Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX3724

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
200.088.938/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over eindafrekening na beëindiging dienstbetrekking. Terugvordering door werkgever teveel betaald salaris? Strijd met goed werkgeverschap? In dit geval geen strijd met goed werkgeverschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0741
Prg. 2012/250

Uitspraak

Arrest d.d. 7 augustus 2012

Zaaknummer 200.088.938/01

(zaaknummer rechtbank: 474388 CV EXPL 10-16982)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. B. van Dijk, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

niet verschenen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 17 maart 2011 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 juni 2011 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 12 juli 2011.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

“het vonnis waarvan appèl te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de reconventionele vordering in eerste aanleg van geïntimeerde af te wijzen en geïntimeerde dientengevolge te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen uit het vonnis waarvan appèl door appellante is voldaan, met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten van beide instanties.”

Ten slotte heeft [appellante] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft één grief opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten is niet gegriefd. Deze feiten komen, voor zover in hoger beroep nog van belang, en samen met wat in hoger beroep is komen vast te staan, op het volgende neer.

1.1. [appellante] is in de periode van 1 juli 2006 tot 1 mei 2010 bij [geïntimeerde] in dienst geweest als top stylist. Na beëindiging van de arbeidsrelatie is tussen partijen verschil van mening ontstaan over de eindafrekening.

1.2. Op of omstreeks 29 april 2010 is een bedrag van € 2.000,- aan [appellante] overgemaakt met het bijschrift “salaris”.

1.3. In een e-mail van 18 oktober 2010 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aan de gemachtigde van [appellante], voor zover van belang, het volgende bericht:

“(…)Er is enkele dagen geleden € 1471,60 overgemaakt aan uw cliënte. Dit is het nu berekende, volgens cliënt juiste bedrag van € 2971,60 minus het nettobedrag van € 1500,- dat reeds zou zijn overgemaakt aan uw cliënte. Naar aanleiding van het door u genoemde bedrag van € 2.000,- dat reeds zou zijn overgemaakt, heb ik cliënt verzocht mij het transactieoverzicht over de betreffende periode te sturen. Hierop is inderdaad te zien dat € 2000 aan uw cliënte is overgemaakt. Cliënt heeft zich dus vergist en heeft een te grote nabetaling gedaan. De juiste zou immers zijn € 2971,60 minus € 2000,- = € 971,60. Er is dus € 500,- teveel overgemaakt.(…)”

In deze e-mail wordt verwezen naar de "uitleg van de accountant", die is gedateerd 6 oktober 2010.

De vordering en beoordeling in eerste aanleg

2. [appellante] heeft haar hoger beroep beperkt tot het vonnis in reconventie. In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd dat de kantonrechter [appellante] veroordeelt tot betaling aan hem, [geïntimeerde], van een bedrag van netto € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in reconventie.

3. De kantonrechter heeft de vordering in reconventie toegewezen, met uitzondering van de proceskosten, die door de kantonrechter zijn gecompenseerd. Daartoe is overwogen dat [appellante] rekening had moeten houden met het feit dat nog verrekening van een bedrag van € 500,- moest plaatsvinden, omdat zij geen specificatie van het voorschot van € 2.000,- had gekregen en omdat aan haar duidelijk was dat bij de berekening door de accountant een vergissing was gemaakt. Het aldus onverschuldigd aan [appellante] betaalde bedrag van € 500,- diende daarom te worden terugbetaald aan [geïntimeerde].

Bespreking van de grief

4. Met haar grief betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte de reconventionele vordering heeft toegewezen, omdat aan terugvordering van het bedrag van € 500,- aan teveel betaald salaris goed werkgeverschap in de weg staat. Ter onderbouwing daarvan heeft [appellante] op de volgende omstandigheden gewezen:

- zij kon op geen enkele wijze vermoeden dat aan haar te veel zou zijn betaald,

althans zij kon op geen enkele wijze de hoogte van het te veel betaalde bedrag

achterhalen;

- het was [appellante] niet duidelijk dat de accountant in zijn berekening een fout

had gemaakt;

- uit de verklaring van de accountant blijkt niet dat [appellante] € 500,- te veel had

ontvangen;

- die vergissing van de accountant is [appellante] niet toe te rekenen;

- [geïntimeerde] is niet direct na de berekening door de accountant tot betaling van het

bedrag dat hij nog aan [appellante] verschuldigd was, overgegaan.

4.1. De grief faalt. Daartoe stelt het hof voorop dat tussen partijen vaststaat dat de accountant van [geïntimeerde] bij het samenstellen van de eindafrekening ten onrechte ervan was uitgegaan dat aan [appellante] op enig moment een bedrag van

€ 1.500,- was betaald terwijl dit later een bedrag van € 2.000,- bleek te zijn geweest, overgemaakt op of rond 29 april 2010 (de onder de feiten sub 1.2 bedoelde betaling). Het bedrag van € 500,- is dan ook onverschuldigd aan [appellante] betaald.

4.2. In tegenstelling tot wat [appellante] lijkt te betogen, heeft die onverschuldigde betaling plaatsgevonden in het kader van de uitbetaling van hetgeen [geïntimeerde] op basis van de berekening van zijn accountant nog dacht aan [appellante] verschuldigd te zijn. Uit de stukken kan immers genoegzaam worden afgeleid dat op of daags voor 18 oktober 2010 een bedrag van € 1.471,60 aan [appellante] is overgemaakt en dat dit bedrag het resultaat is van de hiervoor bedoelde onjuiste berekening door de accountant van [geïntimeerde]. Omdat deze gang van zaken in de bij de feiten aangehaalde e-mail van 18 oktober 2010 duidelijk aan de gemachtigde van [appellante] is uitgelegd en de inhoud van deze e-mail niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, gaat het hof voorbij aan [appellante]'s betoog dat niet duidelijk was dat de accountant zich op dit punt had vergist.

4.3. Terugvordering door een werkgever van een onverschuldigd betaald bedrag kan onder omstandigheden in strijd met goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek zijn. De door [appellante] genoemde omstandigheid dat de fout van de accountant haar niet toe te rekenen is, is geen omstandigheid die meebrengt dat [geïntimeerde] niet als goed werkgever handelt door aanspraak te maken op terugbetaling van het als gevolg van die fout onverschuldigd betaalde bedrag. Wat [appellante] beoogt met haar opmerking "dat [geïntimeerde] na de berekening van de accountant niet prompt tot betaling van meergenoemd bedrag is overgegaan" begrijpt het hof niet. Niet in geschil is immers dat [geïntimeerde] op grond van de op 6 oktober 2011 verstrekte uitleg van zijn accountant, op of rond 18 oktober 2010 het door de accountant berekende bedrag van € 1.471,60 aan [appellante] heeft voldaan. Nog diezelfde dag is, in de in r.o. 1.3 aangehaalde e-mail, aan de gemachtigde van [appellante] meegedeeld dat er € 500,- teveel was betaald. [geïntimeerde] heeft de fout, bestaande uit betaling van € 500,- teveel, dan ook onmiddellijk hersteld. Toen zij het bedrag ontving, of kort daarna, wist [appellante] dat zij teveel ontvangen had. Onder deze omstandigheden staat goed werkgeverschap niet aan terugvordering van dat onverschuldigd betaalde bedrag in de weg.

Slotsom

5. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het hof het vonnis van de kantonrechter in reconventie, bekrachtigt. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] te begroten op nihil.

Beslissing

Het gerechtshof:

Bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Aldus gewezen door mrs. H. de Hek, voorzitter, M.C.D. Boon-Niks en

E.C. Smits en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 7 augustus 2012 in bijzijn van de griffier.