Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX1924

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
200.076.973/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onbevoegde vertegenwoordiging, artikel 3:70 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 17 juli 2012

Zaaknummer 200.076.973/01

(zaaknummer rechtbank : 485978 / HA ZA 10-700)

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant]

advocaat: mr. L.A.M. van der Geld, kantoorhoudende te Wierden,

tegen

[geïntimeerde], handelende onder de naam Aqua Comfort Waterbehandelingstechnieken,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H. Post, kantoorhoudende te Helmond.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 10 augustus 2010 door de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton locatie Zwolle (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 november 2010 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 23 november 2010.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad, op 10 augustus 2010 onder zaaknummer 485978 CV EXPL 10-700 tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde gewezen en opnieuw recht doende, bij arrest - voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - geïntimeerde alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde tot terugbetaling van het bedrag dat appellant ter voldoening van het te vernietigen vonnis heeft betaald en met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede voor nakosten met een bedrag van € 131,- dan wel, indien betekening van dit arrest plaatsvindt, op € 199,-."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de uitspraak van 10 augustus 2010 door de Rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton - locatie Zwolle onder zaak-/rolnummer 485978 / HA ZA 10-700, gewezen tussen geïntimeerde als eiseres en appellant als gedaagde te bekrachtigen, met veroordeling van appellant in de kosten in hoger beroep gevallen."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

1. [appellant] heeft zeven grieven aangevoerd tegen genoemd vonnis.

De beoordeling

2. Tussen partijen zijn niet in geschil de feiten zoals door de kantonrechter vastgesteld onder rechtsoverweging 1.1. tot en met 1.12. van het bestreden vonnis, met uitzondering van de laatste zin van rechtsoverweging 1.3. waarin staat vermeld dat bij de bespreking van 5 november 2008 afgesproken zou zijn dat

[appellant] met [geïntimeerde] contact zou opnemen over de koop en levering van de waterontharder. Gelet daarop zal het hof de feitenvaststelling in rechtsoverweging 1.3 van het vonnis aanpassen in de hierna te blijken zin. Met inachtneming daarvan staat het navolgende vast.

2.1. [appellant] is directeur-grootaandeelhouder van [B.V. A] Dit bedrijf is gevestigd op het adres [adres 1] te [plaats]. Op dit adres zijn meerdere bedrijven gevestigd, waaronder de [B.V. X] en het[B.V. Y]] De heer [projectleider bij B.V. Y] (verder: [projectleider bij B.V. Y]) is als projectleider werkzaam bij laatstgenoemd bedrijf.

2.2. [B.V. A] is door [B.V. Y] op uurbasis ingehuurd voor het aansturen van de techniek van een bepaald project waarvan [projectleider bij B.V. Y] de projectleider is.

2.3. [projectleider bij B.V. Y] heeft Aqua Comfort Waterbehandelingstechnieken in de persoon van [geïntimeerde] gevraagd om uitleg te geven over een waterontharder. [geïntimeerde] is hiervoor op 5 november 2008 naar [adres 2] te [plaats] gegaan, het adres van [B.V. Y] Zij werd doorverwezen naar [adres 1] waar een bespreking heeft plaatsgevonden waarbij aanwezig waren [projectleider bij B.V. Y], [appellant] en [geïntimeerde] en waarbij is gesproken over de aanschaf van een waterontharder.

2.4. Op 21 januari 2009 heeft [appellant] telefonisch contact opgenomen met [geïntimeerde] over de aanschaf van een drukverhoger.

2.5. Op 2 februari 2009 is de drukverhoger afgeleverd op het adres [adres 1] of [adres 2] te [plaats]. Bij aflevering is tevens een bestelformulier ingevuld dat zowel betrekking heeft op de geleverde drukverhoger als op de nog door [geïntimeerde] te plaatsen waterontharder, welk formulier voor zover thans van belang, als volgt luidt:

Bestelling van

Naam :[projectleider bij B.V. Y]

Adres :[adres 2]

Postcode [postcode] AA plaats]

(…)

Mobiel : 06- (…)/06-(…) [appellant]

(…)

Datum 2/2/-2009

Het formulier is ondertekend door [appellant].

2.6. Bij factuur d.d. 14 februari 2009 is onder vermelding van factuurnummer [1] en klantnummer [nummer] aan [projectleider bij B.V. Y], [adres 2], [postcode] [plaats] een bedrag van € 618,80 ter zake van een drukverhoger in rekening gebracht.

2.7. Op 5 maart 2009 heeft [geïntimeerde] de waterontharder geplaatst in een woonark van [B.V. Y] te [plaats].

2.8. Bij factuur d.d. 9 maart 2009 is onder vermelding van factuurnummer [2] en klantnummer [nummer] aan [projectleider bij B.V. Y], [adres 2], [postcode] [plaats] een bedrag van € 2.395,00 ter zake van een waterontharder in rekening gebracht.

2.9. Beide facturen zijn door [B.V. Y] ingeboekt in haar administratie.

2.10. Op 21 april 2009 is [B.V. Y] failliet verklaard. De facturen op naam van [projectleider bij B.V. Y] zijn nadien door [geïntimeerde] gecrediteerd.

2.11. Op 10 september 2009 heeft [appellant] op zijn privéadres te [plaats] twee facturen ontvangen. De eerste factuur, gedateerd op 14 februari 2009, met factuurnummer [3] en klantnummer [nummer 2] heeft betrekking op de drukverhoger ad € 618,80. De tweede factuur, die is gedateerd 9 maart 2009, met factuurnummer [4] en klantnummer [nummer 2], heeft betrekking op de waterontharder ad € 2,395,00. Bij deze facturen is een brief gevoegd d.d. 10 september 2009 waarin [geïntimeerde] onder meer schrijft:

"Geachte heer [appellant],

Nu is gebleken dat u degene bent die goederen bij mij heeft besteld, ontvangt u bij deze ook de facturen. Mij is uit niets gebleken dat u bevoegd was te handelen namens dhr. [projectleider bij B.V. Y]. Ook is er tijdens onze onderhandelingen geen sprake geweest van handelen namens een B.V. (…)

2.12. Bij brief van 29 september 2009 schrijft [appellant] onder meer het volgende aan [geïntimeerde]:

"U heeft de items in de deze facturen destijds geleverd aan [B.V. Y]. Wat dus ook uw factuuradres is. U heeft deze items inmiddels al aan meerder personen, die destijds voor [B.V. Y] werkzaam waren, proberen te factureren. Onder het mom dat wij deze goederen privé besteld zouden hebben. U weet net zo goed als wij dat dit onzin is. (…)

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg.

3. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [appellant] zal worden veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van - in hoofdsom - € 3.576,88 vermeerderd met wettelijke rente over een bedrag van € 3.013,80 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van voldoening en de proceskosten. [geïntimeerde] heeft hiertoe gesteld primair dat zij met [appellant] een koopovereenkomst heeft gesloten voor de levering van een waterontharder en een drukverhoger en dat zij tevens de installatie hiervan heeft verzorgd, waarvan de facturen onbetaald zijn gebleven. Subsidiair heeft [geïntimeerde] haar vordering gebaseerd op art. 3:70 BW. Zij heeft gesteld dat [appellant] zonder toereikende volmacht namens [projectleider bij B.V. Y] heeft gehandeld en daarom gehouden is de door haar geleden schade te vergoeden.

[appellant] heeft zich zakelijk weergegeven tegen de primaire grondslag verweerd stellende dat niet hij, maar [B.V. Y] de contractuele wederpartij is van [geïntimeerde] en tegen de subsidiaire grondslag heeft hij aangevoerd dat hij niet heeft gehandeld als (pseudo) gevolmachtigde.

De kantonrechter heeft de vordering voor zover gebaseerd op de primaire grondslag afgewezen en het gevorderde op de subsidiaire grondslag toegewezen. De schade heeft de kantonrechter gesteld op het factuurbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2012.

Met betrekking tot de grieven

4. Het hof stelt vast dat grief I betrekking heeft op de primaire grondslag en dat de grieven II tot en met V betrekking hebben op de subsidiaire grondslag van de vordering. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. De kantonrechter heeft de primaire grondslag van de vordering verworpen. Gelet daarop komt grief I, gezien de devolutieve werking van het appel, pas aan de orde indien de grieven II tot en met V slagen. Beide grondslagen hangen echter onlosmakelijk samen en daarom zal het hof die gezamenlijk bespreken.

5. Het antwoord op de vraag of [appellant] jegens [geïntimeerde] bij het sluiten van de koopovereenkomsten met betrekking tot de waterontharder en de drukverhoger in eigen naam - dat wil zeggen: als wederpartij van [geïntimeerde] - is opgetreden dan wel als vertegenwoordiger van een derde ([projectleider bij B.V. Y]), is afhankelijk van hetgeen [appellant] en [geïntimeerde] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de aard van de desbetreffende overeenkomst en hetgeen ten aanzien van overeenkomsten als de onderhavige in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is (HR 11 maart 1977, LJN: AC1877)

6. Uit de hoofdregel van artikel 150 Rv volgt dat in beginsel op [geïntimeerde] de last rust om (i) concrete feiten en omstandigheden te stellen - en, in geval van gemotiveerde betwisting te bewijzen - waaruit blijkt dat [geïntimeerde] ervan uit mocht gaan dat [appellant] haar contractuele wederpartij was, dan wel (ii) (a) [appellant] als vertegenwoordiger van [projectleider bij B.V. Y] is opgetreden, (b) dat hij in die hoedanigheid een bepaalde overeenkomst tot stand heeft gebracht en (c) dat [appellant] daartoe geen toereikende volmacht had, waardoor (d) [geïntimeerde] - kort gezegd - schade heeft geleden. Het hof overweegt als volgt.

7. [geïntimeerde] heeft gesteld dat tijdens de bijeenkomst van 5 november 2008 (r.o. 2.3.) is afgesproken dat [appellant] contact met haar zou opnemen over de aanschaf van de waterontharder. Later is telefonisch de drukverhoger besteld (CvR onder 7.) [appellant] heeft de bestelformulieren voor beide zaken bij het in ontvangst nemen van de drukverhoger getekend, aldus [geïntimeerde]. Verder stelt [geïntimeerde] dat [projectleider bij B.V. Y] heeft aangegeven dat [appellant] niet voor zijn rekening heeft gehandeld (dagvaarding onder 3.)

8. [appellant] heeft betwist dat hij de bestelling voor de waterontharder heeft geplaatst. Hij heeft aangevoerd dat tijdens de bespreking van

5 november 2008 tussen [projectleider bij B.V. Y] en [geïntimeerde] een prijs is overeengekomen voor de waterontharder en dat de waterontharder mondeling door [projectleider bij B.V. Y] is besteld bij [geïntimeerde], waarbij tevens de datum en plaats van aflevering tussen hen is overeengekomen, te weten: maart 2009 in een woonark van [B.V. Y] in [plaats]. [projectleider bij B.V. Y] heeft daarbij aangegeven te handelen namens [B.V. Y] Op 21 januari 2009 heeft [appellant] contact opgenomen met [geïntimeerde] en de drukverhoger besteld waarbij is besproken dat de drukverhoger in opdracht en voor rekening van [B.V. Y] werd besteld. Deze gang van zaken wordt door [projectleider bij B.V. Y] (grotendeels) bevestigd, getuige zijn handtekening onder de conclusie van antwoord en conclusie van dupliek, aldus [appellant].

9. Uit de vaststaande feiten (r.o.2) blijkt het volgende. [geïntimeerde] is op verzoek van [projectleider bij B.V. Y] uitgenodigd op het adres [adres 2] te [plaats] om voorlichting te geven over een waterontharder. Op dit adres is [B.V. Y] gevestigd (zie prod. 4 CvR) bij welke onderneming [projectleider bij B.V. Y] werkzaam was als projectleider. [geïntimeerde] heeft die voorlichting vervolgens op 5 november 2008 gegeven op adres [adres 1] waar [B.V. Y] (eveneens) is gevestigd. Naast [projectleider bij B.V. Y] was daar tevens [appellant] aanwezig, beiden werkzaam voor een project van [B.V. Y] Bij aflevering van de drukverhoger op 2 februari 2009 heeft [appellant] de bestelbon getekend voor de drukverhoger en de waterontharder. De bestelbon werd eerst bij die aflevering opgemaakt en op aanwijzing van [appellant] is de bestelling op naam van [projectleider bij B.V. Y] gesteld.

De waterontharder is op 5 maart 2009 door monteurs van [geïntimeerde] in een woonark van [B.V. Y] geplaatst.

De waterontharder en de drukverhoger zijn door [geïntimeerde] gefactureerd aan [projectleider bij B.V. Y] op het adres [adres 2] te [plaats]. De facturen zijn ingeboekt in de administratie van [B.V. Y] Vervolgens is [projectleider bij B.V. Y] door [geïntimeerde] tot betaling gemaand en eerst geruime tijd na het faillissement van [B.V. Y] worden de op naam van [B.V. Y] gestelde facturen door [geïntimeerde] gecrediteerd en de facturen op naam van [appellant] gesteld.

10. Het hof is van oordeel dat, gelet op de onder r.o. 5. vermelde maatstaf en tegen de achtergrond van de hiervoor onder r.o. 9 omschreven gang van zaken, [geïntimeerde] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan volgen dat zij, wat de aanschaf van de waterontontharder en drukverhoger betreft, [appellant] als haar contractuele wederpartij heeft mogen beschouwen.

Evenmin kon blijkens diezelfde feiten en omstandigheden worden gezegd dat [appellant] met betrekking tot de aanschaf van de waterontharder in naam van - en derhalve als vertegenwoordiger van - [projectleider bij B.V. Y] is opgetreden. Uit die feiten blijkt immers dat het initiatief tot de aanschaf hier door [projectleider bij B.V. Y] is genomen. [geïntimeerde] blijft in haar stellingen vaag over het moment waarop de waterontharder zou zijn besteld. De waterontharder is geleverd aan een project waaraan [projectleider bij B.V. Y]/[B.V. Y] was verbonden. Het enkele feit dat [appellant] het bestelformulier heeft getekend kan hieraan niet af doen. De verklaring die [appellant] voor het tekenen van de bestelbon heeft gegeven acht hof aannemelijk, nu het tekenen voor een derde bij de ontvangst van een leverantie niet ongebruikelijk is. Dat er sprake is van een bestelbon maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders, nu het bestelformulier eerst bij aflevering (van de drukverhoger), op het adres waar beide bedrijven waren gevestigd is opgemaakt en de bestelbon op naam van [projectleider bij B.V. Y] wordt gesteld. Dat [geïntimeerde] evenmin twijfels had over deze gang van zaken blijkt uit het feit dat zij vervolgens tot facturering van [projectleider bij B.V. Y] is overgegaan.

11. Wat betreft de bestelling van de drukverhoger geldt het volgende. Door [geïntimeerde] zijn geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die duiden op contacten tussen haar en [projectleider bij B.V. Y] omtrent de aanschaf van de drukverhoger. [appellant] heeft erkend dat hij telefonisch de drukverhoger bij [geïntimeerde] heeft besteld, maar volgens hem deed hij dat niet voor zichzelf maar namens - dus als vertegenwoordiger van - [projectleider bij B.V. Y], althans zo begrijpt het hof zijn betoog op dit punt (MvG sub 9/24). In de context van de subsidiaire grondslag van de vorderingen rijst dan vervolgens de vraag of [appellant] daarbij onbevoegd namens [projectleider bij B.V. Y] is opgetreden. Immers, eerst in dat geval is van gebondenheid van [projectleider bij B.V. Y] (c.q. [B.V. Y]) geen sprake, en zou [appellant] op de voet van artikel 3:70 BW gehouden zijn de dientengevolge door [geïntimeerde] geleden schade te vergoeden. Dat sprake was van onbevoegd handelen van [appellant] volgt echter nog niet uit de enkele stelling van [geïntimeerde] dat [projectleider bij B.V. Y] dat heeft verklaard, nu dit door [appellant] gemotiveerd is betwist en [geïntimeerde] haar stelling op dit punt niet nader heeft onderbouwd. Dat geldt temeer nu de facturen van [geïntimeerde] destijds door [projectleider bij B.V. Y] in ontvangst zijn genomen en door zijn werkgever [B.V. Y] in haar administratie zijn ingeboekt, terwijl gesteld noch gebleken is dat [B.V. Y] tegen deze facturen bezwaar heeft gemaakt. Het hof leidt daaruit af dat [appellant] in de ogen van [B.V. Y] bevoegd is geweest om namens haar - in de persoon van [projectleider bij B.V. Y] - de drukverhoger te bestellen. Gelet daarop had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen haar stelling omtrent het onbevoegd handelen van [appellant] bij de aanschaf van de drukverhoger van een nadere onderbouwing te voorzien. Nu zij dat niet heeft gedaan, kan haar stelling omtrent het onbevoegd handelen van [appellant] niet als juist worden aanvaard. Dat impliceert dat ook de subsidiaire grondslag faalt.

12. Het hof passeert het algemeen bewijsaanbod van [geïntimeerde], nu geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die aan het voorgaande kunnen afdoen.

De slotsom

13. De grieven I tot en met V slagen. De overige grieven behoeven geen behandeling meer. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. [appellant] heeft gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag dat [appellant] ter voldoening van het te vernietigen vonnis heeft betaald. Nu [geïntimeerde] niet heeft betwist dat [appellant] aan het vonnis in eerste aanleg heeft voldaan, zal de vordering worden toegewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Deze kosten worden voor zover gevallen aan de zijde van [appellant] tot aan deze uitspraak wat het geliquideerd salaris voor de advocaat betreft in eerste aanleg begroot op € 768,00 (2 punten / € 384,00) en in hoger beroep op

€ 632,00 (1 punt / € 632,00).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van al hetgeen hij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na dagtekening van dit arrest tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg op nihil aan verschotten en € 768,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat, in hoger beroep op € 367,93 aan verschotten en € 632,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met € 68,00 voor nasalaris van de advocaat indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan en € 131,00 indien betekening heeft plaatsgevonden, en te vermeerderen met de wettelijke rente over voormelde bedragen vanaf 14 dagen na betekening van deze uitspraak tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest wat betreft de daarin vervatte vernietiging en veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. L. Janse, voorzitter, I. Tubben en R.A. van der Pol en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 17 juli 2012 in bijzijn van de griffier.