Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX2674

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
200.103.441/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 3 juli 2012

Zaaknummer 200.103.441

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.H. Tjabringa, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe,

kantoorhoudende te Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

Belanghebbenden:

1. Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming Zwolle, namens Bureau Jeugdzorg Groningen,

kantoorhoudende te Zwolle,

hierna te noemen: SGJ,

2. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

3. [pleegouders],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 13 december 2011 (zaaknummer 189099 / FA RK 11-3246) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, het verzoek van de raad om de ouders te ontheffen van het gezag over de minderjarige [kind], geboren [in 2007], toegewezen. De rechtbank heeft Bureau Jeugdzorg Groningen benoemd tot voogd over [kind], uit te voeren door SGJ. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 12 maart 2012, heeft de moeder verzocht de beschikking van 13 december 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de raad tot ontheffing van de moeder uit het ouderlijk gezag over [kind] alsnog af te wijzen, alsmede af te wijzen het verzoek dat BJZ belast wordt met de voogdij, uit te voeren door SGJ.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 23 april 2012, heeft de raad het verzoek bestreden en verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en deze beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief, met bijlagen, tevens verzonden per fax, van 20 april 2012 van SGJ en een brief, met bijlagen, tevens verzonden per fax, van 8 juni 2012 van mr. Tjabringa.

Ter zitting van 21 juni 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de heer Wouters namens de raad. Als belanghebbenden zijn verschenen mevrouw F.J. Dijkstra namens SGJ, de vader en de pleegouders.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Uit het huwelijk tussen de vader en de moeder is [kind] geboren. De vader en de moeder waren tot de datum van de bestreden beschikking gezamenlijk met het gezag over [kind] belast.

2. Bij beschikking van 4 maart 2009 van de rechtbank Assen is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Deze beschikking is op 25 maart 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. [kind] is bij beschikking van 6 december 2007 van de kinderrechter in de rechtbank Assen voorlopig onder toezicht gesteld van SGJ. Op 5 maart 2008 is de definitieve ondertoezichtstelling van [kind] uitgesproken voor een termijn van een jaar. De termijn van de ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van 28 april 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, verlengd tot 5 mei 2012.

4. Bij beschikking van 6 december 2007 heeft de kinderrechter in de rechtbank Assen SGJ gemachtigd [kind] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg 24-uurs. [kind] was op dat moment 9 maanden oud. De machtiging tot uithuisplaatsing machtiging is steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 28 april 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, tot 5 mei 2012.

5. Bij verzoekschrift d.d. 15 augustus 2011 heeft de raad een verzoek ingediend om bij beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - de ouders (gedwongen) te ontheffen van het gezag over [kind].

6. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder het kopje "Het geding in eerste aanleg". De moeder heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld.

De overwegingen

7. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 BW kan een ouder worden ontheven van het gezag over zijn kind op de grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Op grond van het bepaalde in artikel 1:268 lid 1 BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich tegen de ontheffing verzet. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien er sprake is van een van de situaties als bedoeld in lid 2 onder a tot en met d van dit artikel.

8. Op grond van artikel 1:268 lid 2 onder a BW kan een ontheffing ondanks verzet van de ouder worden uitgesproken indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

9. Vast staat dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] inmiddels langer hebben geduurd dan de hiervoor genoemde termijnen. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn in beginsel van tijdelijke aard en dienen gericht te zijn op (het werken aan) de terugkeer van het kind naar de ouder. Deze maatregelen kunnen in situaties als de onderhavige niet eindeloos worden verlengd. Op enig moment dient er duidelijkheid te komen over de (verblijf)situatie van de kinderen tot hun meerderjarigheid.

10. Weliswaar is uit de stukken gebleken dat de moeder zich de afgelopen periode positief heeft ontwikkeld, maar het hof is met de raad van oordeel dat dit niet betekent dat de moeder ook in staat is om [kind] op te voeden en te verzorgen. Uit het in 2008 uitgevoerde raadsonderzoek is naar voren gekomen dat de moeder ernstige psychiatrische problematiek kent. Zij heeft een dysthyme stoornis met een passieve agressieve persoonlijkheid. Daarnaast heeft de raad in zijn onderzoek geconstateerd dat er bij de moeder sprake is van eenzaamheidsproblematiek en borderline-trekken in haar persoonlijkheid en mogelijk ADHD. Verder toont de moeder geen inzicht in haar eigen problematiek en de fysieke en sociaal-emotionele ontwikkelingsbedreiging van [kind]. Tevens is tijdens het onderzoek vastgesteld dat het de moeder aan opvoedkundige kwaliteiten en inzicht in de belevingswereld van [kind] ontbreekt.

De moeder heeft een second opinion aangevraagd en naar aanleiding hiervan is door een GZ-psycholoog, [naam], op 19 april 2011 een forensisch gedragswetenschappelijk onderzoek verricht. Naar het oordeel van het hof wordt in het verslag van dit onderzoek de hierboven vermelde door de raad vastgestelde problematiek onvoldoende weerlegd. In het verslag wordt bevestigd dat er bij de moeder sprake is van een dysthyme stoornis (depressie) mede als gevolg van de negatieve ervaringen die de moeder eerder in haar leven heeft meegemaakt. Weliswaar wordt in het verslag ook verklaard dat de moeder qua persoonlijkheidstructuur voldoende in staat blijkt te zijn om zelf zorg te kunnen dragen voor de opvoeding van [kind], maar er wordt echter ook opgemerkt dat er een voorbehoud moet worden gemaakt omdat er geen observatie-interactie onderzoek is gedaan en [kind] ook niet is onderzocht. De bovengenoemde conclusie omtrent het al dan niet in staat zijn van de moeder om de opvoeding van [kind] op zich te nemen is ook onder het voorbehoud dat er sprake is van een normale problematiek of ontwikkeling bij [kind]. Voorts wordt het door de GZ-psycholoog noodzakelijk geacht bij terugplaatsing van [kind] ambulante gezinsbegeleiding in te zetten.

11. Het hof is van oordeel dat, wat er ook zij van de algemene opvoedingsvaardigheden van de moeder, uit de overige stukken is gebleken dat [kind] kennelijk zo is getraumatiseerd door hetgeen zij heeft meegemaakt voordat zij uit huis werd geplaatst, dat onvoldoende is gebleken dat de moeder in staat is om thans of op langere termijn [kind] op te voeden, mede gelet op het gedrag en de problematiek van [kind], die niet als normale problematiek of een normale ontwikkeling kunnen worden beschouwd. Zo heeft SGJ bij brief van 20 april 2012 verklaard dat de reactie van [kind] op het contact met haar ouders zeer verontrustend is. Hierin laat zij volgens SGJ zorgelijk gedrag zien, wat haar ontwikkeling op dit moment in de weg staat. Hoewel beide ouders hun best doen om de aanwijzingen van de gezinsvoogdijmedewerker op te volgen, heeft dit naar de mening van SGJ niet geleid tot verbetering van het contact tussen [kind] en haar ouders. De moeder kent soms een andere oorzaak toe aan de zorgsignalen van [kind] dan SGJ. Hoewel de moeder over het algemeen wel aansluit bij [kind] in het contact, is volgens SGJ - en dit hebben de pleegouders ter zitting in hoger beroep bevestigd - de reactie van [kind] op de bezoeken niet verminderd. [kind] laat drie van de zes weken na een omgang een behoorlijke terugval zien. Zo plast zij zowel overdag als 's nachts in haar broek/bed. Ook heeft zij nachtmerries nadat er een bezoek heeft plaatsgevonden. [kind] is de dagen na een bezoek van slag, ze is dan onzeker en er is sprake van toenemende angst en dwanghandelingen. Ter zitting hebben de pleegouders hieraan onder meer toegevoegd dat [kind] in de eerste weken na de omgang hetzelfde gedrag vertoont als dat ze vertoonde toen ze bij de pleegouders werd geplaatst. Zo huilt [kind] niet op momenten dat ze wel reden heeft om te huilen. Deze signalen laat [kind] sinds mei 2011 zien, ook wanneer zij alleen bezoek van haar moeder had gehad en niet van haar vader. Daarom heeft SGJ in april 2012 besloten de bezoekregeling - die in mei 2009 was verminderd van eenmaal in de drie weken naar eenmaal in de zes weken - te wijzigen van eenmaal in de zes weken naar eenmaal in de drie maanden. Verder heeft SGJ in haar brief verklaard dat de moeder tijdens het bezoek iets kan uitspreken waar [kind] mee belast wordt. De moeder lijkt op dergelijke momenten volgens SGJ niet in te zien wat dit met [kind] doet. De ouders denken en handelen onvoldoende in het belang van [kind] en begrijpen niet goed wat in het belang van [kind] is. Hierdoor komt de ontwikkeling van [kind] volgens SGJ in gevaar.

Op grond van het voorgaande is het hof met de raad en SGJ van oordeel dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van [kind] te vervullen.

12. Het hof neemt voorts in aanmerking dat [kind], inmiddels vijf jaar oud, al vanaf haar negende levensmaand bij de pleegouders woont, waar haar de voor haar ontwikkeling benodigde stabiliteit en veiligheid wordt geboden. [kind] ontwikkelt zich positief bij de pleegouders en is aan haar pleegouders gehecht. Een terugkeer van [kind] naar de moeder zou haar leefwereld en veiligheidsbeleving dusdanig aantasten dat dit schadelijk is voor de ontwikkeling van [kind]. [kind] is gebaat bij een stabiel verblijf bij de pleegouders, continuering van de huidige opvoedingssituatie en voortzetting van een ongestoord hechtingsproces. Het hof is dan ook met de raad van oordeel dat het perspectief van [kind] blijvend niet bij de moeder ligt, maar bij het pleeggezin. Het is in het belang van [kind] dat haar plaatsing bij het pleeggezin kan worden bestendigd en dit belang dient naar het oordeel van het hof zwaarder te wegen dan het belang van de moeder om het gezag te behouden.

13. Nu de moeder ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en het perspectief van [kind] blijvend niet bij de moeder is gelegen, is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende zijn om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Naar het oordeel van het hof zijn alle betrokkenen, met name [kind] en de pleegouders, gebaat bij duidelijkheid en zekerheid omtrent het toekomstperspectief van [kind]. Deze duidelijkheid zal positief bijdragen aan de ontwikkeling van [kind]. Het belang van [kind] verzet zich derhalve niet tegen een ontheffing van de moeder van het gezag over haar.

14. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor de verzochte ontheffing is voldaan en dat het primaire verzoek van de moeder om haar niet te ontheffen van het gezag over [kind] moet worden afgewezen. Ter zitting heeft de moeder, mede onder verwijzing naar een uitspraak van het hof 's-Hertogenbosch van 17 april 2012, subsidiair verzocht opdracht te geven tot nader onderzoek naar de vraag of de moeder ongeschikt of onmachtig is om [kind] op te voeden. Het hof wijst dit verzoek af nu op grond van het hierboven onder 10 en 11 overwogene voldoende is komen vast te staan dat de moeder ongeschikt of onmachtig is om [kind] op te voeden.

Slotsom

15. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, J.D.S.L. Bosch en K.R. Kuiken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 3 juli 2012 in bijzijn van de griffier.