Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX4103

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
BK 11/00194 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt in hoger beroep verdeeld of de voorlopige aanslag IB/PVV 2007 (en de daarbij behorende beschikking heffingsrente) en definitieve aanslag IB/PVV 2007 juist zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de over het jaar 2007 teveel ingehouden bijdrage Zvw reeds bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2007 in aanmerking moet worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 2229 met annotatie van Schouten
FutD 2012-2061 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2012/1966

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 11/00194 en 11/00195

uitspraakdatum: 7 augustus 2012

Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden

de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 april 2011, nummer AWB 09/308, in het geding tussen de Inspecteur en

X, te Z

belanghebbende

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het jaar 2007 met dagtekening 6 juni 2008 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.233. Tevens is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 69. Met dagtekening 24 oktober 2008 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de (definitieve) aanslag IB/PVV 2007 opgelegd, eveneens naar een belastbaar inkomen van € 58.233. Hierbij is geen heffingsrente berekend.

1.2 Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen voornoemde aanslagen. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de (definitieve) aanslag IB/PVV 2007 gehandhaafd. De Inspecteur heeft geen uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2007.

1.3 Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 28 april 2011 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de belastingaanslagen IB/PVV 2007 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.206, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en gelast dat hij het griffierecht aan belanghebbende vergoedt.

1.4 De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Hierop heeft de Inspecteur gereageerd.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2012 te Leeuwarden. Namens de Inspecteur is verschenen A. Belanghebbende is ook verschenen.

1.6 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1 Belanghebbende heeft in het jaar 2007 vier dienstbetrekkingen, waaruit hij loon uit tegenwoordige diensbetrekkingen heeft genoten. De vier inhoudingsplichtigen hebben aan de Inspecteur te kennen gegeven dat belanghebbende de volgende looninkomsten heeft genoten waarbij zij als inhoudingsplichtigen de navolgende inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (bijdrage Zvw) aan belanghebbende hebben afgedragen en vergoed:

inhoudingsplichtige loon ingehouden bijdrage Zvw

B -/- € 49 € 0

C € 2.440 € 149

C € 4.779 € 292

D € 51.192 € 1.991

E € 9.292 € 584

2.2 Met dagtekening 7 juli 2008 heeft Belastingdienst/Rivierenland EBV/EPV te Nijmegen aan belanghebbende een Mededeling Loonheffingen Bijdrage Zorgverzekeringswet gestuurd. Volgens deze Mededeling hebben de vier inhoudingsplichtigen van belanghebbende over het jaar 2007 in totaal € 1.027 teveel bijdrage Zvw bij belanghebbendes loon geteld (aan hem vergoed) en afgedragen. In datzelfde bericht heeft de Belastingdienst een specificatie gegeven van de teruggave bijdrage Zvw van in totaal € 1.027. Deze teruggave heeft plaatsgevonden aan de inhoudingsplichtigen. De specificatie is als volgt:

Inhoudingsplichtige ingehouden bijdrage Zvw teruggave

C € 149 € 51

C € 292 € 100

D € 1.990 € 677

E € 584 € 199

Totaal € 1.027

2.3 De in 2.2 opgenomen teruggaven hebben na het jaar 2007 plaatsgevonden. Twee van de inhoudingsplichtigen hebben de teruggave met belanghebbende verrekend en per saldo als negatief loon in aanmerking genomen, één inhoudingsplichtige heeft de teruggave niet verrekend en één inhoudingsplichtige heeft de teruggave verrekend in de vorm van een declaratie.

3. Geschil

3.1 Partijen houdt in hoger beroep verdeeld of de voorlopige aanslag IB/PVV 2007 (en de daarbij behorende beschikking heffingsrente) en definitieve aanslag IB/PVV 2007 juist zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de over het jaar 2007 teveel ingehouden bijdrage Zvw reeds bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2007 in aanmerking moet worden genomen.

3.2 De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend, belanghebbende bevestigend.

3.3 In incidenteel hoger beroep heeft belanghebbende verzocht om een schadevergoeding wegens immateriële schade.

3.3 De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, ongegrond verklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep en afwijzing van belanghebbendes verzoek om een schadevergoeding. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en om toekenning van zijn verzoek om een schadevergoeding.

4. Beoordeling van het geschil

Voorlopige aanslag IB/PVV 2007 en de aanslag IB/PVV 2007

4.1 Op het bezwaar van belanghebbende tegen de voorlopige aanslag heeft de Inspecteur geen uitspraak gedaan. Nu de voorlopige aanslag is opgelegd naar hetzelfde bedrag aan belastbaar inkomen uit werk en woning als de definitieve aanslag en de voorlopige aanslag geheel verrekend is met de definitieve aanslag, zal het Hof mede op verzoek van partijen om proceseconomische redenen ook uitspraak doen inzake de voorlopige aanslag. De overwegingen van het Hof in het hierna volgende gelden dan ook zowel ten aanzien van de voorlopige aanslag IB/PVV 2007 als ten aanzien van de (definitieve) aanslag IB/PVV 2007.

Omtrent het eigenlijke geschil

4.2 In de onderhavige aanslag IB/PVV is ingevolge artikel 3:81 Wet inkomstenbelasting 2001 het loon in aanmerking genomen volgens de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Een deel van het in de onderhavige aanslagen in aanmerking genomen loon is de door de inhoudingsplichtigen aan belanghebbende toegekende vergoeding van de bijdrage Zvw (zie hierna).

4.3 Belanghebbende is over het jaar 2007 een verzekeringsplichtige voor de Zvw en uit hoofde daarvan is hij een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd. Deze bijdrage is bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de loonbelasting geldende regels (artikelen 41, 42, 43, eerste lid en onder a, 49, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet). De inhoudingsplichtigen van belanghebbende hebben de bijdrage Zvw 2007 in dat jaar ingehouden en op aangifte afgedragen.

4.4 Belanghebbende heeft de door hem over 2007 verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage Zvw volledig vergoed gekregen van de inhoudingsplichtigen (artikel 46, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet).

4.5 Gelet op de omstandigheid dat de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw over een jaar wordt geheven over een maximum bedrag aan bijdrage-inkomen van dat jaar (artikelen 42, 43, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet) is, nu de totale looninkomsten van belanghebbende over 2007 hoger zijn dan het maximale bijdrage-inkomen over 2007, ten aanzien van hem over het jaar 2007 tot een te hoog bedrag aan bijdrage Zvw ingehouden en afgedragen. Dit houdt mede in dat de inhoudingsplichtigen tot een te hoog bedrag aan inkomensafhankelijke bijdrage Zvw in het jaar 2007 aan belanghebbende hebben vergoed. Overeenkomstig artikel 50, vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet heeft de Inspecteur de teruggave van de teveel ingehouden en vergoede bijdrage Zvw na afloop van het jaar 2007 verleend aan de inhoudingsplichtigen.

4.6 De Zorgverzekeringswet noch daarop gebaseerde regelingen kennen de mogelijkheid ingeval van meerdere inhoudingsplichtigen van wie loon uit tegenwoordige dienstbetrekkingen wordt genoten in het jaar zelf al rekening te houden met de teruggave van teveel ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. In de totstandkomingsgeschiedenis van de Zorgverzekeringswet is het volgende daarover opgemerkt:

“Met deze wijziging wordt de mogelijkheid om teruggave te vragen van het bedrag van de teveel ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage in overeenstemming gebracht met de regeling zoals die geldt in de Wfsv. Dat betekent dat het verzoek om teruggave pas na afloop van het kalenderjaar kan worden ingediend. Naast het feit dat de in eerste instantie opgenomen mogelijkheid om dit verzoek voorafgaand aan of in de loop van het kalenderjaar in te dienen een afwijking van het systeem van de Wfsv betekende, waren aan die mogelijkheid ook grote uitvoeringstechnische bezwaren verbonden.

Indien is vastgesteld dat teveel inkomensafhankelijke bijdrage is ingehouden, staat in de situatie dat de inhoudingsplichtige een vergoeding voor die inkomensafhankelijke bijdrage aan de werknemer heeft gegeven tevens vast dat een te hoge vergoeding is verstrekt. Gelet op het feit dat de teruggaaf van de teveel ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage aan de inhoudingsplichtige plaatsvindt, ontstaat op dat moment derhalve enerzijds een recht van de werknemer op de uitbetaling van dit bedrag door de inhoudingsplichtige en anderzijds tot hetzelfde bedrag een recht van de inhoudingsplichtige op de terugbetaling van het ten onrechte uitbetaalde deel van de vergoeding. De terugbetaling van de ten onrechte ontvangen vergoeding leidt tot negatief loon voor de werknemer. Dit is eveneens het geval indien deze terugbetaling plaatsvindt in de vorm van een uitsluitend boekhoudkundige verrekening met de teveel ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage.”

(Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 30 124, nr. 3, bladzijde 32)

4.7 Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Zorgverzekeringswet blijkt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het verlenen van de teruggave bijdrage Zvw aan een inhoudingsplichtige in plaats van aan de verzekeringsplichtige met het oog op een verrekening van deze teruggave tussen de inhoudingsplichtige en de verzekeringsplichtige. Deze verrekening kan pas na afloop van het kalenderjaar plaatsvinden, omdat een inhoudingsplichtige pas na kennisgeving van de Belastingdienst weet of er verrekend moet worden en zo ja, welk bedrag verrekend moet worden. De terugbetaling van de ten onrechte ontvangen vergoeding kan derhalve pas als negatief loon in aanmerking worden genomen na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.

4.8 Ingevolge artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, is het aan de rechter om volgens de wet recht te spreken. De rechter mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Dit laatste is slechts voorbehouden aan de wetgever. Dat de wetgever zich het probleem van de teveel ingehouden bijdrage Zvw heeft gerealiseerd en een voorschotregeling ten aanzien van andere, voornamelijk gepensioneerde, verzekeringsplichtigen in het leven heeft geroepen, maakt niet dat het ontbreken daarvan voor belanghebbende een reden voor de belastingrechter vormt om de wet niet toe te passen.

Heffingsrente

4.9 Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de bij de voorlopige aanslag IB/PVV 2007 in rekening gebrachte heffingsrente, zodat het Hof deze in stand zal laten. Belanghebbende heeft wel aangevoerd dat de (eventuele) vergoede heffingsrente inzake de teruggave bijdrage Zvw, die ontvangen zou zijn door de inhoudingsplichtigen, ten onrechte niet aan hem ten deel is gevallen. Voor deze klacht in de onderhavige procedure is naar het oordeel van het Hof geen plaats. De teruggave van de - over de teruggave van teveel ingehouden loonheffing over de bijdrage Zvw berekende - heffingsrente maakt deel uit van de onderlinge verrekening van de vorderingen tussen de inhoudingsplichtigen en de verzekeringsplichtige. Voor de terugbetaling van deze heffingsrente dient belanghebbende zich tot de inhoudingsplichtigen te wenden.

Schadevergoeding

4.10 Belanghebbende verzoekt in het incidentele hoger beroep om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Zijn verzoek om een immateriële schadevergoeding heeft belanghebbende blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken, zodat in beginsel dit verzoek in hogere instantie niet weer mag worden opgevoerd. Nu belanghebbende als reden voor herleving van zijn verzoek, naar het Hof begrijpt, mede opvoert de na de zitting van de Rechtbank opgetreden vertraging in het doen van uitspraak door de Rechtbank, staat het Hof toe dat belanghebbende zijn verzoek om schadevergoeding opnieuw doet. Naar het Hof begrijpt, klaagt belanghebbende zowel over de duur van de bezwaarfase als over de duur van de gerechtelijke procedure en verzoekt hij zowel om vergoeding van schade geleden door de duur van de bezwaarprocedure als om vergoeding van schade geleden door de duur van de gerechtelijke procedure. Het Hof bepaalt dat het onderzoek na de hierna vermelde datum van de beslissing zal worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de verzoeken van belanghebbende. Het Hof zal alsdan, naast de Inspecteur, de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen, voor zover dit het verzoek betreft tot vergoeding van schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn in de gerechtelijke procedure.

4.11 Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor de vergoeding van proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan te Leeuwarden door mr. P. van der Wal, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2012.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 augustus 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.