Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX1987

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
107.001.741/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na onttrekking van de advocaat, wordt door appellant niet verder geprocedeerd. Het hof doet de zaak af op de beschikbare stukken en verwerpt - voortbordurend op een eerder tussenarrest - het principaal appel wegens gebrek aan belang. Het incidenteel appel, waarin een beroep wordt gedaan op verrekening met reeds verjaarde dwangsommen, slaagt. Art. 6:131 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 10 juli 2012

Zaaknummer 107.001.741/01

(zaaknr. rechtbank: 293769 \ CV EXPL 06-5450)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: laatstelijk mr. S. Wiersma, kantoorhoudende te Groningen, die zich heeft onttrokken,

tegen

N.V. Wonen boven Winkels Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: WbW,

advocaat: mr. J.F. Rouwé-Danes, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 18 januari 2011 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

in het principaal en het incidenteel appel

De zaak stond op de rol van 15 februari 2011 voor het nemen van een akte door [appellant], maar op genoemde datum heeft de advocaat van [appellant], mr. Wiersma, zich onttrokken.

Vervolgens is voor het stellen van een advocaat en het alsnog nemen van bedoelde akte uitstel verleend aan [appellant]. Omdat zich geen nieuwe procesvertegenwoordiger heeft gesteld voor [appellant], is de zaak vervolgens conform art. 6.4 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr) voor 53 weken aangehouden en verwezen naar de rol van 6 maart 2012.

Op laatstgenoemde roldatum heeft zich geen nieuwe procesvertegenwoordiger gesteld voor [appellant]. Ook nadien is dat niet gebeurd en vervolgens heeft WbW op de rol van 17 april 2012 arrest gevraagd en hiertoe de stukken overgelegd. In het door WbW overgelegde procesdossier ontbreekt het tussenarrest van 6 augustus 2008, waarvoor het hof zal putten uit het griffiedossier.

De verdere beoordeling

in het principaal en het incidenteel appel

1 In het tussenarrest van 18 januari 2011 heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

(a) [appellant] heeft naar 's hofs voorlopig oordeel geen belang meer bij de beoordeling van de vraag of ontbinding van de huurovereenkomst ook op de door de kantonrechter in het vonnis van 12 april 2007 verwoorde gronden gerechtvaardigd is, tenzij de grond waarop de ontruiming is gelast - de occupatie van de kelderruimte - alsnog in een (bodem)procedure ter discussie wordt gesteld, en

(b) voor zover partijen ook grieven hebben gericht tegen de voorlopige beslissingen van de kantonrechter in zijn tussenvonnis van 12 april 2007 over de verschuldigde huurprijs en de over en weer verschuldigde vergoedingen, lijkt het het hof praktisch om bij de beoordeling daarvan ook te kijken naar het inmiddels gewezen eindvonnis van de kantonrechter van 9 juli 2008 en het daartegen ingestelde appel. Het komt het hof daarom aangewezen voor om de inmiddels geroyeerde zaak 200.035.825 weer op de rol plaatsen voor verder procederen (memorie van grieven) en beide zaken vervolgens gevoegd te behandelen.

Partijen is gevraagd om zich over voorgaande punten bij akte uit te laten, eerst aan de zijde van [appellant].

2 Nu [appellant] zich bij akte hierover niet heeft uitgelaten en zijn recht om deze proceshandeling alsnog te verrichten inmiddels is vervallen, zal het hof thans arrest wijzen op basis van de voorhanden stukken.

3 In het principaal appel zijn de eerste drie grieven van [appellant] gericht tegen het vonnis van de kantonrechter van 17 januari 2007. De overige grieven richten zich tegen het vonnis van 12 april 2007. Met de grieven I t/m IV in het principaal appel komt [appellant] op tegen feitelijke vaststellingen. Grief V in het principaal appel is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat vast staat dat [appellant] in ieder geval in de periode tot 4 november 2005 volstrekt onvoldoende heeft meegewerkt aan de werkzaamheden in en aan het door hem gehuurde pand en de omliggende panden. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] de frustratie van de werkzaamheden na 4 november 2005 heeft voortgezet, is grief VI in het principaal appel gericht. Volgens grief VII in het principaal appel heeft [appellant], anders dan door de kantonrechter is overwogen, de verbouwingswerkzaamheden niet gefrustreerd en is de vertraging niet aan hem te wijten. Grief VIII in het principaal appel bestrijdt het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] ten tijde van de op 15 maart 2007 gehouden comparitie een huurachterstand van drie maanden had. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat het frustreren van de verbouwingswerkzaamheden en de huurachterstand ieder voor zich en zeker tezamen een zodanig tekortschieten in de nakoming van de huurovereenkomst opleveren, dat dit de onmiddellijke ontbinding daarvan rechtvaardigt, komt [appellant] op met grief IX in het principaal appel en de daarop gegeven toelichting. Met grief X in het principaal appel stelt [appellant] het dictum aan de orde, dat hij onjuist acht.

[appellant] heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen, waarvan met name genoemd zijn stellingen:

- dat de jegens hem gedane aangiften zijn gebaseerd op opjuistheden en derhalve vals zijn;

- dat hij uitvoering heeft gegeven aan het kort geding vonnis van 4 november 2005 en dat hij ook nadien de uitvoering van de werkzaamheden niet heeft gefrustreerd en;

- dat zijn belang bij voortzetting van de huurovereenkomst aanzienlijk is.

4 Ten aanzien van de ontbinding van de huurovereenkomst door de kantonrechter in het vonnis van 12 april 2007, blijft het hof bij het in het tussenarrest van 18 januari 2011 toen nog gegeven oordeel dat [appellant] geen belang meer heeft bij de beoordeling van de vraag of ontbinding van de huurovereenkomst ook op de door de kantonrechter in bedoeld vonnis verwoorde gronden gerechtvaardigd is, nu [appellant], hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niets daartegen in heeft gebracht en ook anderszins niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden waarom dit anders zou zijn.

5 Ten aanzien van de verschuldigde huurprijs en de over en weer verschuldigde vergoedingen stelt het hof vast dat [appellant] zich hierover niet nader heeft uitgelaten en dat de zaak met nummer 200.035.825 ondanks de door het hof gedane suggestie niet op de rol is geplaatst voor verder procederen. Het hof maakt hieruit de gevolgtrekking dat [appellant] niet langer prijs stelt op bespreking van zijn grieven hieromtrent.

6 Op grond van vorenstaande overwegingen missen de grieven in het principaal appel doel.

7 Met haar grief in het incidenteel appel stelt WbW aan de orde dat de bevoegdheid tot verrekening van dwangsommen niet eindigt door verjaring, anders dan de kantonrechter oordeelde in haar vonnis van 12 april 2007. De grief slaagt, aangezien in art. 6:131 lid 1 BW is bepaald dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. Indien en voor zover door [appellant] dwangsommen zijn verbeurd (het antwoord op die vraag gaat de grenzen van dit geding te buiten) kan WbW deze verrekenen met hetgeen zij aan [appellant] verschuldigd is. Het oordeel van de kantonrechter, dat niet voor toewijzing in aanmerking komt de verklaring voor recht dat WbW de door [appellant] verbeurde dwangsommen mag verrekenen met hetgeen zij aan [appellant] verschuldigd is, ontbeert derhalve een draagkrachtige motivering.

de slotsom

8 Aangezien de grieven in het principaal appel falen en de grief in het incidenteel appel slaagt, komen de beroepen vonnissen voor bekrachtiging in aanmerking, echter behoudens het oordeel in rechtsoverweging 10 van het vonnis van 12 april 2007, inhoudende dat de door WbW gevorderde verklaring voor recht niet kan worden toegewezen omdat de rechtsvordering ter zake van dwangsommen die door [appellant] zouden zijn verbeurd, is verjaard.

9 [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel appel. Het salaris van de advocaat van WbW wordt in het principaal appel vastgesteld op 1 punt in tariefgroep II en in het incidenteel appel op 1 punt in tariefgroep II x 50%. Bij de vaststelling van het salaris heeft het hof er rekening mee gehouden dat WbW niet onnodig incidenteel appel heeft ingesteld.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal en in het incidenteel appel

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 12 april 2007, voor zover in rechtsoverweging 10 van dat vonnis is geoordeeld dat de verklaring voor recht dat WbW door [appellant] verbeurde dwangsommen mag verrekenen met hetgeen zij aan [appellant] verschuldigd is, niet voor toewijzing in aanmerking komt, en bekrachtigt de beroepen vonnissen van 17 januari 2007 en 12 april 2007 voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van WbW vastgesteld:

- in het principaal appel op € 251,- aan verschotten en op € 894,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

- in het incidenteel appel op € 447,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, L. Groefsema en A.M. Koene, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 10 juli 2012 in bijzijn van de griffier.