Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX1960

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
200.059.461/01 en 200.065.908/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:414, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap. Bevoegdheid rechtbank en hof artikel 96 Rv. Beroep op exceptio plurium litis consortium slaagt niet. Wijziging eis bij akte is te laat. Langlopende kwestie, geen inzichtelijke administratie, door wie dan ook. Rechtbank heeft gekozen voor praktische aanpak. Partijen hebben in de loop van de procedure een vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze is niet onder invloed van wilsgebreken tot stand gekomen. Vaststellingsovereenkomst uitgangspunt ook al zou die op onderdelen in strijd zijn met dwingend recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 17 juli 2012

Zaaknummers 200.059.461/01 en 200.065.908/01

(zaaknummer rechtbank: 71646 / HA ZA 09-126)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak met het nr. 200.059.461/01 van:

[d[de moeder],

thans wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [de moeder],

advocaat: mr. F.H.I. Hundscheid, kantoorhoudende te Sittard,

tegen

[de zoon],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel en appellant in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [de zoon],

advocaat: mr. C.A. van Kooten-de Jong, kantoorhoudende te Montfoort,

en in de zaak met het nr. 200.065.908/01 van:

1. [dochter 1],

wonende te [woonplaats],

2. [dochter 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten in het principaal appel en geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [de dochters],

advocaat: mr. P. Sipma, kantoorhoudende te Drachten,

tegen

[de zoon],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel en appellant in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [de zoon],

advocaat: mr. C.A. van Kooten-de Jong, kantoorhoudende te Montfoort.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 3 februari 2009, 6 mei 2009 en 27 januari 2010 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

De zaak met het nummer 200.059.461/01

Bij exploot van 8 maart 2010 is door [de moeder] hoger beroep ingesteld van de vonnissen van 6 mei 2009 en 27 januari 2010 met dagvaarding van [de zoon] tegen de zitting van 16 maart 2010.

De conclusie van de dagvaarding luidt:

"de vonnissen d.d. 6 mei 2009 en 27 januari 2010 tussen partijen gewezen onder zaaknummer 71646 rolnummer 09-126 te vernietigen en (…) opnieuw recht doende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van geïntimeerde alsnog geheel af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij arrest van 6 april 2010 heeft het hof in deze zaak een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft geen doorgang gevonden.

[de moeder] heeft een memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord, tevens houdende een akte vermeerdering van eis, is door [de zoon] verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. Eerst en alleen in het principale appel een beslissing te nemen over de gegrondheid van de

zijdens [de zoon] naar voren gebrachte formele verweren;

B. Zich onbevoegd verklaart van dit appel kennis te nemen, althans appellante niet

ontvankelijk te verklaren in haar appel, althans haar appel af te wijzen en/of ongegrond te

verklaren met veroordeling van appellante in de kosten van beide instanties;

C. Subsidiair en voorwaardelijk - namelijk alleen in de situatie dat Uw Hof de zijdens [de zoon] naar voren gebrachte formele verweren passeert en voornemens is het geschil i

inhoudelijk te behandelen - in het voorwaardelijk incidenteel appel;

I. Bij tussenarrest aan te geven op welke wijze [de zoon] [de dochters] in

het geding moet roepen ten behoeve van de behandeling van het incidentele

appel en vervolgens;

II. de vorderingen zoals door [de zoon] ingesteld bij de inleidende dagvaarding

in eerste aanleg en aangevuld met de voorwaardelijke wijziging van eis in de

conclusie van repliek in conventie d.d. 29 april 2008 toe te wijzen met

veroordeling van appellante in de kosten van beide instanties en:

III. appellante in het principale appel daarin niet ontvankelijk te verklaren, althans

haar appel alsnog af te wijzen en/of ongegrond te verklaren met veroordeling van

appellante in de kosten van beide instanties."

Door [de moeder] is in het voorwaardelijk incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"[de zoon] in zijn voorwaardelijk ingesteld incidenteel appèl niet te ontvangen althans zijn vorderingen af te wijzen als zijnde ongegrond, onbewezen en/of in strijd met de wet."

De zaak met het nummer 200.065.908/01

Bij exploot van 22 april 2010 is door [de dochters] hoger beroep ingesteld van de vonnissen van 6 mei 2009 en 27 januari 2010 met dagvaarding van [de zoon] tegen de zitting van 1 juni 2010.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het tussenvonnis van de rechtbank Assen van 6 mei 2009 en het vonnis van de rechtbank Assen van 27 januari 2010 onder nummer 71646 / HA ZA 09-126 tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende:

- de omgang van de nalatenschap van erflater [de vader] vast te stellen per [datum];

- de waarde van de bestanddelen van de nalatenschap vast te stellen per heden, althans op

het moment van verdeling, dan wel [datum] dan wel een door Uw Gerechtshof in

goede justitie te bepalen datum;

- (en) daarbij een taxatie te gelasten van de activa van het bedrijfsvermogen van de

agrarische onderneming aan de [adres 1] te [plaats] tegen de vrije

verkeerswaarde op de datum van de taxatie, dan wel op een door Uw Gerechtshof in

goede justitie te bepalen datum;

- de vaststellingsovereenkomst van 8 mei 1999 nietig te verklaren, dan wel te vernietigen,

althans de waardering van de nalatenschap per 25 mei 1998, zoals deze in die

vaststellingsovereenkomst is opgenomen, nietig te verklaren, dan wel te vernietigen, dan

wel te bepalen dat deze waardering strijdig is met het legitieme erfdeel van appellanten;

- te bepalen dat appellanten over het hen toekomende deel (gelden) van de nalatenschap

recht hebben op een rentevergoeding van 6 procent, dan wel de wettelijke rente vanaf

[datum], dan wel een door Uw Gerechtshof in goede justitie te bepalen

rentevergoeding vanaf een door Uw Gerechtshof in goede justitie te bepalen datum;

- eerst geïntimeerde (bij incidenteel arrest) te veroordelen tot het verschaffen van

afschriften van de polissen, zoals die zijn genoemd in de vaststellingsovereenkomst,

alsmede andere administratieve bescheiden, waaruit de polissen blijken, alsmede de

waarde daarvan, zulks binnen vier weken na het in dezen te wijzen arrest;

- te gelasten dat in de akte van verdeling en scheiding een meerwaardeclausule wordt

opgenomen, inhoudende dat geïntimeerde gehouden zal zijn bij de gehele of gedeeltelijke

tegeldemaking van het ondernemingsvermogen, voorzover bestaande uit

landbouwgronden en productierechten, binnen 15 jaar na de toedeling, zonder de

verkregen gelden binnen twee jaar opnieuw te investeren in het agrarisch bedrijf, de

behaalde nettowinst te verrekenen met appellanten, overeenkomstig ieders gerechtigdheid

in de onverdeeldheid;

- geïntimeerde te veroordelen binnen vier weken na het in dezen te wijzen arrest mee te

werken aan de voor de verdeling en afwikkeling van de nalatenschap noodzakelijke

rechtshandelingen, waaronder het overmaken van gelden, met de bepaling dat, indien niet

binnen vier weken na betekening van het in dezen te wijzen arrest de nalatenschap zal zijn

verdeeld en afgewikkeld, nadien appellanten zullen zijn gemachtigd om in de plaats van

geïntimeerde te bewerkstelligen, onder meer door het verrichten van rechtshandelingen en

handelingen anderszins, dat die verdeling en afwikkeling plaatsvindt, met veroordeling

van geïntimeerde in de door appellanten ter zake van gemaakte kosten, een en ander,

subsidiair, onder de door Uw Gerechtshof te stellen voorwaarden;

- geïntimeerde te veroordelen in de kosten van deze procedure, zowel in eerste instantie als

in hoger beroep."

Bij memorie van antwoord, tevens houdende een akte vermeerdering van eis, is door [de zoon] verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. Eerst en alleen in het principale appel een beslissing te nemen over de gegrondheid van de

zijdens [de zoon] naar voren gebrachte formele verweren;

B. Zich onbevoegd verklaart van dit appel kennis te nemen, althans appellantes niet ontvankelijk te verklaren in hun appel, lathans hun appel af te wijzen en/of ongegrond te

verklaren met veroordeling van appellantes hoofdelijk in de kosten van beide instanties;

C. Subsidiair en voorwaardelijk - namelijk alleen in de situatie dat Uw Hof de zijdens [de zoon] naar voren gebrachte formele verweren passeert en voornemens is het geschil

inhoudelijk te behandelen - in het voorwaardelijk incidenteel appel:

I. Bij tussenarrest aan te geven op welke wijze [de zoon] [de moeder] in het geding moet

roepen ten behoeve van de behandeling van het incidentele appel en vervolgens;

II. de vorderingen zoals door [de zoon] ingesteld bij de inleidende dagvaarding in eerste

aanleg en aangevuld met de voorwaardelijk wijziging van eis in de conclusie van repliek

in conventie d.d. 29 april 2008 toe te wijzen met veroordeling van appellantes hoofdelijk

in de kosten van beide instanties en:

III. appellantes in het principale appel daarin niet ontvankelijk te verklaren, althans hun appel

alsnog af te wijzen en/of ongegrond te verklaren met veroordeling van appellantes

hoofdelijk in de kosten van beide instanties."

Door [de dochters] is in het voorwaardelijk incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"in principaal appel

- het verzoek van [de zoon] ex. 20, lid 1 Rv om [de dochters] niet-ontvankelijk te

verklaren, dan wel als ongegrond af te wijzen;

- de door [de zoon] ingestelde formele verweren, zoals onder B. van de vordering

geformuleerd, als ongegrond af te wijzen;

- voorwaardelijk, in het geval Uw Gerechtshof van oordeel bent, dat [de moeder] in het

geding betrokken dient te worden en de voeging daarvoor onvoldoende wordt geacht en

ambtshalve Hingsman niet in het geding wordt betrokken, aan te geven op welke wijze de

[de dochters] [de moeder] dan wel tellen in het geding te betrekken';

en verder tot persitit

in voorwaardelijk incidenteel appel

- de vorderingen van [de zoon], zoals onder C. II en III in het incidenteel appel

gevorderd niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel als ongegrond af te wijzen."

In beide zaken

Het hof heeft de zaak met het nummer 200.059.461/01 en de zaak met het nummer 200.065.908/01 ambtshalve op de rol gevoegd.

Ten slotte hebben [de moeder] en [de dochters] in de onderscheiden zaken de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[de moeder] heeft in de zaak met het nummer 200.059.461/01 in het principaal appel vier grieven opgeworpen, aangeduid met Romeinse cijfers.

[de dochters] hebben in de zaak met het nummer 200.065.908/01 in het principaal appel vijf grieven opgeworpen, aangeduid met Arabische cijfers.

[de zoon] heeft in beide zaken in het voorwaardelijk incidenteel appel acht grieven opgeworpen, eveneens aangeduid met Romeinse cijfers.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.17. van genoemd vonnis van 6 mei 2009 is niet van bezwaren gebleken (ook niet van geïntimeerde), zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Het hof zal die feiten voor zover hier van belang weergeven onder aanvulling van feiten die in hoger beroep in beide zaken zijn komen vast te staan.

2. [de vader] (verder te noemen: [de vader]) was vanaf 1978 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [de moeder] (in de stukken ook wel aangeduid als [de moeder] en verder te noemen: [de moeder]). Uit hun huwelijk zijn drie kinderen geboren, te weten [de zoon] (geboren [geboortedatum] en [de dochters] (geboren op respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum]).

3. Voor het laatst op 12 mei 1995 heeft [de vader] bij notarieel testament over zijn nalatenschap beschikt. In dat testament heeft hij zijn drie kinderen tot erfgenaam benoemd, ieder voor een derde deel. Verder zijn bij het testament twee legaten gemaakt, één ten gunste van [de zoon] en één ten gunste van [de moeder].

4. [de vader] is op [datum] overleden.

5. Op 8 mei 1998 is ten overstaan van notaris mr. M.J.A. van Mourik een "Akte afwikkeling nalatenschap de heer [de vader] / vaststellingsovereenkomst" (verder aan te duiden als de vaststellingsovereenkomst) verleden, waarin partijen verschillende afspraken hebben neergelegd. Bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst zijn mr. M.J.A. van Mourik, [ingenieur], een verwant van [senior]. en [dokter], een neef van [de moeder], betrokken geweest (deze personen zullen verder worden aangeduid als notaris Van Mourik, [ingenieur] en [dokter]). De akte is door [de moeder] zowel voor zichzelf, als belast met het ouderlijk gezag voor de destijds nog minderjarige [de dochters] met machtiging respectievelijk - voor zoveel nodig - goedkeuring door de kantonrechter ondertekend. De akte is voor de op dat moment meerderjarige [de zoon] ondertekend door [ingenieur]. Tevens is de akte ondertekend door [dokter].

In deze akte zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

"4. Legaten.

In gemeld testament zijn twee legaten opgenomen:

1. aan [de zoon] jr. de hele agrarische onderneming zoals die door de overledene in de vorm van een eenmanszaak werd uitgeoefend. Dit legaat omvat mede alle onroerende en roerende goederen die tot het bedrijf behoren, zoals werktuigen, gereedschappen, inventaris, bedrijfsauto's, voorraden, vergunningen en andere rechten waaronder productierechten, alsmede alle andere activa. Het legaat moest worden afgegeven aan [de zoon] na het bereiken van de achttienjarige leeftijd.

2. aan mevrouw [de moeder] het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap in plaats van haar erfdeel bij versterf.

5. Boedelbeschrijving

Gelet op de huwelijkse voorwaarden van erflater (periodiek verrekenbeding), het niet naleven daarvan en de jurisprudentie terzake, wordt er van uitgegaan dat de nalatenschap de helft bedraagt van het totale huwelijksvermogen, behoudens hetgeen hierna onder 6 sub g. nog ten aanzien van de aanbreng en dergelijke is opgemerkt.

De nalatenschap wordt geacht, met inachtneming van het zojuist opgemerkte, op de sterfdatum te zijn samengesteld als volgt:

BEZITTINGEN

1. ondernemingsvermogen

Volgens opgaven van de Noordelijke Accountantsunie

bedraagt de waarde van het bedrijfsvermogen

per saldo (zie bijlage 4) f. 296.910,00

2. onroerende zaken / niet ondernemingsvermogen:

Het woonhuis met ondergrond en tuin, gelegen

[adres 2] te [plaats], kadastraal bekend

[Q], in verhuurde

staat, waard f. 114.000,00

3. auto, Audi A 80: f. 100,00

4. banktegoeden:

- Rabobank [nummer] (1/2) f. 218.286,00

- ABN AMRO [nummer] (1/2) f. 125,00

- Direktbank [nummer] (1/2) f. 1,00

5. effecten (waarde 31.12.1994)

(helft van de totale portefeuille)

- 148 ING à f. 82,00 f. 12.136,00

- 100 IBM à f 123,00 f. 12.300,00

- 100 Merck & Co à f. 65,00 f. 6.500,00

- 250 Philip Morris à f. 99,00 f. 24.750,00

6. polissen p.m.

totaal bezittingen: f. 685.108,00

========

Tot de boedel behoren een zestal doorlopende , aan partijen

bekende, polissen. In totaal is daarop tijdens het huwelijk

f. 168.385,00 aan premie betaald. Dit bedrag is derhalve

uiteindelijk, ingevolge de werking van het deelgenootschap,

ten laste van beide echtgenoten gekomen.

Bij de afwikkeling (onder 6) wordt daarmede rekening gehouden.

SCHULDEN

1. wegens geldlening aan [senior] (1/2)

op grond van een aantal transacties f. 21.979,00

2. de helft van hypothecaire geldlening ad f. 150.000,00

(Rabobank, leningnr. [nummer]) f. 75.000,00

3. de helft van de hypothecaire geldlening

ad f. 150.000,00 (ABN AMRO nr. [nummer]) f. 75.000,00

f. 171.979,00

========

SAMENVATTING

Totaal der bezittingen f. 685.108,00

Totaal der schulden -/- f. 171.979,00

f. 513.129,00

========

Saldo op de dag van het overlijden f. 513.129,00

af: Kosten begrafenis/crematie e.d.:

Uitvaart- en begrafeniskosten en dergelijke -/- f. 15.084,00

Zuiver saldo van de nalatenschap f. 489.045,00

========

6. Afwikkeling nalatenschap/vaststellingsovereenkomst

Omtrent de afwikkeling van de nalatenschap hebben partijen zich beraden, vooral met het oog op de bedrijfsopvolging. Uiteindelijk hebben betrokkenen in oktober/december negentienhonderd zesennegentig ingestemd met de navolgende regeling:

a. De nalatenschap zal tot de datum waarop [de zoon] Junior vijfentwintig jaar oud wordt, onverdeeld worden gelaten. (…)

b. (…)

c. Ter uitvoering van het legaat zal het bedrijf te zijner tijd aan [de zoon] Junior worden toegedeeld, voor wat betreft de activa tegen de agrarische waarde ten tijde van de sterfdatum.

d. In de akte van toedeling zal een zogenaamde meerwaardeclausule worden opgenomen, (…)

e. Op grond van een in het testament van [de vader] voorkomende bepaling heeft [de moeder] levenslang recht op een bedrag van ten hoogste twintigduizend gulden (f. 20.000,00) ten laste van de fiscale winst (…) van het bedrijf, zulks met het oog op de verzorging van haar en de minderjarige kinderen. In het belang van het bedrijf zal [de moeder] afstand doen van dit recht op de datum waarop het bedrijf aan haar zoon wordt toegedeeld.

f. Van het gedeelte van de nalatenschap dat niet tot het bedrijfsvermogen behoort zal [de moeder], voorzover mogelijk, de vruchten genieten voorzover en zolang de twee dochters of één van hen ten laste van haar komen.

g. (…)

h. Geschillen over de uitleg van deze overeenkomst alsmede alle andere geschillen waartoe deze overeenkomst of de uitvoering daarvan kunnen leiden, zullen bindend worden beslecht door Prof. mr. M.J.A. van Mourik, notaris te Nijmegen, [de ingenieur en de dokter].

8. Geschillenregeling

Behoudens het hierboven onder 6 bepaalde zullen alle geschillen die terzake deze akte mochten ontstaan, worden beslist door de kantonrechter te Meppel."

6. Bijlage 4 bij de vaststellingsovereenkomst omvat het volgende:

"Situatie per overlijdensdatum [de vader] [datum] (Voorlopig)

Bedrijfsmiddelen:

Activa

Landerijen

Verpachte staat f. 494.600,00

Melkquotum (boekwaarde) f. 91.430,00

Bedrijfsgebouwen, [adres 1]

Vrije staat, incl. ondergrond f. 262.000,00

Woongedeelte, [adres 1]

Verhuurde staat, incl. ondergrond f. 60.000,00

Machines en gereedschappen f. 17.876,00

Tractoren f. 21.028,00

Transportmiddelen f. 18.647,00

Veestapel 41 koeien a f. 1850,-- f. 75.850,00

13 vaarzen a f. 2100,-- f. 27.300,00

24 pinken a f. 1250,-- f. 30.000,00

1 stier a f. 2000,-- f. 2.000,00

33 kalveren a f. 800,-- f. 26.400,00

Veldgewas f. 1.782,50

Vlottende middelen

Certificaten Friesland Dairy Foods f. 27.000,00

Te vorderen f. 12.489,00

Liquide Middelen

Kas f. 2.000,00

ABN-AMRO rek. courant f. 505,37

Rabo rek. crt [nummer] f. 5.509,19

Rabo rek. crt [nummer] f. 301.327,91

Totaal f. 1.477.744,97

Af: Vreemd vermogen

Hypotheek nr. [nummer] f. 700.000,00

Af: Bouwdeposito f. 106.040,01 -/-

Rek. crt [M] f. 546.213,20

Kortlopende schulden f. 40.661,42

Vermogen bedrijf f. 296.910,36

========="

7. Ten overstaan van notaris van Mourik is op 11 mei 1999 een akte van depot verleden, waarbij [ingenieur] en [dokter] hebben verklaard:

"- dat zij met elkaar in overleg zijn getreden omtrent de uitvoering van de overeenkomst van acht mei negentienhonderd achtennegentig inzake de afwikkeling van de nalatenschap van de heer [de vader] (…);

- dat dit met toepassing van artikel 6 letter h heeft geleid tot beslissingen die zijn vastgelegd in een aan deze akte gehecht stuk (bijlage 1) dat door hen en door mij notaris is ondertekend;"

8. De inhoud van bijlage 1 luidt:

"Overwegingen bij de uitvoering van de overeenkomst van 8 mei 1998 inzake [de familie].

Voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst van 8 mei 1998 inzake de nalatenschap van [de vader] en voortvloeiende uit punt 6 van deze overeenkomst, hebben ondergetekenden het volgende overwogen en om praktische redenen besloten om voorlopig uit te voeren.

1) In de overeenkomst van 8 mei 1998 wordt als uitgangspunt genomen dat de 3 kinderen voor gezamenlijke rekening het bedrijf exploiteren. In verband met de fiscale regelgeving ten aanzien van overdracht van een onderneming tussen broer en zusters is gekozen om via de zgn. partiële doorschuiving per 26 mei 1995 alleen [de zoon] als fiscaal ondernemer aan te merken.

2) In de jaarrekeningen over de boekjaren 1995/96, 1996/97 en 1997/98 is dan ook voor de twee andere kinderen, [de dochters], elk afzonderlijk een lening gepassiveerd ten bedrage van f. 98.970,00 overeenkomstig het erfdeel volgens de successie aangifte.

3) In de overeenkomst van 8 mei 1998 is tevens bepaald dat [de zoon] bij het bereiken van de 25-jarige leeftijd het bedrijf kan overnemen tegen de waarde die op sterfdatum is bepaald. Omdat [de zoon] alleen als fiscaal ondernemer wordt aangemerkt, zullen de winsten en verliezen ook in het bedrijfsvermogen van [de zoon] tot uiting komen. Om die reden wordt afgezien van een arbeidsvergoeding voor [de zoon].

4) Omdat de twee dochters, [de dochters], niet meedelen in de waardestijging van het landbouwbedrijf wordt er over de lening die in de jaarrekening is vermeld ad f. 98.970,00 voor een ieder een rentevergoeding van 6% vastgelegd. Deze rentevergoeding is pas vorderbaar en inbaar op het moment van toedeling van de boerderij aan [de zoon] jr.

5) Ter uitvoering van punt 6e van voornoemde overeenkomst, waarin wordt bepaald dat [de moeder] f. 20.000,00 per jaar ontvangt in verband met de scheiding van het vermogen, wordt met ingang van 1 mei 1999 f. 1.666,00 maandelijks overgeboekt van de bedrijfsrekening naar de privé-rekening.

6) Voor ten uitvoerlegging van de scheiding van de financiën van de nu onverdeelde boedel maakt de Noordelijke Accountantunie een financieel overzicht waarin de financiële transacties in de periode tussen sterfdatum [datum] en 30 april 1999 worden vastgesteld om vervolgens per 30 april 1999 tot daadwerkelijke scheiding in de volgende onderdelen over te gaan:

a. bedrijfsvermogen landbouwbedrijf

b. privévermogen kinderen

c. privévermogen [de moeder]

(…)"

9. Het onder punt 6 van bijlage 1 bedoelde financieel overzicht van de NAU is niet opgemaakt.

10. [de zoon] heeft vanaf [datum] feitelijk de onderneming alleen voortgezet, aanvankelijk met hulp van [de grootvader]. Op 3 september 2003 is [de zoon] 25 jaar geworden. Hij dreef de onderneming toen al enige tijd alleen.

11. [de zoon], [de moeder] en [de dochters] hebben op 17 november 2005 ten overstaan van de kantonrechter te Meppel een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin in onder meer het volgende is opgenomen:

"Vanaf die rekening (hof: bedoeld is een nieuw te openen Rabobankrekening ten name van [de erfgenamen]) zal maandelijks ten behoeve van [de moeder] betaald worden de somma van € 2.750,00, bestaande uit € 1.000,00 levensonderhoud ten behoeve van de dochters en € 1.750,00 ten behoeve van de partijen bekende vaste lasten."

12. [de zoon] heeft bij brief van 19 december 2007 de rekening-courant tussen de onderneming en [de moeder] per direct opgezegd.

In het principaal appel

De bevoegdheid van het hof

13. [de zoon] heeft aangevoerd dat van de vonnissen van de rechtbank van 6 mei 2009 en 27 januari 2010 geen hoger beroep openstaat. Volgens hem is er geen sprake van een reguliere civiele procedure. Nadat twee van de drie in punt 6 onder h van de vaststellingsovereenkomst genoemde personen hadden aangegeven niet als bindend adviseur te willen optreden, heeft [de zoon], zo heeft hij gesteld, het onderhavige geschil overeenkomstig punt 8 van de vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 96 Rv ter beslissing aan de kantonrechter voorgelegd. Het feit dat de kantonrechter de zaak vervolgens heeft doorverwezen naar de meervoudige civiele kamer van de rechtbank Assen past naar zijn mening binnen het in artikel 96 Rv gegeven kader dat het geding wordt gevoerd op de wijze als door de kantonrechter bepaald. Daarmee zijn de vonnissen van de rechtbank van 6 mei 2009 en 27 januari 2010 naar de opvatting van [de zoon] een vonnis als bedoeld in artikel 96 Rv. Aangezien partijen in de vaststellingsovereenkomst niet de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep zijn overeengekomen staat van de vonnissen van de rechtbank geen hoger beroep open, aldus [de zoon].

14. Het hof stelt vast dat, hoewel dat niet met zoveel woorden in de vaststellingsovereenkomst tot uitdrukking is gebracht, partijen met de in punt 8 omschreven geschillenregeling kennelijk de procedure als bedoeld in artikel 96 Rv (destijds artikel 43 Wet op de Rechterlijke Organisatie) op het oog hebben gehad. Van een met toepassing van die procedure tot stand gekomen beslissing van de kantonrechter staat op grond van artikel 333 Rv alleen hoger beroep open wanneer partijen zich die mogelijkheid uitdrukkelijk hebben voorbehouden.

Echter, anders dan waar partijen van zijn uitgegaan, hebben zij niet de procedure bedoeld in artikel 96 Rv gevolgd. Deze bepaling verlangt namelijk dat partijen zich gezamenlijk wenden tot de kantonrechter van hun keuze en hem vragen om een beslissing. [de zoon] heeft daarentegen de procedure ingeleid door middel van dagvaarding van [de moeder] en [de dochters] voor de kantonrechter. Nadat over en weer conclusies en aktes waren genomen heeft de kantonrechter bij vonnis van 3 februari 2009, zonder een standpunt in te nemen over het al dan niet van toepassing zijn van artikel 96 Rv de zaak doorverwezen naar de meervoudige civiele kamer van de rechtbank, omdat hij de zaak ongeschikt achtte voor behandeling en beslissing door één rechter. De rechtbank heeft op 6 mei 2009 en 27 januari 2010 de bestreden vonnissen gewezen.

Het hof is van oordeel dat nu de procedure is ingeleid bij dagvaarding en de zaak is beslist door de voor dit soort zaken bevoegde civiele kamer van de rechtbank sprake is van op tegenspraak gewezen civiele vonnissen, waarvan op grond van artikel 332 lid 1 Rv hoger beroep openstaat bij dit hof.

Het beroep op de exceptio plurium litis consortium.

15. [de zoon] heeft gesteld dat er tussen [de moeder], [de dochters] en hem ter zake van de verdeling van de nalatenschap van [de vader] sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. Het is rechtens noodzakelijk dat de beslissing ten aanzien van alle betrokkenen in dezelfde zin luidt, zo heeft [de zoon] aangevoerd. Daarvoor acht hij de betrokkenheid van [de moeder] en [de dochters] in de procedure noodzakelijk. Aangezien [de moeder] in haar zaak heeft nagelaten [de dochters] in de procedure in hoger beroep te betrekken en [de dochters] in hun zaak hebben verzuimd [de moeder] in de procedure te betrekken, dienen [de moeder] en [de dochters] naar zijn opvatting dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep in de onderscheiden zaken.

16. Naar het oordeel van het hof slaagt het beroep van [de zoon] op de zogeheten exceptio plurium litis consortium niet. In eerste aanleg heeft [de zoon] een vordering ingesteld tegen [de moeder] en [de dochters]. [de moeder] en [de dochters] hebben afzonderlijk hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank van 6 mei 2009 en 27 januari 2010. Anders dan [de zoon] kennelijk veronderstelt, kan (in beginsel) geen hoger beroep tegen een oorspronkelijk medegedaagde worden ingesteld (zie bijvoorbeeld HR 21 februari 1992, LJN: ZC0519 en HR 12 juli 2003 LJN: AE1554).

Wel of geen schikking?

17. [de zoon] heeft betoogd dat hij en [de dochters] ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg op 28 september 2009 overeenstemming hebben bereikt over de waardering en de afwikkeling van de nalatenschap van [de vader]. Hij heeft er op gewezen dat de rechtbank dit ook in het eindvonnis heeft geconstateerd en dat [de dochters] uitvoering hebben gegeven aan het eindvonnis. Gezien de getroffen minnelijke regeling over de waardering van de nalatenschap hebben [de dochters] hun recht verwerkt appel in te stellen, aldus [de zoon].

18. [de dochters] hebben erkend dat tussen [de zoon], [de moeder] en hen een voorstel is besproken waarmee zij konden instemmen. Echter, omdat [de moeder] uiteindelijk niet akkoord is gegaan met het voorstel, zijn zij daar ook niet aan gebonden. Het voorstel was voor hen, zo hebben zij gesteld, slechts aanvaardbaar als ook [de moeder] er mee zou kunnen instemmen.

19. Het hof stelt voorop dat, wanneer er veronderstellenderwijs met [de zoon] vanuit zou moeten worden gegaan dat er tussen hem en zijn zusters een regeling tot stand zou zijn gekomen ter zake van de waardering van de nalatenschap, dat feit er niet toe zou kunnen leiden dat zijn zusters geen hoger beroep zouden kunnen instellen tegen de vonnissen van de rechtbank van 6 mei 2009 en 27 januari 2010. Hooguit zou dat feit een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het geschil.

Vooruitlopend op die beoordeling zal het hof thans ingaan op de vraag of er wel of geen schikking tussen [de zoon] en [de dochters] is bereikt.

20. Het hof stelt vast dat uit het door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal van de comparitie van partijen op 28 september 2009 blijkt dat op dat moment tussen hen geen overeenstemming is bereikt over een minnelijke regeling. Wel blijkt uit de akten na comparitie van 4 november 2009 van [de zoon] en [de dochters], alsmede uit de akte van [de moeder] van 2 december 2009 dat na de comparitie op basis van een voorstel van de rechtbank tussen hen is onderhandeld over een minnelijke regeling, waarbij [de zoon] en [de dochters] hebben ingestemd met het voorstel, maar [de moeder] uiteindelijk niet. Nu omtrent deze gang van zaken niets anders is aangevoerd, betekent dat naar het oordeel van het hof dat geen regeling tussen partijen tot stand is gekomen. Aangezien het voorstel betrekking had op rechten en verplichtingen tussen alle partijen over en weer kan er geen onderdeel uit worden gelicht en kan niet worden geconcludeerd dat ten aanzien van [de dochters] op enigerlei wijze sprake is van een gedekt verweer.

Wijziging van eis [de dochters]

21. Het hof stelt vast dat [de dochters] in hoger beroep bij memorie van grieven hun petitum hebben gewijzigd zoals hiervoor vermeld. Tegen deze wijziging van de eis heeft [de zoon] zich niet verzet, zodat het hof recht zal doen op de gewijzigde eis van [de dochters].

22. De wijziging van eis van [de dochters] in de akte van 28 juni 2011 zal worden gepasseerd, want een wijziging van eis dient bij de eerste memorie in appel plaats te vinden (vgl. HR 20 juni 2008 LJN: BC4959). Overigens betreft hetgeen door [de dochters] in dit opzicht naar voren is gebracht verweren tegen de door [de zoon] aangevoerde formele punten.

Ten aanzien van de grieven

23. Grief I van [de moeder] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat van haar verlangd had mogen worden dat zij een inzichtelijke administratie had bijgehouden (r.o. 2.2. vonnis 27 januari 2010). Zij acht dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van alle feiten en omstandigheden, in het bijzonder het feit dat geen bedrijfsleider is aangesteld, dat [de grootvader] zich intensief met de gang van zaken bemoeide en dat geen gevolg is gegeven aan een afspraak dat de NAU een financieel overzicht zou opmaken.

24. Het hof stelt vast dat volgens het bepaalde onder B, sub 6, van het testament van [de vader], [de grootvader] vanaf het tijdstip van overlijden van [de vader] tot de aanvaarding van [de zoon] van de agrarische onderneming gevolmachtigd was de onderneming te beheren en in het kader daarvan alles te doen wat in zijn ogen nodig of nuttig of gewenst mocht zijn inclusief daden van beschikking.

Krachtens het bepaalde onder C van het testament is onder nader omschreven voorwaarden aan [de moeder] het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap van [de vader] gelegateerd. Onder C, sub c, is bepaald dat [de moeder] het volledig beheer zal voeren over de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken, met uitzondering en met inachtneming van het onder B. bepaalde.

[de vader] heeft onder punt D van zijn testament [de moeder], samen met een medewerker van de notaris te Meppel, benoemd tot uitvoerder van zijn uiterste wilsbeschikking totdat zijn nalatenschap zal zijn vereffend.

25. Naar het oordeel van het hof volgt uit het samenstel van deze bepalingen dat [de moeder] ten opzichte van [de zoon] en [de dochters] gehouden was rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot het beheer en de afwikkeling van de nalatenschap van [de vader], met uitzondering van de agrarische onderneming. Met het oog op het afleggen van die rekening en verantwoording diende [de moeder] een inzichtelijke administratie bij te houden. In zoverre faalt deze grief.

De grief is daarentegen terecht opgeworpen waar het gaat om de agrarische onderneming, nu volgens het testament [de grootvader] tot zijn overlijden verantwoordelijk was voor het beheer van de onderneming. Het feit dat de grief in zoverre terecht is opgeworpen kan [de moeder] evenwel niet baten. Het hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat het niet meer mogelijk moet worden geacht voldoende inzicht te verkrijgen in het financiële verloop van de nalatenschap. Nu dat zowel aan [de moeder], die zich bleef bemoeien met het beheer van de agrarische onderneming en over de bankrekening van de onderneming kon beschikken, als eertijds [de grootvader] en thans [de zoon] valt tegen te werpen, zal het hof daar geen gevolgen ten voordele, dan wel ten nadele van [de moeder] en [de zoon] aan verbinden.

Ook aan het feit dat slechts een korte periode een bedrijfsleider op de agrarische onderneming heeft gefunctioneerd en het feit dat de NAU geen financieel overzicht heeft gemaakt, dan wel heeft kunnen maken, zijn [de moeder] en [de zoon] beiden debet. Zij waren beiden in staat nakoming van de desbetreffende bepalingen af te dwingen. Daarom zal het hof aan deze feiten evenmin gevolgen verbinden.

26. Grief II van [de moeder] komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [de zoon] voortvloeiende uit de rekening-courantverhouding tussen [de moeder] en de agrarische onderneming ten bedrage van € 206.139,- toewijsbaar is (rechtsoverweging 2.16. vonnis 27 januari 2010). Zij heeft betoogd dat zowel [de zoon] en [de grootvader], als zijzelf zich niet hebben gehouden aan afspraken om inzicht te krijgen in het financieel verloop van de nalatenschap. Onder die omstandigheden is het volgens haar onjuist dat zij als enige de gevolgen daarvan moet dragen. De rechtbank, zo heeft zij gesteld, verlangt van haar het onmogelijke, waar de rechtbank enerzijds stelt dat het niet mogelijk moet worden geacht nog inzicht te verkrijgen in de nalatenschap en anderzijds de vordering van [de zoon] heeft toegewezen bij gebrek aan voldoende betwisting door haar. Voorts heeft zij aangevoerd dat op de rekening-courant een bedrag van € 82.500,- in mindering moet worden gebracht, omdat zij op grond van de vaststellingsovereenkomst van 17 november 2005 gedurende een periode van dertig maanden aanspraak heeft op een uitkering van € 2.750,00 per maand. Daarnaast heeft zij bezwaar gemaakt tegen de bijtelling van wettelijke rente en kanttekeningen geplaatst bij een aantal met name genoemde posten.

27. Het hof stelt voorop, [de moeder] heeft daar terecht op gewezen, dat [de zoon], anders dan hij onder punt 63 van de memorie van antwoord heeft gesteld, de jaarstukken 2006/2007, waar het bedrag van € 206.139,00 uit zou blijken, niet in het geding heeft gebracht. Uit de wel als productie 13 overgelegde grootboekkaarten komt per 1 juni 2007 een ander, hoger bedrag aan schuld van [de moeder] naar voren. In reactie hierop heeft [de zoon] bij memorie van antwoord aangegeven dat hij het saldo per 1 april 2007, € 206.139,00, heeft gevorderd. Het hof zal in navolging van de rechtbank dan ook uitgaan van dat bedrag. Anders dan [de moeder] heeft gesteld gaat het voor het jaar 2007 niet om een concept grootboekkaart.

28. Verder neem het hof in aanmerking dat onbetwist is dat van de agrarische onderneming elk jaar een jaarrekening is opgemaakt, waarin het saldo van de rekening-courant is opgenomen. Uit een verklaring van [medewerker NAU], destijds medewerker van de NAU van 24 april 2008 (productie 18 bij conclusie van repliek in conventie) blijkt dat hij in de periode tot 1 januari 2005 regelmatig de jaarstukken met [de moeder] heeft doorgenomen, waarbij ook de rekening-courant tussen [de moeder] en de agrarische onderneming is besproken. Tevens blijkt uit diverse aanbiedingbrieven van de accountant (productie 19 bij conclusie van dupliek in reconventie) dat de jaarstukken van de onderneming aan [de moeder] werden toegezonden. [de moeder] heeft niet eerder dan in deze procedure in eerste aanleg kanttekeningen gemaakt ten aanzien van het saldo van de rekening-courant. Gelet op het bepaalde in artikel 6:140, leden 2 en 3 BW moet de rekening-courant tussen [de moeder] en de agrarische onderneming van [de zoon] dan ook als vastgesteld worden beschouwd.

Alle bezwaren van [de moeder] tegen de rekening-courant en het saldo daarvan stuiten af op deze vaststelling, wat er van die bezwaren verder ook zij.

29. Grief III van [de moeder] keert zich tegen de vaststelling van de waarde van de overige bestanddelen van de nalatenschap op een bedrag van € 98.115,90 (r.o. 2.16. vonnis 27 januari 2010). Naar de mening van [de moeder] is de rechtbank bij de vaststelling van dit bedrag er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de waarde van de onderneming in de vaststellingsovereenkomst geheel tot de nalatenschap is gerekend. Het bedrag dat [de moeder] aan de kinderen dient te voldoen moet volgens haar worden verminderd met f. 148.455,00, omgerekend € 67.365,94.

30. Het hof stelt vast dat bij de verdeling van de nalatenschap de vaststellingsovereenkomst als uitgangspunt heeft gediend. Weliswaar is in de vaststellingsovereenkomst de gehele waarde van de onderneming tot de nalatenschap gerekend, doch kennelijk is dat met instemming van partijen gebeurd. [de moeder] kan nu niet achteraf een onderdeel van de vaststellingsovereenkomst ongedaan maken door bij de verdeling van de overige bestanddelen van de nalatenschap alsnog de helft van de waarde van de agrarische onderneming in mindering te brengen op die overige bestanddelen.

31. Grief IV van [de moeder] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat voor vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van wilsgebreken. Zij heeft aangevoerd dat na het overlijden van haar echtgenoot de druk op haar ondraaglijk groot werd. Zij zat midden in een rouwproces en moest haar gezin met drie kinderen en de boerderij draaiende houden. Daarnaast speelde een rol, aldus [de moeder] dat [de grootvader] zijn stempel op de gang van zaken drukte en bepaalde wat er op de boerderij gebeurde. Deze situatie werd haar teveel en zij heeft zich onder psychologische behandeling moeten stellen. Ter onderbouwing van dit laatste heeft zij een brief overgelegd van de psychiater [de psychiater] aan haar huisarts van 18 november 1998 (productie 1 bij conclusie van dupliek in conventie).

32. Het hof stelt vast dat over de vaststellingsovereenkomst ten minste twee jaar is onderhandeld en dat [de moeder] in dat traject werd bijgestaan door een vertrouweling van haar, [dokter].

Uit de brief van [de psychiater] blijkt dat hij [de moeder] heeft gezien voor medicatie op verzoek van de behandelend psychologe. Naar de mening van [de psychiater] is er sprake van een benzodiazepine verslaving met waarschijnlijk een onderliggende chronische depressieve stoornis met vitale kenmerken.

Ofschoon moet worden aangenomen dat [de moeder] na het overlijden van haar echtgenoot in een moeilijke situatie kwam te verkeren en mogelijk leed aan een chronische depressieve stoornis met vitale kenmerken heeft [de moeder] haar stelling dat zij als gevolg daarvan niet in staat was haar belangen naar behoren te behartigen bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet voldoende onderbouwd.

Voor vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 2:34 BW (geestelijke stoornis), dan wel artikel 2:44 BW (bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden) of artikel 6:228 BW (dwaling) bestaat naar het oordeel van het hof dan ook geen grond.

33. Grief IV slaagt niet. Daarmee is tevens het lot van grief 2 van [de dochters], gericht tegen rechtsoverweging 4.9 van het vonnis van 6 mei 2009, bezegeld. Het hof zal het bewijsaanbod van [de dochters] gedaan onder de punten 25 en 36 van de memorie van grieven als te weinig gespecificeerd passeren.

34. Met grief 1 komen [de dochters] op tegen de rechtsoverwegingen 4.2. tot en met 4.3. van het vonnis van 6 mei 2009. Zij hebben aangevoerd dat de vermogensopstelling van de NAU die als bijlage 4 bij de vaststellingsovereenkomst is gevoegd in strijd is met het testament en met de vaststellingsovereenkomst zelf, omdat de NAU is uitgegaan van een onjuiste betekenis van het begrip agrarische waarde. Zij zijn van opvatting dat de agrarische waarde de waarde is die vanuit het bedrijf kan worden opgebracht en gefinancierd, waarbij het bedrijf nog net lonend kan worden geëxploiteerd. Voor het geval wel zou moeten worden uitgegaan van de feitelijke waarde van de activa dan is het volgens hen onbegrijpelijk dat de landerijen en het melkquotum niet tegen de vrije verkeerswaarde zijn gewaardeerd. Gelet op alle feiten en omstandigheden zijn zij van mening dat de vaststellingovereenkomst niet in stand kan blijven, omdat hun belangen als erfgenamen in verhouding tot het belang van [de zoon] onvoldoende zijn gewaarborgd.

35. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich tegenover elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden, voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken (artikel 7:900 lid 1 BW). Een vaststelling ter beëindiging van onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijk gebied is ook geldig als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde (artikel 7:902 BW).

36. Het hof stelt vast dat bijlage 4 bij de vaststellingsovereenkomst de onderbouwing vormt van de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen waarde van het ondernemingsvermogen van f. 296.210,00. Met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen bij die overeenkomst, onder wie [de dochters] (wettelijk vertegenwoordigd door [de moeder]), ingestemd met deze waarde en de daaraan ten grondslag liggende onderbouwing, meer in het bijzonder de wijze waarop de NAU invulling heeft gegeven aan het begrip agrarische waarde.

37. Grief 1 treft geen doel.

38. Aangezien [de dochters] voor de onderbouwing van grief 3, gericht tegen rechtsoverweging 2.8. van het vonnis van 27 januari 2010, hebben verwezen naar hun onderbouwing van de grieven 1 en 2 kan grief 3 evenmin slagen.

39. Met de grieven 4 en 5 keren [de dochters] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat op grond van de vaststellingsovereenkomst voor de agrarische onderneming moet worden uitgegaan van een waarde van f. 296.910,00, zodat [de dochters] ieder aanspraak hebben op f. 98.970,00 te vermeerderen met 6% rente per jaar (r.o. 2.8., 2.9., 2.11. en 2.13.). Uit de toelichting op deze grieven blijkt dat de bezwaren van de [de dochters] zich richten tegen de overweging van de rechtbank dat [de dochters] en [de zoon] tijdens de besprekingen na comparitie ten overstaan van de rechtbank overeenstemming zouden hebben bereikt over dit bedrag. Volgens hen is dat niet juist, omdat zij met dat bedrag alleen akkoord konden gaan als [de moeder] ook met het voorstel van de rechtbank zou instemmen.

40. Het hof stelt vast dat de rechtbank inderdaad heeft gememoreerd dat [de dochters] en [de zoon] overeenstemming zouden hebben bereikt over genoemd bedrag. Zoals hiervoor al is overwogen onder het kopje "Wel of geen schikking?" ging het echter om een voorwaardelijke overeenstemming, namelijk voor het geval ook [de moeder] met het voorstel van de rechtbank zou instemmen. Maar de veronderstelde overeenstemming is voor de rechtbank niet de enige reden geweest om de vaststellingsovereenkomst tot uitgangspunt te nemen. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.11. overwogen dat zij bij gebreke aan andere verifieerbare aanknopingspunten zal uitgaan van de waarde als vermeld in de vaststellingsovereenkomst, dit mede omdat zowel [de zoon] als [de dochters] hebben aangegeven daarmee in te kunnen stemmen. In rechtsoverweging 2.13. heeft de rechtbank overwogen: "Overigens hebben [de zoon] en [de dochters] inmiddels overeenstemming over die waarde bereikt." Het woord overigens duidt daarbij op een overweging ten overvloede. Het hof is met de rechtbank van oordeel, dat gegeven de onduidelijkheid op verschillende punten en de vraag of het nog wel mogelijk is een juist inzicht in het verloop van de financiën te krijgen, de vaststellingsovereenkomst een aanvaardbaar uitgangspunt vormt.

41. Derhalve slagen ook de grieven 4 en 5 niet.

Het voorwaardelijk incidenteel appel

Inleiding

42. [de zoon] heeft het incidenteel appel ingesteld voor het geval de drie door hem opgeworpen formele verweren niet zouden slagen.

Nu deze verweren niet slagen, zoals hiervoor is overwogen, is de voorwaarde voor het incidenteel appel vervuld, zodat het hof thans tot behandeling van dat appel zal overgaan.

43. Het hof stelt vast dat [de zoon] bij de nummering van de grieven een vergissing heeft gemaakt en in beide zaken twee keer een grief V en een grief VI heeft aangevoerd. Het hof zal voor de tweede reeks grieven V en VI grieven VII en VIII lezen.

Wijziging van eis [de zoon]

44. [de zoon] heeft in hoger beroep bij memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel zijn vordering gewijzigd zoals hiervoor vermeld. Tegen deze wijziging van de eis als zodanig hebben [de moeder] en [de dochters] zich niet verzet, zodat het hof recht zal doen op de gewijzigde vordering van [de zoon].

De grieven

45. De grieven I tot en met III en VII hebben betrekking op de beslissing van de kantonrechter te Assen in zijn vonnis van 3 februari 2009 tot doorzending van de zaak naar de meervoudige civiele kamer van de rechtbank.

46. Naar het oordeel van het hof gaan deze grieven er ten onrechte vanuit dat het hier gaat om een procedure op grond van artikel 96 Rv, als bedoeld in artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst. Zoals onder het kopje "De bevoegdheid van het hof" is overwogen betreft het een reguliere dagvaardingsprocedure en heeft de kantonrechter de zaak bevoegdelijk ter behandeling doorgezonden naar de civiele kamer van de rechtbank. Partijen behoeven niet te worden gehoord met het oog op een dergelijke doorzending.

47. De grieven I tot en met III en VII falen.

48. Grief IV is gericht tegen de rechtsoverwegingen 2.4., 2.6. en 2.7 van het vonnis van 27 januari 2010. [de zoon] heeft aangevoerd dat de vermindering van eis in zijn akte van 4 november 2009 een voorwaardelijke vermindering van eis betreft. De voorwaarde was namelijk dat alle partijen een alles omvattende regeling in der minne zouden treffen. Indien het hof zou oordelen dat een dergelijke regeling niet tot stand is gekomen dan is volgens [de zoon] niet voldaan aan de voorwaarde voor eisvermindering en herleeft het geschil in volle omvang.

49. Het hof heeft bij het onderdeel "Wel of geen schikking?" geoordeeld dat geen minnelijke regeling tussen partijen tot stand is gekomen. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde die [de zoon] aan de vermindering van eis had verbonden. Dat betekent echter niet dat de grief slaagt. De rechtbank heeft immers de vermindering van eis niet aanvaard en recht gedaan op de oorspronkelijke vorderingen, zodat het geschil door de rechtbank is beoordeeld op de wijze die [de zoon] thans voorstaat.

50. [de zoon] heeft in grief V gesteld dat de rechtbank in haar vonnis van 27 januari 2010 ten onrechte heeft overwogen dat aan de akte van 11 mei 1999 geen waarde moet worden gehecht, omdat gesteld, noch gebleken is dat dit een stuk is dat is opgesteld naar aanleiding van nadere tussen partijen gemaakte afspraken. Naar de mening van [de zoon] miskent de rechtbank daarmee de juridische status van de akte van 11 mei 1999. Nadat de vaststellingsovereenkomst van 8 mei 1998 was gesloten bleek het noodzakelijk, zo heeft [de zoon] aangevoerd, om onder andere ten aanzien van de bedrijfsvoering van de agrarische onderneming en de financiële positie van [de zoon] en [de dochters] een aantal aanvullende bepalingen op te nemen. Deze kwestie is voorgelegd aan de drie bindend adviseurs die hierover een beslissing hebben genomen met medeweten en instemming van de betrokken partijen, aldus [de zoon].

51. Naar het oordeel van het hof valt uit de akte van depot en bijlage 1 niet op te maken of hier sprake is van een geschilbeslechting als bedoeld in punt 6 onder h van de vaststellingsovereenkomst. Met name valt niet vast te stellen of [ingenieur] en [dokter] op eigen initiatief hebben gehandeld, dan wel in actie zijn gekomen naar aanleiding van een tussen partijen gerezen geschil. Bovendien blijkt niet van medewerking door notaris Van Mourik aan de beslissingen van [ingenieur] en [dokter]. Hoe dat ook zij, zelfs als de grief zou slagen kan [de zoon] dat niet baten, aangezien hij niet concreet heeft aangegeven welke gevolgen naar zijn mening aan het slagen van de grief moeten worden verbonden. De enkele vordering onder II van het petitum in het incidenteel appel dat al zijn vorderingen in eerste aanleg moeten worden toegewezen is naar het oordeel van het hof te weinig specifiek. Het hof is bovendien van oordeel dat hetgeen de rechtbank in het vonnis van 27 januari 2010 in de rechtsoverwegingen 2.12. en 2.13. heeft overwogen in feite de uitwerking vormt van het deel van bijlage 1 dat betrekking heeft op de financiële positie van [de zoon] en [de dochters].

52. Grief V faalt.

53. Met grief VI komt [de zoon] op tegen de vaststelling van de waarde van de overige vermogensbestanddelen op € 98.115,90 (rechtsoverweging 2.14. vonnis 27 januari 2010). Naar de opvatting van [de zoon] wordt [de moeder] aldus beloond voor haar weigering rekening en verantwoording af te leggen over het beheer van de nalatenschap en de zaken uit de nalatenschap die zij onder zich had. Deze zaken zijn volgens [de zoon] in de loop van de jaren in waarde vermeerderd.

54. Het hof is van oordeel - en zo heeft het hof ook de vonnissen van de rechtbank begrepen (r.o. 4.10 vonnis 6 mei 2009 en 2.3. vonnis 27 januari 2010) - dat alle partijen in gebreke zijn gebleven de nodige financiële gegevens te verstrekken. Om die reden heeft de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, terecht de vaststellingsovereenkomst tot uitgangspunt voor de verdeling genomen. Onder die omstandigheden kan niet één onderdeel uit de vaststellingsovereenkomst worden gelicht omdat één van partijen juist op dat onderdeel onvoldoende informatie zou hebben verstrekt.

55. Grief VI faalt.

56. Grief VIII stelt de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg ter discussie. Volgens [de zoon] hebben [de moeder] en [de dochters] hem onnodig op kosten gejaagd.

57. Het hof stelt vast dat het hier gaat om de uitvoering van een uiterste wilsbeschikking en de verdeling van een nalatenschap waarbij alle partijen belang hebben. Daarnaast staan partijen tot elkaar in een familierelatie en kan niet worden gezegd dat in het bijzonder één van de partijen de anderen voor het maken van onnodige kosten heeft geplaatst. Het hof onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat de kosten in eerste aanleg dienen te worden gecompenseerd.

In het principaal en het (voorwaardelijk) incidenteel appel

Slotsom

58. Nu alle grieven uiteindelijk falen zullen de bestreden vonnissen van 6 mei 2009 en 27 januari 2010 worden bekrachtigd.

De kosten van de procedure in hoger beroep zullen eveneens worden gecompenseerd in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. De gronden daarvoor zijn dezelfde als hiervoor genoemd in rechtsoverweging 58 ten aanzien van de kosten van de procedure in eerste aanleg.

De beslissing

Het gerechtshof:

recht doende in de zaak met het nummer 200.059.461/01:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank van 6 mei 2009 en 27 januari 2010;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen;

en recht doende in de zaak met het nummer 200.065.908/01:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank van 6 mei 2009 en 27 januari 2010;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, W. Breemhaar en B.J.H. Hofstee en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 17 juli 2012 in bijzijn van de griffier.