overgegaan op [appellante]. Deze grief faalt.

8.1 Met de grieven X en XIII komt [appellante] op tegen haar veroordeling tot betaling van loon c.a. aan [geïntimeerde] vanaf 1 september 2009 en de wettelijke verhoging van 10%.

8.2 Volgens [appellante] hoeft zij geen loon te betalen, omdat [geïntimeerde] niet werkelijk bereid was de bedongen werkzaamheden te verrichten. Zij baseert dat op het feit dat [geïntimeerde] in zijn onder 1.9 genoemde brief van 25 september 2009 weliswaar met een kort geding heeft gedreigd om tewerkstelling af te dwingen, maar dat dit geding nooit heeft plaatsgevonden. Verder heeft [geïntimeerde] in zijn inleidende dagvaarding tot twee keer toe genoteerd dat hij recht heeft op loon vanaf

1 september 2010. Hieruit mag dus worden afgeleid dat hij ook pas vanaf die datum werkelijk tot het verrichten van arbeid bereid was, hoewel in het petitum ineens aanspraak op loon vanaf 1 september 2009 wordt gemaakt, aldus [appellante]. Bovendien verdraagt zijn vordering uit kennelijk onredelijk ontslag jegens [bedrijf X] zich niet met bereidheid tot het verrichten van werk bij [appellante].

8.3 Het hof ziet niet in waarom [appellante] ondanks het feit dat [geïntimeerde] tot twee keer toe schriftelijk aanspraak maakte op tewerkstelling, waarop [appellante] -zoals hiervoor bleek: ten onrechte- afwijzend reageerde, mag menen geen loon verschuldigd te zijn, louter omdat [geïntimeerde] geen kort gedingprocedure heeft aangespannen om tewerkstelling af te dwingen. [appellante] had, naar aanleiding van de eerste brief van [geïntimeerde], ook zelf aan de rechter de vraag kunnen voorleggen of zij de werkgever van [geïntimeerde] geworden was. Dat zij dat niet heeft gedaan, ligt in haar risicosfeer.

Het hof gaat ervan uit dat het advocaten bekend is dat het petitum bepalend is voor de omvang van het geschil. Het gaat, naar het oordeel van het hof, te ver om aan de twee andere data in het lichaam van de dagvaarding, en in weerwil van de brief van [geïntimeerde] van 25 september 2009, het argument te ontlenen dat [geïntimeerde] vóór 1 september 2010 niet bereid was bij [appellante] te werken.

Dat [geïntimeerde], gelet op de houding van [bedrijf X] en [appellante] tot 1 september 2009, ook aanspraak heeft gemaakt op een door [bedrijf X] verschuldigde schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, past bij de onduidelijke situatie die [bedrijf X] en [appellante] samen voor [geïntimeerde] hebben gecreëerd.

[appellante] kan hieraan in redelijkheid geen argument in haar voordeel ontlenen.

Het hof verwerpt derhalve de verweren van [appellante]. Het hof laat dan nog daar dat [geïntimeerde], onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van

19 december 2003, LJN: AL7037, heeft aangevoerd dat hij zelfs bij ontbrekende bereidheid tot werken bij [appellante] nog een loonaanspraak jegens haar zou hebben, nu [appellante] hem niet toeliet op het werk om een reden die in haar risicosfeer ligt.

8.4 Door [appellante] is voorts, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2011, LJN: BQ8134, aangevoerd dat zij geen loon verschuldigd is na 104 weken arbeidsongeschiktheid.

[appellante] ziet evenwel over het hoofd dat [geïntimeerde] volledig arbeidsgeschikt is gemeld voor zijn eigen functie per 21 mei 2007. Dat dit slechts een 'administratieve betermelding' was, is niet door [appellante] aangetoond. [geïntimeerde] heeft bovendien in hoger beroep herhaald dat hij, na zijn onder 1.7 vermelde protest tegen het werk dat hem in september 2007 te Harlingen werd opgedragen en dat niet zijn eigen werk zou zijn, op de werf te Harlingen geruime tijd weer zijn bedongen arbeid heeft verricht.

Ook dit verweer van [appellante] wordt door het hof verworpen.

8.5 [appellante] bepleit voorts nog verdergaande matiging van de gevorderde wettelijke verhoging tot nihil. Zij voert daarvoor niets anders aan dan de, in haar ogen, ontbrekende bereidheid van [geïntimeerde] om te werken, hetgeen zij ook afleidt uit de ziekmelding van [geïntimeerde] nadat het vonnis in eerste aanleg was gewezen.

Het hof begrijpt uit punt 24 van de appeldagvaarding dat [appellante] inmiddels een bedrijfsarts en een arbeidsdeskundige heeft ingeschakeld.

Zoals onder 8.3 reeds is overwogen deelt het hof niet de mening van [appellante] dat tot de dag van uitspraak in eerste aanleg in werkelijkheid de wil van [geïntimeerde] om bij haar te werken ontbrak. Voor matiging van de wettelijke verhoging tot nihil ziet het hof dan ook geen enkele reden.

De grieven falen. Wel zal het hof de verschuldigdheid van de wettelijke verhoging ten opzichte van de uitspraak van de kantonrechter in tijd beperken tot het loon, verschuldigd tot en met augustus 2011, voor zover [appellante] met tijdige betaling in gebreke was.

8.6 Ter vermijding van misverstand merkt het hof op dat bij arrest van heden de hoofdelijke veroordeling van [bedrijf X] tot betaling van loon c.a. vanaf

1 september 2009 wordt vernietigd en die vordering van [geïntimeerde] alsnog wordt afgewezen, onder veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen hij daarvoor van [bedrijf X] heeft ontvangen.

9. Grief XIV is gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Uit het voorgaande volgt dat [appellante] in eerste aanleg terecht is aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij, zodat de grief wordt verworpen.

De slotsom

10. Het vonnis waarvan beroep wordt ten aanzien van [appellante] bekrachtigd, met dien verstande dat de wettelijke verhoging verschuldigd is over achterstallig loon dat opeisbaar werd in de periode van 1 september 2009 tot 1 september 2011. Het hof zal voor alle duidelijkheid het dictum van de kantonrechter op het punt van de loonvordering c.a. vernietigen en opnieuw formuleren. Nu niet is gesteld of gebleken dat het vonnis van de kantonrechter aan [appellante] is betekend, wordt de wettelijke rente toegewezen over het tot op heden verschuldigde salaris c.a.

Het hof beschouwt [appellante] ook in hoger beroep als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij. Zij wordt derhalve veroordeeld in de proceskosten van het appel (geliquideerd salaris advocaat 1 punt, tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het tussen [geïntimeerde] en [appellante] gewezen vonnis, waarvan beroep, behoudens voor zover [appellante] daarbij is veroordeeld tot betaling van salaris c.a. vanaf 1 september 2009 en vernietigt dat vonnis in zoverre,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] aan [geïntimeerde] te betalen vanaf 1 september 2009 als salaris

€ 2.318,60 per vier weken, te vermeerderen met € 48,70 per vier weken en te vermeerderen met vakantietoeslag, steeds te verhogen volgens de van toepassing zijnde cao, zulks totdat de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] op rechtsgeldige wijze is geëindigd, een en ander te vermeerderen met 10% wettelijke verhoging over het verschuldigde vanaf 1 september 2009 tot 1 september 2011 alsmede met wettelijke rente over het tot op heden verschuldigde vanaf de datum van opeisbaarheid tot voldoening;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 284,- aan verschotten en € 894,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. M.E.L. Fikkers, voorzitter, A.M. Koene en

W.A. Zondag en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 14 augustus 2012 in bijzijn van de griffier.