Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX4396

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
200.086.680/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Totstandkoming overeenkomst. Functie van een opdrachtbevestiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 19 juni 2012

Zaaknummer: 200.086.680/01

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

gevestigd te Joure,

appellante,

in eerste aanleg: verweerster in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te Breda,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.A. Buntsma.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 26 januari 2011 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 21 april 201118 september 2007 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 10 mei 2011. Bij memorie van grieven heeft [appellante] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke grieven [geïntimeerde] bij memorie van antwoord heeft bestreden. Ten slotte hebben partijen hun stukken aan het hof overgelegd voor arrest.

De beoordeling

1. Nu tegen de weergave van de feiten in r.o. 2 (onderdelen 2.1 t/m 2.7) geen grieven zijn gericht noch anderszins is gebleken van gemotiveerde bezwaren tegen die weergave, zal ook het hof van die feiten uitgaan.

2. Het gaat in de onderhavige procedure in essentie om het volgende. [geïntimeerde] heeft op 23 juli 2008 aan [appellante] offerte gedaan voor – kortweg – de inrichting van het nieuwe kantoor van [appellante] te Joure. Deze offerte omvatte tevens het leveren en leggen van vloerbedekking.

In de maanden oktober 2008, januari 2009 en maart 2009 heeft [geïntimeerde] aansluitend op genoemde offerte, een drietal orderbevestigingen verzonden aan [appellante], welke orderbevestigingen niet betrekking hadden op het leveren en leggen van vloerbedekking.

Op 2 december 2008 heeft [geïntimeerde] aan [bedrijf x] een orderbevestiging gezonden met betrekking tot de vloerbedekking voor het nieuwe kantoor van [appellante].

[bedrijf x] is niet tot betaling aan [geïntimeerde] overgegaan en is op 12 mei 2009 in staat van faillissement verklaard.

3. Het standpunt van [geïntimeerde] komt er zakelijk weergegeven op neer dat [appellante] (ook) met betrekking tot de vloerbedekking heeft te gelden als de wederpartij van [geïntimeerde], en dat [bedrijf x] slechts gold als “factuurpartij”.

[appellante] bestrijdt dat tussen haar en [geïntimeerde] een overeenkomst met betrekking tot de vloerbedekking tot stand is gekomen.

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen [geïntimeerde] en [appellante] (ook) met betrekking tot de vloerbedekking, een overeenkomst tot stand is gekomen die voor [appellante] een betalingsverplichting tot gevolg heeft. Dientengevolge heeft de rechtbank, zoals door [geïntimeerde] gevorderd, voor recht verklaard dat [appellante] opdrachtgever is van [geïntimeerde] ter zake van het leveren en leggen van de vloerbedekking, en heeft zij tevens [appellante] veroordeeld tot nakoming van die overeenkomst (betaling).

Nu de overige overeenkomsten die tussen [geïntimeerde] en [appellante] naar aanleiding van eerder genoemde offerte tot stand zijn gekomen, geen voorwerp van deze procedure vormen, zal het hof met betrekking tot de overeenkomst tot het leveren en leggen van de vloerbedekking, hierna mede kortweg spreken van “de overeenkomst”, zulks ter voorkoming van onnodige herhalingen.

5. [appellante] heeft haar grieven 1 en 2 gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat bedoelde overeenkomst tussen haar en [geïntimeerde] tot stand is gekomen.

Met de grieven 3 en 4 klaagt [appellante] over de verdeling van de bewijslast en het passeren door de rechtbank van het door [appellante] gedane bewijsaanbod.

Grief 5 ten slotte heeft betrekking op de door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke kosten.

Tegen de afwijzing door de rechtbank van hetgeen [appellante] in reconventie heeft gevorderd, is geen behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grief gericht, zodat de beslissing dienaangaande buiten de rechtsstrijd in hoger beroep valt.

6. Voor zover [appellante] er met grief 1 over klaagt dat de rechtbank een verkeerde maatstaf (te weten: de “Haviltex-maatstaf”) heeft aangelegd voor de vraag of de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, overweegt het hof het volgende.

7. De wils-vertrouwensleer zoals neergelegd in de artikelen 3:33 en 35 BW, – uiteraard aangevuld door meer bijzondere regelingen zoals die van art. 6:217 e.v. BW – beheerst in vergaande mate zowél de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, als de vraag wat bij bevestigende beantwoording daarvan vervolgens de inhoud is. Zo heeft de Hoge Raad bepaald (HR 21-12-2001, NJ 2002, 60) dat het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, afhankelijk is van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Daaraan voegde de Hoge Raad toe dat aanbod en aanvaarding niet uitdrukkelijk behoeven plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en besloten liggen in een of meer gedragingen (zie art. 3:35 in verband met art. 3:33 en art. 3:37 lid 1 BW).

8. In het licht van het voorgaande dient de in grief 1 neergelegde opvatting van [appellante] die erop neerkomt dat de rechtbank ten onrechte een inhoudelijk op de Haviltex-maatstaf gelijkend criterium heeft aangelegd voor de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, als onjuist te worden gekwalificeerd. De grief mist doel.

9. Grief 2 noopt tot een inhoudelijke toetsing van de feiten aan eerdergenoemd criterium ter beantwoording van de vraag of tussen partijen al dan niet een overeenkomst tot stand is gekomen. Kort weergegeven stelt [appellante] zich op het standpunt dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen omdat uit niets blijkt dat zij het aanbod van [geïntimeerde] van 23 juli 2008 (alsnog) heeft aanvaard.

10. Voor zover [appellante] ingang wenst te doen vinden dat het op de vloerbedekking betrekking hebbende deel van de offerte niet (meer) voor aanvaarding in aanmerking zou kunnen komen (memorie van grieven paragraaf 21), volgt het hof [appellante] daarin niet, nu toch onweersproken uit de stukken blijkt dat met betrekking tot andere delen van die offerte, orderbevestigingen zijn verzonden in oktober 2008, januari 2009 en maart 2009, zodat zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, niet valt in te zien dat het deel van de offerte dat betrekking heeft op de vloerbedekking, om enigerlei reden niet (meer) voor aanvaarding in aanmerking zou kunnen komen. Indien en voor zover [appellante] bedoeld zou hebben dat aanvaarding door haar niet (meer) aan de orde kan zijn omdat [bedrijf x] het aanbod van [geïntimeerde] zou hebben aanvaard, zal het hof hierop nog nader ingaan.

11. Met betrekking tot de vraag of sprake is van een (impliciete) aanvaarding door [appellante], overweegt het hof als volgt. Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen in prima, blijkt dat [financieel directeur appellante], (destijds) financieel directeur van [appellante], met betrekking tot de vloerbedekking heeft verklaard – in essentie – dat [appellante] met [geïntimeerde] heeft onderhandeld over een totaalpakket en het liefst de zaak in één hand wilde houden, terwijl zij om “budgettaire redenen” de vloerbedekking onder de bouwkosten wilde laten vallen, omdat dat goed was voor haar liquiditeit. Daaraan voegde genoemde [financieel directeur appellante] toe dat de inkoper van [appellante] – [inkoper van appellante] – nog aan derden offertes voor de vloerbedekking heeft gevraagd, maar “dat bleek niet of nauwelijks goedkoper uit te vallen dan bij [geïntimeerde] BV, zodat we die via haar hebben laten lopen”, aldus [financieel directeur appellante].

12. Het hof overweegt dat de boven weergegeven verklaring van [financieel directeur appellante] tegengesteld is aan de opstelling die [appellante] ten processe ingang wenst te doen vinden, inhoudende dat zij het aanbod van [geïntimeerde] met betrekking tot de vloerbedekking niet heeft aanvaard zodat zij ([appellante]) geen partij is bij de onderhavige overeenkomst. In de verklaring van [financieel directeur appellante] ligt immers besloten dat [appellante] het aanbod van [geïntimeerde] op enigerlei (vormvrije) wijze heeft aanvaard.

13. Daarenboven slaat het hof acht op de e-mailwisseling tussen [appellante] (in persoon van meergenoemde [inkoper van appellante]) en [geïntimeerde] d.d. 26 september 2008, waarin [geïntimeerde] de vraag opwerpt wie als “faktuur partij” moet worden aangemerkt: de bouwaannemer van [appellante], of [appellante] zelf, welke vraag namens [appellante] aldus wordt beantwoord: “Factuur moet inderdaad naar de bouwaannemer”. Ook dit antwoord staat haaks op de opstelling van [appellante] dat zij geen partij is bij de overeenkomst met betrekking tot de vloerbedekking.

14. De conclusie dat [appellante] destijds het aanbod van [geïntimeerde] (vormvrij) heeft aanvaard, wordt nog versterkt door de omstandigheid dat [geïntimeerde] op 26 september 2008, aansluitend op de boven genoemde e-mails, de vraag aan [appellante] voorlegt wat het factuuradres is van de aannemer, en of deze op de hoogte is van de betalingscondities “40-40-20”, welke condities, zoals het hof aan de hand van de overgelegde producties vast stelt, deel uitmaken van de destijds aan [appellante] uitgebrachte offerte. Ook dit een en ander wijst op het tegendeel van de stelling dat destijds met betrekking tot de vloerbedekking niet met [appellante], doch met [bedrijf x] een overeenkomst is gesloten. Het hof volgt in dit verband dan ook niet [appellante] waar deze zich de facto bepaalt tot de blote opmerking dat facturen verzonden worden aan de contractuele wederpartij, “niet meer en niet minder” (memorie van grieven punt 35).

15. In tijd onverenigbaar met de boven weergegeven opstelling dat al ten tijde van de e-mailwisseling op 26 september 2008, een overeenkomst zou bestaan tussen [geïntimeerde] en [bedrijf x], is voorts de stelling van [appellante] dat de thans bedoelde overeenkomst tot stand is gekomen door een aanbod zijdens [geïntimeerde] d.d. 2 december 2008, welk aanbod door [bedrijf x] is aanvaard op 17 december 2008 (zie memorie van grieven punt 26).

16. In dit verband merkt [appellante] als “aanbod” aan een schriftelijk stuk d.d. 2 december 2008 getiteld “orderbevestiging” (inleidende dagvaarding, productie 11), terwijl een (intern) stuk van [bedrijf x] d.d. 17 december 2008 met het opschrift “Bestelbon” (conclusie van antwoord in prima, productie 1) door [appellante] wordt aangemerkt als de daarop aansluitende aanvaardingshandeling aan de zijde van [bedrijf x]. Nu evenwel een orderbevestiging naar ervaringsregels betrekking heeft op het bevestigen van een voordien reeds tot stand gekomen overeenkomst (opdracht), waarmee onverenigbaar is dat de opdrachtbevestiging de functie heeft van een aanbod (voorstel) tot het sluiten van een overeenkomst (vergelijk de omschrijving van het begrip “aanbod” in art. 14 CISG), volgt het hof [appellante] niet in haar opstelling dat zij niet aan [geïntimeerde] gebonden is omdat zou blijken van een op 17 december 2008 “perfect” (memorie van grieven punt 14) tot stand gekomen overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [bedrijf x].

17. Naast het voorgaande leest het hof in de grieven 1 en 2 en de daarop gegeven toelichting, geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg zijn aangevoerd en gemotiveerd zijn beoordeeld, in welk verband het hof die motivering overneemt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat – als door [geïntimeerde] genoegzaam feitelijk onderbouwd en door [appellante] niet toereikend weersproken – is komen vast te staan dat de overeenkomst met betrekking tot de vloerbedekking tussen [geïntimeerde] en [appellante] tot stand is gekomen, terwijl de aanwijzing van [bedrijf x] als “factuuradres” deel uitmaakt van de uitvoering van die overeenkomst en geenszins verband houdt met een pretense overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [bedrijf x]. Mitsdien onderschrijft het hof de conclusie van de rechtbank (vonnis r.o. 5.7) dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen die voor [appellante] een betalingsverplichting jegens [geïntimeerde] tot gevolg heeft.

De daartegen gerichte grieven missen doel.

18. Grief 3 strekt ten betoge – kortweg – dat de rechtbank ten onrechte niet (alsnog) [geïntimeerde] heeft opgedragen de grondslag en het bestaan van haar vorderingsrecht te bewijzen, terwijl [appellante] er met grief 4 over klaagt dat de rechtbank ten onrechte het bewijsaanbod van [appellante] heeft gepasseerd.

19. Uitgangspunt bij de verdeling van de bewijslast is de in artikel 150 Rv vervatte hoofdregel, die er in casu op neerkomt dat [geïntimeerde] het bewijs dient bij te brengen van het bestaan van de overeenkomst waarop zij haar vorderingen doet steunen. De grieven missen niettemin doel, nu op basis van de gedingstukken moet worden geoordeeld – zakelijk weergegeven – dat bedoeld bewijs door [geïntimeerde] genoegzaam is geleverd, hetgeen reeds mede volgt uit het oordeel van het hof dat de grieven 1 en 2 vergeefs zijn voorgedragen. Overigens bevat het bewijsaanbod van [appellante] niet zodanige op de feitelijke gang van zaken toegespitste feiten of omstandigheden, dat deze – indien bewezen – zouden kunnen leiden tot een andere uitkomst van het geding. Daarnaast overweegt het hof dat de juridische kwalificatie van feiten en omstandigheden behoort tot de rechterlijke taak en zich niet leent voor bewijslevering door partijen (zie o.m. HR 10-12-1993, NJ 1994, 192).

20. Met grief 5 keert [appellante] zich tegen de beslissing van de rechtbank tot toewijzing aan [geïntimeerde] van de buitengerechtelijke (incasso)kosten.

21. Zoals blijkt uit de inleidende dagvaarding alsmede uit r.o. 3.1 sub 3 van het beroepen vonnis, heeft de desbetreffende vordering van [geïntimeerde] een beloop van € 1.190,--.

22. Nu het hof evenwel in het dictum van het beroepen vonnis niet een op [appellante] rustende veroordeling tot betaling aan [geïntimeerde] van genoemd bedrag heeft aangetroffen, mist [appellante] belang bij de grief.

23. De slotsom op basis van het bovenoverwogene luidt aldus. Geen van de door [appellante] voorgedragen grieven kan leiden tot vernietiging van het beroepen vonnis. Dat brengt met zich dat het vonnis, voor zover onderworpen aan het hoger beroep, zal worden bekrachtigd.

24. De vordering van [appellante] tot – kortweg – terugbetaling van al hetgeen zij op basis van het beroepen vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, ontbeert wegens de bekrachtiging van dat vonnis elke grondslag. Mitsdien komt deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking.

25. Waar [geïntimeerde] in de punten 89 e.v. van de memorie van antwoord nog de gronden van haar eis heeft aangevuld – naar het hof begrijpt zonder daarmee een wijziging in het dictum van het beroepen vonnis na te streven, zodat in zoverre geen sprake is van een (verkapt) incidenteel appel – zal het hof daaraan voorbij gaan nu [geïntimeerde] kennelijk heeft beoogd deze aanvulling van haar eis te verbinden aan de voorwaarde dat het hof zou oordelen dat er tussen haar en [appellante] geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, welke voorwaarde, zoals uit het voorgaande blijkt, evenwel niet is vervuld.

26. Als de in het ongelijk te stellen partij, zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (1 punt in tarief III, uitvoerbaar bij voorraad).

27. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet ter zake dienende, buiten bespreking blijven.

28. Voor het honoreren van enig bewijsaanbod bestaat in het licht van het boven overwogene geen plaats.

De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 26 januari 2011, voor zover onderworpen aan het hoger beroep;

wijst af hetgeen [appellante] in hoger beroep meer of anders heeft gevorderd;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] te begroten op € 1.769,= aan vast recht en € 1.158,-- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen mrs. E.J. van Sandick, G.J. Knijp en C.J.J.C. van Nispen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2012.