Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX4421

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
107.000.650
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Waardestijging woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 14 augustus 2012

Zaaknummer 107.000.650

(zaaknummer rechtbank: 45656 / HA ZA 01-278)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. G. Machiels, kantoorhoudende te Drachten,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.B.M. Zuidgeest, kantoorhoudende te Alphen aan den Rijn.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 23 november 2010 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De in voornoemd tussenarrest benoemde deskundige P.W.J. van Leeuwen heeft het door hem opgestelde deskundigenrapport van 3 april 2011 ter griffie van het hof gedeponeerd.

Bij begrotingsbeschikking van 14 juli 2011 heeft het hof het voorschot van de deskundige verhoogd met een bedrag van € 250,--.

Daarna heeft de deskundige een brief d.d. 4 augustus 2011 aan het hof gezonden.

Partijen hebben ieder een akte genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. In voornoemd tussenarrest is dhr. Van Leeuwen tot deskundige benoemd om

- kort weergegeven - te onderzoeken wat de waardestijging van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de voormalig echtelijke woning) is geweest in de periode gelegen tussen 23 maart 2004 en 25 mei 2005.

2. [geïntimeerde] stelt dat als deskundigenrapport is te beschouwen de door de deskundige ter griffie gedeponeerde 'Toelichting op taxatie" van 3 april 2011 en de brief van 4 augustus 2011. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

2.1. Uit de door beide partijen overgelegde begrotingsbeschikking van 14 juli 2011 blijkt dat de deskundige na ontvangst van een brief van de advocaat van

[appellant] van 18 mei 2011, het hof heeft verzocht om een aanvullend voorschot vast te stellen voor het geval het hof beantwoording van die brief aangewezen acht. In de begrotingsbeschikking wordt tevens melding gemaakt van een brief van 9 mei 2011 van de advocaat van [appellant] aan de deskundige en de reactie daarop van de deskundige bij brief van 17 mei 2011.

2.2. Het hof gaat er, gelet op het voorgaande, vanuit dat [appellant] bekend is met de inhoud van de in de begrotingsbeschikking genoemde brieven, ook al bevinden deze zich niet in zijn procesdossier. Het hof zal daarom - naast de door [geïntimeerde] genoemde bescheiden - tevens acht slaan op de inhoud van de brieven van de advocaat van [appellant] van 9 en 18 mei 2011 en van de brief van de deskundige van 17 mei 2011.

3. De deskundige heeft in zijn rapport van 3 april 2011 verklaard dat de lichte mate van verontreiniging van het perceel aan de [adres] te [woonplaats] (waarop de voormalig echtelijke woning zich bevindt) met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen invloed heeft op de waardeontwikkeling van de voormalig echtelijke woning in de periode 23 maart 2004 tot en met 25 mei 2005. De deskundige heeft voorts berekend dat de waarde van de voormalig echtelijke woning in voornoemde periode is gestegen met 5,1%.

Hij heeft dat percentage als volgt toegelicht.

"(…)

De prijsontwikkeling in [woonplaats] kan niet op een betrouwbare wijze op straat- of prijsklassenivo worden beoordeeld. De enige andere methode is om te beoordelen of er in heel [woonplaats] een prijseffect zichtbaar is in de genoemde periode.In 2004 zijn er 21 woningen verkocht tegen een gemiddelde prijs van ca. € 347.000,--. In 2005 zijn er 29 woningen verkocht tegen een gemiddelde prijs van € 253.000,--. Deze cijfers worden teveel beïnvloed door enkele dure woningen. (…)

Beter is het om de cijfers in een wat grotere regio te bekijken.

De regio Alphen aan den Rijn heeft een prijsstijging in de periode van het 1e kwartaal 2004 tot het 2e kwartaal 2005 van 4,9 %. In heel Nederland kom je in dezelfde periode op 5,6 % uit.

Bron hiervan is het NVM, de voortschrijdende kwartaalcijfers. Deze percentages zijn de beste en meest betrouwbare basis voor beantwoording van vraag 1. Aangezien [woonplaats] in de regio Alphen aan den Rijn ligt, heeft taxateur besloten het percentage van de regio Alphen 2x te laten meewegen. Hierdoor komt taxateur uit op een prijsstijging in genoemde periode van 5,1 %. Op basis van de vastgestelde waarde van € 530.000,-- per 23-3-2004 komt taxateur op een waarde per 25-5-2005 van € 557.000,--."

3.1. In de e-mail van 31 maart 2011 van de deskundige aan de advocaat van [geïntimeerde] (bijlage bij het deskundigenrapport van 3 april 2011) staat onder meer

"In de cijfers van Alphen aan den Rijn zit nog een gemiddeld cijfer dat gebaseerd is op minder dan 25 waarnemingen. Dit cijfer is dus wat minder betrouwbaar. Daarnaast is Alphen aan den Rijn als geheel toch weer anders dan de plaats [woonplaats], vandaar dat ik het algemeen landelijk beeld er ook bij betrokken heb, (…)"

3.2. In de brief van 17 mei 2011 van de deskundige aan de advocaat van [appellant] verwijst de deskundige voor de reden van het gebruik van 'voortschrijdend kwartaal'- cijfers naar de gebruikershandleiding NVM markt info, waarin

onder meer staat : "De optie transacties per voortschrijdend kwartaal is een goede keuze als in het gewenste gebied maar weinig transacties zijn. Als bijvoorbeeld gevraagd wordt naar 'transacties per voortschrijdend kwartaal' in het eerste kwartaal, dan worden de transacties van het eerste kwartaal en van het vierde kwartaal van het jaar ervoor samengenomen. De analyse wordt gedaan over het totaal van deze transacties. Hierdoor is het totaal aantal transacties groter dan voor slechts één kwartaal, zodat ook voor gebieden met weinig transacties nog zinvolle resultaten te geven zijn."

4. [appellant] wenst primair dat het hof de waarde van de voormalig echtelijke woning opnieuw zal laten taxeren.

4.1. [appellant] heeft zich daarbij beroepen op de inhoud van de e-mail van

31 maart 2011 van de deskundige aan de advocaat van [geïntimeerde] (bijlage bij het deskundigenrapport), waarin de deskundige schrijft dat mevrouw [taxateur] het gemiddelde cijfer van tussenwoningen heeft gebruikt en dat dergelijke woningen wat hem betreft heel anders zijn dan de getaxeerde woning.

Deze e-mail van de deskundige is een reactie op de e-mail van de advocaat van [geïntimeerde] van 31 maart 2011 (eveneens bijlage bij het deskundigenrapport). Uit deze laatste e-mail blijkt dat mevrouw [taxateur] in 2007 een stijging van circa 3,7 % heeft afgegeven. Het hof is van oordeel dat, indien juist is dat [taxateur] in 2007 van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan, daaraan - anders dan [appellant] stelt - niet kan worden ontleend dat mevrouw [taxateur] in 2004, toen zij haar rapport over de waarde van de onderhavige woning uitbracht, ook van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan.

4.2. [appellant] heeft voorts gesteld dat onder meer aan de prijs waarvoor de woning met huisnummer 23, die is geschakeld aan de voormalig echtelijke woning, in april 2005 is verkocht (€ 596.000,--), kan worden ontleend dat mevrouw [taxateur] de voormalig echtelijke woning op een te laag bedrag heeft getaxeerd. Hij heeft te dien aanzien echter geen wezenlijk andere feiten naar voren gebracht dan die waarover het hof in het tussenarrest van 28 februari 2007 onder 10. en in het tussenarrest van 7 november 2007 onder 6. reeds heeft beslist.

4.3. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om tot een nieuwe taxatie van de voormalig echtelijke woning over te gaan.

5. De deskundige heeft in zijn rapport van 3 april 2011 en in voormelde e-mail van 31 maart 2011 onderbouwd waarom hij er voor heeft gekozen om uit te gaan van tweemaal de kwartaalcijfers van de regio Alphen aan den Rijn en éénmaal van de landelijke cijfers.

5.1. Het hof acht het door ieder van partijen gestelde onvoldoende om af te wijken van die keuze van de deskundige. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat het, anders dan [appellant], de prijs waarvoor de woning met huisnummer 23 is verkocht niet voldoende acht om de gemiddelde waardestijging van woningen in de prijsklasse van de voormalig echtelijke woning te kunnen vaststellen, mede nu [appellant] in het licht van de betwisting door [geïntimeerde], niet heeft aangetoond dat het hier om een geheel vergelijkbare woning gaat.

6. [geïntimeerde] betoogt dat de NVM bij het vaststellen van de voortschrijdende kwartaalcijfers werkt met verschoven kwartalen, waardoor de cijfers over het eerste kwartaal 2004 zijn vastgesteld op basis van gegevens over de periode

16 december 2003 tot en met 15 maart 2004. De waardestijging moet echter vanaf 23 maart 2004 worden berekend. Volgens [geïntimeerde] wordt daarom de waardestijging over een te lange periode berekend wanneer - zoals de deskundige heeft gedaan - mede rekening wordt gehouden met de cijfers over het eerste kwartaal.

6.1. Het hof overweegt daartoe dat de deskundige in zijn rapport en in zijn brief van 17 mei 2011 heeft onderbouwd waarom hij in dit geval een berekening waarbij transacties worden betrokken over een langere periode juist acht. Het door [geïntimeerde] gestelde doet - ook indien juist - daaraan niet voldoende af.

6.2. De deskundige heeft in diens brief van 17 mei 2011 tevens onderbouwd waarom hij in dit geval een keuze voor voortschrijdende kwartaalcijfers juist acht. Het hof acht hetgeen [appellant] daartegen heeft aangevoerd niet voldoende zwaarwegend om daarvan af te wijken.

7. [geïntimeerde] voert voorts aan dat, indien wordt uitgegaan van de door de deskundige gehanteerde periode, zij de prijsstijging in de regio Alphen aan den Rijn berekent op 4,36 % en landelijk op 4%.

7.1. Partijen hebben ieder voor zich een lijst van de NVM overgelegd waarin onder meer de voortschrijdende kwartaalcijfers in de onderhavige periode staan vermeld. De beide lijsten bevatten dezelfde cijfers. Het hof gaat er daarom vanuit dat partijen van mening zijn dat bij het maken van een berekening van de waardestijging van die cijfers moet worden uitgegaan. Het hof zal hen daarin volgen.

7.2. Wanneer op basis van de in de lijsten genoemde voortschrijdende kwartaalcijfers een berekening wordt gemaakt waarbij de procentuele stijging tussen de cijfers over het eerste kwartaal 2004 en die van het tweede kwartaal 2005 wordt berekend, dan komt het hof uit op voornoemde door [geïntimeerde] berekende percentages. De deskundige heeft geen toelichting verstrekt over de wijze waarop hij de door hem genoemde hogere percentages heeft berekend. Het hof zal daarom van de door [geïntimeerde] genoemde percentages uitgaan. De waardestijging in de onderhavige periode berekent het hof dan op ([2 x 4,36 =] 8,72 + 4 = 12,72 : 3 =) 4,24 %. De waarde van de woning per 25 mei 2005 kan dan worden gesteld op

(€ 530.000,-- x 4,24% = € 22.472,-- + € 530.000,-- =) € 552.472,--.

8. Grief 1 in het principaal appel slaagt in zoverre.

9. In het tussenarrest van 28 februari 2007 is in rechtsoverweging 86 onder B. berekend dat de waarde van hetgeen aan [geïntimeerde] wordt toegedeeld € 69.771,-- + PM bedraagt. Daarbij is rekening gehouden met een waarde van de voormalig echtelijke woning van € 530.000,-- + PM. Thans is beslist dat de woning voor een waarde van € 552.472,-- in de verdeling moet worden betrokken. De PM-post bedraagt dan € 22. 472,--. [geïntimeerde] wordt derhalve toegedeeld zaken met een waarde van per saldo € 69.771 + € 22.472,-- = € 92.243,--.

9.1. In voornoemd tussenarrest is onder D. een recapitulatie gemaakt van de verrekening die tussen partijen dient plaats te vinden, los van de verrekening van de koopsompolissen en de effectenportefeuille. Die berekening komt, rekening houdend met het voorgaande en de in genoemd tussenarrest gehanteerde terminologie, als volgt te luiden:

Per saldo is aan [geïntimeerde] toegedeeld € 92.243,--

Per saldo is aan [appellant] toegedeeld een negatieve

waarde van - € 48.34l,--

te verdelen saldo € 43.902,-- waarvan 50% (:2 =) € 21.951,--

[geïntimeerde] heeft derhalve recht op een bedrag van € 21.951,--.

Aan haar is toegedeeld € 92.243,--

[geïntimeerde] dient aan [appellant] te betalen wegens

overbedeling € 70.292,--.

[appellant] heeft eveneens recht op € 21.951,--.

Aan hem is toegedeeld een negatieve waarde van - € 48.341.--

[appellant] dient nog van [geïntimeerde] te ontvangen € 70.292,--.

10. [appellant] heeft gesteld dat hij op basis van hetgeen in het tussenarrest van

28 februari 2007 onder F. is overwogen en beslist, al meer dan € 100.000,-- aan [geïntimeerde] verschuldigd is, welk bedrag voornamelijk wordt veroorzaakt door een verondersteld, maar niet genoten rendement en verschuldigde rente daarover. Volgens hem zal hij de hem toegedeelde effecten moeten verkopen en bovendien een lening moeten aangaan om te vereffenen. Hij vindt dit geen recht doen aan de financiële situatie waarin partijen uit elkaar zijn gegaan.

11. Het hof neemt in aanmerking dat partijen op huwelijke voorwaarden zijn gehuwd en dat zij daarin zijn overeengekomen dat na ontbinding van het huwelijk de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap zal geschieden als had een gemeenschap van winst en verlies bestaan. Het hof heeft met in achtneming daarvan beslist. Daarbij zijn onder meer aanzienlijke geldbedragen aan

[appellant] toegedeeld. Indien hij thans niet meer over die bedragen beschikt kan dat in redelijkheid niet ten laste van [geïntimeerde] worden gebracht. Verder heeft [appellant] ook thans niet onderbouwd dat het rendement dat hij vanaf december 2000 tot heden heeft genoten en/of in redelijkheid heeft kunnen genieten op de effecten en het bedrag dat hij uit de verkoop van effecten heeft verkregen, gemiddeld genomen lager is geweest dan 4% per jaar.

Het hof acht daarom, beoordeeld naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, geen redenen aanwezig om thans anders te beslissen dan in het tussenarrest van

28 februari 2007 en hiervoor is overwogen en beslist.

De slotsom in het principaal en het incidenteel appel

12. Het hof zal, onder vernietiging van de vonnissen van de rechtbank van 9 juli 2003 en 25 mei 2005, opnieuw beslissen als na te melden.

13. Het hof zal, nu partijen gewezen echtelieden zijn, de proceskosten van het geding in beide instanties compenseren in die zin dat partijen ieder de eigen kosten draagt. De kosten van de in eerste aanleg benoemde deskundige, ad € 1.279,25, en die van de in hoger beroep benoemde deskundige, ad € 714,-- en ad € 250,--, dienen door elk van beide partijen voor de helft te worden gedragen.

13.1. [appellant] is van mening dat de kosten van het in opdracht van beide partijen door P&J Milieuservices B.V. verrichtte onderzoek voor rekening van [geïntimeerde] moeten komen. Het hof heeft P&J Milieuservices B.V. niet tot deskundige benoemd. Het hof kan daarom deze kosten niet op grond van artikel 237 Rv bij de kostenveroordeling betrekken.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal en het incidenteel appel

vernietigt de vonnissen van de rechtbank van 9 juli 2003 en 25 mei 2005

en opnieuw rechtdoende

stelt de wijze van verrekening van de fictieve beperkte gemeenschap vast als omschreven in het tussenarrest van 28 februari 2007 onder de rechtsoverwegingen 86 en 87 (sub A. tot en met F.), met dien verstande dat de waarde van de aan [geïntimeerde] toegedeelde woning te [woonplaats] telkens wordt gesteld op een bedrag van € 552.472,-- en dat daardoor de onder D. van voornoemd tussenarrest opgenomen recapitulatie komt te luiden als hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 9.1.;

gebiedt elk van beide partijen aan de uitvoering van deze verdeling haar medewerking te verlenen;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het geding in beide instanties, met dien verstande dat zij ieder de helft van de kosten van de deskundige uit de eerste aanleg, ad € 1.279,25 en de helft van de kosten van de in hoger beroep benoemde deskundige, in totaal ad € 964,--, voor hun rekening dienen te nemen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. W. Breemhaar, voorzitter, M.M.A. Wind en

G. Jonkman en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 14 augustus 2012 in bijzijn van de griffier.